Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BK0150

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-07-2009
Datum publicatie
14-10-2009
Zaaknummer
06/00105
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BM3330, Niet ontvankelijk
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BM3330
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BM5160, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende woont sinds 5 oktober 1999 in Frankrijk en heeft als correspondentieadres aan de inspecteur een postbus in de gemeente Eindhoven opgegeven. In verband met het feit dat er geen aangiftes zijn ingediend heeft de inspecteur ambtshalve aanslagen opgelegd over de jaren 1998 tot en met 2001. Belanghebbende heeft bij één geschrift beroep aangetekend tegen uitspraken op bezwaar tegen de aanlagen en boetebeschikkingen voor de jaren de aanslagen 1996 t/m 2001. Er speelt ook nog een tweede bezwaarschrift, waarbij de inspecteur in strijd met de doorzendplicht ten tweede male uitspraak heeft gedaan. Deze uitspraken op bezwaar vernietigd het Hof. Voor de overige beroepen geldt dat de uitspraken op bezwaar terecht zijn verzonden naar de postbus en dat belanghebbende te laat is met zijn beroep. het risico van de postbus en het wellicht daardoor te laat kennisnemen van de uitspraak op bezwaar komt voor rekening van belanghebbende. geen verschoonbare termijnoverschrijding. Beroepen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/6.1.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 06/00105

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van mevrouw X te Y, Frankrijk (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraken van de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op de bezwaarschriften betreffende na te melden aanslagen.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende zijn voor de jaren 1996 tot en met 2001 aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. Tevens zijn voor de jaren 1998 tot en met 2001 verzuimboetes opgelegd wegens het niet tijdig doen van aangifte. De tegen de aanslagen en boetebeschikkingen ingediende bezwaren zijn bij uitspraken op bezwaar van de Inspecteur niet-ontvankelijk verklaard.

1.2. Belanghebbende is in één geschrift tegen de bovengenoemde uitspraken op bezwaar in beroep gekomen bij de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank).

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de rechtbank van belanghebbende griffierecht geheven.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft belanghebbende vóór de zitting bij de rechtbank nadere stukken, alsmede een pleitnota, ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij en behoren tot de stukken van het geding.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 14 maart 2006 te Breda.

1.5. De rechtbank heeft zich bij uitspraak van 28 maart 2005 (dit moet, gelet op onder meer de datum van de zitting, 2006 zijn) nummer AWB 05/1051 ten aanzien van het beroep onbevoegd verklaard en bepaald dat het beroepschrift ter behandeling wordt doorgezonden naar het gerechtshof (hierna: het hof). De rechtbank heeft hierbij bepaald dat de griffier van de rechtbank het gestorte griffierecht aan belanghebbende zal terugbetalen en de inspecteur gelast reiskosten aan belanghebbende te vergoeden.

1.6. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van het hof van belanghebbende een griffierecht geheven van € 37.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 17 april 2009 te 's-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.8. Belanghebbende heeft voor de zitting bij brieven van 6 en 15 april 2009 een nadere reactie toegezonden aan het hof en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij. Op verzoek van het hof heeft de Inspecteur informatie over de adressen van belanghebbende verstrekt. Ter zitting is deze informatie aan belanghebbende verstrekt en heeft belanghebbende zich daarover uitgelaten. Het hof rekent al deze stukken tot de stukken van het geding.

1.9. Met instemming van partijen is tegelijkertijd de zaak 06/00106 betreffende de aanslagen premies Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (hierna: WAZ) 1998 tot en met 2001 behandeld.

1.10. Het hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.11. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Belanghebbende, geboren op 20 augustus 1953, is gehuwd met de heer A. Tot 5 oktober 1999 woonde het echtpaar in B. Sinds die datum is het echtpaar woonachtig in Frankrijk.

2.2. Over 1996 en 1997 heeft belanghebbende aangifte IB/PVV gedaan. De inspecteur heeft in afwijking van de aangiften het belastbaar inkomen vastgesteld op f. 17.541 voor 1996 en f. 67.767 voor 1997.

2.3. Over de jaren 1998 tot en met 2001 zijn ambtshalve aanslagen IB/PVV opgelegd. Het belastbaar inkomen is vastgesteld op

f. 75.000 voor 1998;

f. 90.000 voor 1999;

f. 50.000 voor 2000.

Het inkomen uit werk en woning voor 2001 is vastgesteld op € 50.000.

Daarnaast zijn over de jaren 1998 tot en met 2001 verzuimboetes opgelegd wegens het niet tijdig doen van aangifte.

