Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ9646

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-09-2009
Datum publicatie
08-10-2009
Zaaknummer
HV 200.032.962
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering informatieplicht, belang van het kind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

JM

17 september 2009

Sector civiel recht

Zaaknummer: HV 200.032.962/01

Zaaknummer eerste aanleg: 125374/FA RK 07-1776

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeentenaam],

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. A.M. Holmes,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeentenaam],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. P. Ograjensek.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Maastricht van 27 maart 2009.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 15 mei 2009, heeft de vader het hof verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, aan de vrouw een informatieplicht op te leggen inhoudende de toezending van informatie over het minderjarige kind van partijen, [Z.], geboren op [geboortejaar] te [geboorteplaats], te weten informatie over schoolprestaties, ontwikkelingsinformatie en andere relevante informatie over het minderjarige kind van partijen, alsmede een recente goedgelijkende foto.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 2 juni 2009, heeft de moeder verzocht de vader in zijn verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2009. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- mr. A.M. Holmes, namens de vader;

- de moeder, bijgestaan door mr. P. Ograjensek;

- de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad), vertegenwoordigd door mevrouw I. Pijls;

De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. De advocaat van de vader heeft verklaard dat de vader op de hoogte is van de zitting.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 10 februari 2009.

3. De beoordeling

3.1. Uit de inmiddels verbroken relatie van partijen is [Z.] (hierna: [Z.]) geboren op [geboortejaar] te [geboorteplaats]. De vader heeft [Z.] erkend. De moeder oefent het eenhoofdig ouderlijk gezag over [Z.] uit.

3.2. Bij beschikking van 23 juni 2004 heeft de rechtbank Maastricht een omgangsregeling vastgesteld, inhoudende dat de vader drie opeenvolgende weekenden van vrijdag 17:00 uur tot zondag 18:00 uur omgang kan hebben met [Z.], alsmede gedurende vakanties en feestdagen, een en ander in onderling overleg te regelen.

3.3. De moeder heeft wijziging verzocht van de beschikking van de rechtbank Maastricht van 23 juni 2004, in die zin dat geen omgang tussen de vader en [Z.] zal plaatsvinden. Tijdens deze procedure heeft de vader van zijn zijde verzocht een informatieregeling vast te stellen. Bij de bestreden, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, beschikking, heeft de rechtbank de vader het recht op omgang met [Z.] ontzegd en het verzoek van de vader om een informatie-regeling vast te stellen afgewezen.

3.4. De vader kan zich met de beslissing tot afwijzing van zijn verzoek tot vaststelling van een informatieregeling niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5. De vader voert - samengevat - aan dat hij begrijpt dat het momenteel niet in het belang van [Z.] is dat er omgang tussen hen plaatsvindt. Dit is evenwel anders waar het betreft het verstrekken van informatie en het toezenden van een foto. Daar hoeft [Z.] immers niet bij te worden betrokken. De vader heeft er recht op en belang bij om te vernemen hoe het met [Z.] gaat.

3.6. De moeder voert - samengevat – het volgende aan. Het belang van [Z.] verzet zich tegen toewijzing van het verzoek van de vader. Er is sprake van een verleden van geweld, bedreigingen en intimidatie door de vader. [Z.], zijn moeder en (half)broer en (half)zus ondervinden hier nog steeds de gevolgen van. [Z.] is nog steeds erg bang voor zijn vader. Sinds de raad zijn rapportage, waarin staat dat het recht op omgang aan de vader diende te worden ontzegd, met [Z.] heeft besproken, heeft [Z.] geen nachtmerries meer en heeft hij niet meer in zijn broek gepoept. Oplegging van een informatieregeling zal wederom gevoelens van onveiligheid en angst bij [Z.] oproepen. De moeder wenst de informatieverstrekking niet voor [Z.] te verzwijgen. [Z.] is oud genoeg om de spanningen die de informatieverstrekking bij moeder opleveren te merken en zal op enig moment, gezien zijn leeftijd, toch van de informatieverstrekking op de hoogte raken. De moeder stemt in met een eventueel nader onderzoek door de raad.

Ter zitting heeft de moeder haar verzoek aangevuld. Nu de vader niet ter zitting is verschenen, verzoekt zij dat hij in de proceskosten veroordeeld wordt.

3.7. De raad heeft ter zitting verklaard het eens te zijn met de beslissing van de rechtbank. Een nader onderzoek van de raad is niet nodig. [Z.] is ernstig getraumatiseerd en heeft rust nodig. [Z.] heeft ter gelegenheid van het eind 2008 verrichte raadsonderzoek bij de raad aangegeven dat hij bang is herkend te worden door zijn vader.