2.4. Op 8 september 2003 heeft belanghebbende bezwaar ingediend tegen de onder 2.2. en 2.3. bedoelde aanslagen en boetebeschikkingen.

2.5. De Inspecteur heeft de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige indiening. De bezwaren zijn aangemerkt als verzoek om ambtshalve herziening.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1) Zijn de bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard?

En indien deze vraag ontkennend moet worden beantwoord

2) Zijn de aanslagen en boetebeschikkingen terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?

Belanghebbende is van oordeel dat beide vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakt proces-verbaal.

4. Beoordeling van het geschil

Vooraf en ambtshalve

4.1. Belanghebbende heeft in één geschrift, betreffende de in het geding zijnde aanslagen en de aanslagen premies WAZ 1998 tot en met 2001, bezwaar gemaakt. Het bezwaarschrift is op 8 september 2003 door de Inspecteur ontvangen.

De Inspecteur heeft op 8 september 2004, 23 september 2004 en 28 september 2004 uitspraken op bezwaar gedaan. Daarbij zijn de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Tegen deze uitspraken heeft belanghebbende op 28 oktober 2004 opnieuw bezwaar gemaakt. Dit laatste bezwaarschrift is door de Inspecteur, als zijnde een verzoek om ambtshalve vermindering, in behandeling genomen. Op 16 februari 2005 heeft de Inspecteur opnieuw, bij afzonderlijke besluiten voor de jaren 1996 tot en met 2001, uitspraken op bezwaar gedaan en op het verzoek beslist. Op 30 maart 2005 heeft belanghebbende een hiertegen gericht beroepschrift ingediend bij de rechtbank.

4.2. Volgens het wettelijke systeem is het niet mogelijk om tegen een uitspraak op bezwaar een tweede bezwaarschrift in te dienen. Het tweede door belanghebbende ingediende bezwaarschrift, met datum 28 oktober 2004, had door de Inspecteur ingevolge artikel 6:15 van de Awb als een beroepschrift moeten worden doorgezonden naar de bevoegde instantie. Het voorgaande betekent dat de tweede uitspraak op bezwaar van 16 februari 2005 geen rechtskracht heeft. Deze uitspraken op bezwaar zal het hof dan ook vernietigen.

4.3. Met ingang van 1 januari 2005 is de Wet belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties van kracht geworden. Ingevolge artikel XXIII van deze wet is op uitspraken op bezwaar die zijn gedaan voor 1 januari 2005 het hof de bevoegde instantie.

4.4. Aangezien de datum van de uitspraken op het bezwaar zijn gelegen voor 1 januari 2005 had de Inspecteur het tweede bezwaarschrift van 28 oktober 2004 als beroepschrift aan het hof moeten zenden. Onder deze omstandigheid heeft de Rechtbank zich terecht onbevoegd verklaard.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep

4.5. De uitspraken op het bezwaarschrift betreffende de aanslagen IB/PVV 1996 en 1997 zijn gedagtekend 8 september 2004. De uitspraken op bezwaar zijn verzonden naar Postbus 0000, ---- -- B. Volgens de gegevens van de belastingdienst was dit het verplichte toezendadres vanaf 24 juni 2004. Ter zitting heeft belanghebbende dit bevestigd, daarbij aangevend dat dit het postbusnummer van haar zoon betreft.

Belanghebbende heeft in haar brief van 15 april 2009 gesteld dat door de jaren heen vele poststukken beduidend te laat of helemaal niet door haar zijn ontvangen vanwege zwaar verminkte en onvolledige adresgegevens. Voor zover belanghebbende met deze stelling betwist dat bekendmaking van de uitspraken op bezwaar op de juiste wijze heeft plaatsgevonden, oordeelt het hof dat belanghebbendes stelling te algemeen is om te twijfelen aan de juiste bekendmaking van de uitspraken op bezwaar betreffende de aanslagen IB/PVV 1996 en 1997. Gelet op het voorgaande gaat het hof ervan uit dat deze uitspraken op bezwaar op de voorgeschreven wijze bekend zijn gemaakt, namelijk door verzending naar het bij de belastingdienst bekende toezendadres. Dit betekent dat de beroepstermijn is gaan lopen op de dag na dagtekening van die uitspraken op bezwaar.

4.6. De wettelijke termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn eindigde op 20 oktober 2004.

4.7. Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn door het hof is ontvangen. Ingevolge artikel 6:15, derde lid, van de Awb is het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan bepalend voor de vraag of het beroepschrift tijdig is ingediend. Als tijdstip van indiening van de beroepschriften heeft dan ook te gelden 28 oktober 2004, zijnde de datum van indiening bij de Inspecteur.

4.8. De beroepschriften zijn na het einde van de termijn per fax binnengekomen. Gesteld noch gebleken is dat ze tevens, en voor het einde van de termijn, per post zijn verzonden. Gelet op de datering van de beroepschriften, 28 oktober 2004, is ook niet aannemelijk dat ze voor 20 oktober 2004 per post zijn verzonden.

4.9. Van een omstandigheid in de zin van artikel 6:11 van de Awb op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest ten aanzien van de na afloop van de termijn ingediende beroepschriften, is het hof niet gebleken. Dat belanghebbende in Frankrijk woont en derhalve doorgaans met vertraging kennis zal kunnen nemen van post die - op haar verzoek - naar een postbusnummer in B wordt verstuurd, moet voor haar rekening blijven.

4.10. Het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat belanghebbende niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar beroep betreffende de aanslagen IB/PVV 1996 en 1997.

4.11. Het beroep betreffende de aanslagen IB/PVV 1998 tot en met 2001 is ontvankelijk. De uitspraken op bezwaar betreffende die aanslagen zijn gedateerd 23 september 2004 (jaar 2000) en 28 september 2004 (jaren 1998, 1999 en 2001). De ontvangst van het beroepschrift op 28 oktober 2004 is binnen de termijn van zes weken en derhalve tijdig. Dit betekent dat het hof voor die aanslagen toekomt aan de behandeling van de onder 3.1. geformuleerde vragen.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het bezwaar

4.12. De aanslag IB/PVV 1998 is gedagtekend 27 oktober 2000;

De aanslag IB/PVV 1999 is gedagtekend 26 april 2002;

De aanslag IB/PVV 2000 is gedagtekend 19 april 2002;

De aanslag IB/PVV 2001 is gedagtekend 18 juli 2003.

4.13. Verzending van al deze aanslagen heeft plaatsgevonden naar het bij de belastingdienst bekende toezendadres Postbus 1111, ---- -- B.

4.14. De wettelijke termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken.

De termijn vangt aan met ingang van de dag waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Bekendmaking kan ingevolge artikel 3:41 van de Awb onder meer geschieden door toezending. Indien de bekendmaking van het aanslagbiljet geschiedt door toezending, kan in de regel ervan worden uitgegaan dat met de terpostbezorging van het aanslagbiljet de bekendmaking heeft plaatsgevonden. De evenvermelde regel lijdt echter uitzondering indien de zending belanghebbende niet heeft bereikt en zulks het gevolg is van een fout van de belastingdienst (bijvoorbeeld een verkeerde adressering die aan de belastingdienst is te verwijten). In een zodanig geval kan niet worden gezegd dat bekendmaking van de aanslag op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden (HR 5 maart 2004, nr. 39 245, BNB 2004/200).

4.15. Het adres postbus 1111, ---- -- B was volgens gegevens van de belastingdienst in de periode van 20 augustus 1999 tot 10 september 2003 het verplichte toezendadres. Dit wordt ondersteund door de brief van belanghebbende van 25 oktober 2004 waarin is vermeld (pagina 2/2) dat dit postbusnummer in ieder geval sinds november 2000 als correspondentieadres bij de belastingdienst bekend was.

Uit het overzicht van (onder meer) adreswijzigingen dat belanghebbende zelf heeft verstrekt in haar brief van 15 april 2009 (pagina 5/15), blijkt niet dat in de periode waarin onderhavige aanslagen zijn opgelegd door haar adreswijzigingen aan de belastingdienst zijn doorgegeven. Belanghebbende heeft weliswaar nog gesteld dat zij, voordat de aanslagen werden verzonden, per brief aan de Inspecteur een adreswijziging heeft gezonden en dat de Inspecteur de aanslagen ten onrechte naar het genoemde postbusnummer heeft gestuurd, maar het hof gaat aan deze stelling voorbij. De Inspecteur heeft betwist een adreswijziging te hebben ontvangen, anders dan de wijzigingen die in het systeem van de belastingdienst zijn verwerkt, en belanghebbende heeft haar stelling op geen enkele wijze nader gespecificeerd of onderbouwd. Bovendien strookt haar stelling niet met het door haar verstrekte overzicht in eerder genoemde brief van 15 april 2009.

Belanghebbende heeft in haar brief van 15 april 2009 gesteld dat door de jaren heen vele poststukken beduidend te laat of helemaal niet door haar zijn ontvangen vanwege zwaar verminkte en onvolledige adresgegevens. Voor zover belanghebbende met deze stelling betwist dat bekendmaking van de aanslagen op de juiste wijze heeft plaatsgevonden, oordeelt het hof dat belanghebbendes stelling te algemeen is om te twijfelen aan de juiste bekendmaking van de aanslagen IB/PVV 1998 tot en met 2001.