3.8. Het hof overweegt het volgende.

3.8.1. Het hoger beroep is niet gericht tegen de beslissing van de rechtbank tot ontzegging van het recht op omgang, maar alleen tegen de beslissing tot afwijzing van het verzoek van de vader tot vaststelling van een informatieregeling.

3.8.2. Op grond van artikel 1: 377b lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) is de ouder die met het gezag belast is, gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind. De rechter kan op grond van artikel 1:377b lid 2 BW bepalen dat deze informatieplicht buiten toepassing blijft indien het belang van het kind dit vereist.

3.8.3. Het verzoek van de vader tot vaststelling van een informatieregeling is niet meegenomen in het raadsonderzoek dat heeft geleid tot het rapport van de raad van 6 november 2008. Het hof acht zich evenwel op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen, zodat geen noodzaak bestaat om een nader onderzoek te gelasten. Ook de raad acht een nader onderzoek niet nodig.

3.8.4. Wanneer er geen omgang is tussen een vader en zijn kind, is de informatie-plicht een belangrijk middel voor de vader om de band met zijn kind te behouden. De vader heeft derhalve in beginsel groot belang bij zijn verzoek tot vaststelling van een informatieregeling. Wel stelt het hof vraagtekens bij de betrokkenheid van de vader bij [Z.] nu hij slechts zeer beperkt heeft meegewerkt aan het raadsonderzoek en nu hij zonder opgave van redenen niet is verschenen tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep. Wat hier ook van zij, in het onderhavige geval dient het belang van de vader te wijken voor het belang van [Z.]. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, heeft geoordeeld dat in de onderhavige zaak de vaststelling van een informatieregeling in strijd is met de belangen van [Z.]. Uit het rapport van de raad van 6 november 2008 komt het beeld naar voren van een kwetsbare jongen die getraumatiseerd is door de ervaringen die hij in het verleden met zijn vader heeft opgedaan. Tijdens het onderzoek door de raad heeft [Z.] voor de eerste keer kunnen praten over zijn gevoelens van angst, bedreiging en onveiligheid. Dit gesprek was voor [Z.] zo emotioneel belastend dat de raadsonderzoeker op een gegeven moment heeft besloten het gesprek over de vader te staken. De raad stelt in zijn rapport vast dat er nog steeds sprake is van een heftige en actuele angstbeleving bij [Z.], ondanks dat het contact met zijn vader al ruim drie jaar is verbroken en geeft aan dat [Z.] zich in sociaal-emotioneel en psychisch opzicht alleen goed kan ontwikkelen als hij voldoende veiligheid in zijn dagelijks leven ervaart.

Het hof is van oordeel dat de vaststelling van een informatieregeling nadelige gevolgen zou hebben voor het veiligheidsgevoel van [Z.]. In tegenstelling tot de vader is het hof van oordeel dat het verstrekken van de informatie aan de vader niet voor [Z.] kan worden verzwegen. Mede gezien de leeftijd van [Z.] is het onvermijdelijk dat [Z.] vroeg of laat op de hoogte raakt van de informatie-verstrekking en dit zou de verhouding met zijn moeder belasten met alle gevolgen van dien voor zijn gevoel van veiligheid. Daarnaast betwijfelt het hof of de vader zorgvuldig zou omgaan met de door hem te ontvangen informatie over [Z.], nu de raad in zijn rapport, mede op grond van een uit de justitiële documentatie gebleken agressieregulatieprobleem, heeft geconcludeerd dat de vader ongeschikt is om omgang te hebben met [Z.].

Ook de raad heeft ter zitting geadviseerd om conform de beslissing van de rechtbank geen informatieregeling vast te stellen. Dit advies is gebaseerd op intern multidisciplinair overleg bij de raad. Daarbij is aan de orde gekomen dat [Z.] bang is door zijn vader herkend te worden. Het toezenden van een recente foto maakt die kans niet denkbeeldig.

3.8.5. Op grond van het bovenstaande dient in het onderhavige geval de informatieplicht op grond van artikel 1:377b BW buiten toepassing te blijven. Het hof zal derhalve de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigen.

3.8.6. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen een relatie hebben gehad en er geen sprake is van kosten die nodeloos werden aangewend of veroorzaakt. Ondanks het feit dat de vader tijdens de mondelinge behandeling niet in persoon verschenen is, heeft hij belang bij een beoordeling van zijn verzoek in hoger beroep.

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Maastricht van 27 maart 2009, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, derhalve voor wat betreft de beslissing tot afwijzing van het verzoek van de vader om een informatieregeling vast te stellen;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Everaars-Katerberg, Smeenk-van der Weijden en Philips en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2009.