4.16. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat verzending van de aanslagen IB/PVV 1998 tot en met 2001 naar het juiste adres heeft plaatsgevonden en dat de aanslagen op de juiste wijze bekend zijn gemaakt. Voor het aannemen van een uitzondering op de onder 4.14 vermelde regel ziet het hof dan ook geen aanleiding.

4.17. Voor dat geval begint de bezwaartermijn ingevolge artikel 6:8 van de Awb, juncto artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te lopen de dag na dagtekening van het aanslagbiljet. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn door de Inspecteur is ontvangen.

4.18 Het bezwaarschrift is gedateerd 1 augustus 2003 en is blijkens de stempel van de receptionist(e) van het Centraal Belastinggebouw te B op 8 september 2003 aldaar ontvangen, dit is na het einde van de bezwaartermijn. Van verzending per post en/of per fax van genoemd bezwaarschrift is niet gebleken.

4.19 Artikel 6:11 van de Awb bepaalt dat niet-ontvankelijkheid van een bezwaar achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest ten aanzien van het na afloop van de termijn ingediende bezwaarschrift.

Dat belanghebbende in Frankrijk woont en derhalve doorgaans met vertraging kennis zal kunnen nemen van post die - op haar verzoek - naar een postbusnummer in B wordt verstuurd, moet voor haar rekening blijven. Dat het belanghebbende niet duidelijk was waar zij aangifte moest doen, C dan wel B, levert evenmin een verschoonbare termijnoverschrijding op. Voor zover ten slotte belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat zij poststukken, waaronder de bestreden aanslagen, niet heeft ontvangen, acht het hof deze betwisting van de ontvangst te algemeen gesteld en te vaag. Dat alle aanslagen over de jaren 1998 tot en met 2001 niet zouden zijn ontvangen is bovendien ongeloofwaardig.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat niet gebleken is van een omstandigheid die een verschoonbare termijnoverschrijding oplevert.

4.20. De Inspecteur heeft terecht de bezwaren tegen de aanslagen IB/PVV 1998 tot en met 2001 niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep betreffende die aanslagen is ongegrond.

4.21. Ten aanzien van de verzuimboetes die over de jaren 1998 tot en met 2001 zijn opgelegd, overweegt het hof als volgt.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de aanslagen IB/PVV 1998 tot en met 2001, is het hof van oordeel dat belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard in haar bezwaren tegen de boetes. Naar vaste jurisprudentie (laatstelijk HR 10 april 2009, NTFR 2009/842) rust bij boetebeschikkingen de bewijslast voor de termijnoverschrijding op de Inspecteur. Dit geldt indien belanghebbende stelt dat, en op welke grond de termijnoverschrijding niet aan haar is toe te rekenen. Hetgeen belanghebbende in dit verband heeft aangevoerd acht het hof onvoldoende om de bewijslast van de onjuistheid van die stellingen bij de Inspecteur te leggen. Belanghebbende heeft slechts in zijn algemeenheid aangevoerd dat in de loop der jaren vele poststukken beduidend te laat of helemaal niet door haar zijn ontvangen vanwege zwaar verminkte en onvolledige adresgegevens. Verder komt de omstandigheid dat zij met vertraging kennis kan nemen van post die naar het postbusnummer in B wordt gezonden geheel voor haar rekening.

4.22. Het beroep betreffende de verzuimboetes over 1998 tot en met 2001 is dan ook ongegrond.

4.23. Belanghebbende is derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard in de bezwaren betreffende de aanslagen IB/PVV en de boetebeschikkingen 1998 tot en met 2001. Dit betekent dat het hof niet toekomt aan beantwoording van de vraag of de aanslagen en boetebeschikkingen terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd.

4.24. Het hof komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat het beroep tegen de aanslagen IB/PVV 1996 en 1997 niet-ontvankelijk, het beroep tegen de aanslagen IB/PVV 1998 tot en met 2001 ongegrond, en het beroep tegen de boetebeschikkingen 1998 tot en met 2001 ongegrond is.

5. Griffierecht

Het hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.

6. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

7. Beslissing

Het hof,

- verklaart het beroep betreffende de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1996 en 1997

niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep betreffende de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1998 tot en met 2001 ongegrond;

- verklaart het beroep betreffende de verzuimboetes over 1998 tot en met 2001 ongegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar van 16 februari 2005 inzake de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1996 tot en met 2001.

Aldus gedaan op 30 juli 2009 door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, V.M. van Daalen-Mannaerts en W.A. Sijberden, leden, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.