Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ9604

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-08-2009
Datum publicatie
08-10-2009
Zaaknummer
20-000892-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

'Verlengde invoer' van cocaïne. Duurzaamheid van het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 140 Sr. Voorhanden hebben van wapen en munitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-000892-09

Uitspraak : 12 augustus 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Roermond van 13 februari 2009 in de strafzaak met parketnummer 04-660110-07 tegen:

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats] op [1954],

thans verblijvende in PI Limburg Zuid - Gev. De Geerhorst te Sittard.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot hetgeen aan de verdachte onder 1, 2, 4, 5, 6, 9 (aanvankelijk ten laste gelegd onder 11) en 10 aanhef onder a en c (aanvankelijk ten laste gelegd onder 12) ten laste is gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, mr. C.G.J.M. van Hilten-van Heeswijk, en van hetgeen door de verdachte en namens deze door mr. P.J. Silvis, advocaat te Schiedam, naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal bevestigen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover thans nog aan de orde – ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2006 tot en met 31 augustus 2006 te Well, in elk geval in de gemeente Bergen (L), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA (3,4 methyleendioxymethamfetamine) en/of N-ethyl MDA en/of amfetamine en/of tenamfetamine en/of brolamfetamine, in elk geval (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 3 juli 2007 in de gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 3 juli 2007 te Well, in elk geval in de gemeente Bergen (L) en/of te Wanssum, in elk geval in de gemeente Meerlo-Wanssum en/of in de gemeente Asten althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid of bewerkt of verwerkt of afgeleverd of verstrekt of vervoerd of aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

5.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2006 tot en met 30 juni 2006 te Well, in elk geval in de gemeente Bergen (L) en/of in de gemeente Asten, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, bestaande uit [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] en/of [betrokkene 6] en/of een of meer ander(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (meermalen) (telkens) opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, vervoeren, vervaardigen of aanwezig hebben van middelen of een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

6.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2006 tot en met 3 juli 2007 te Well, in elk geval in de gemeente Bergen (L) en/of in de gemeente Asten, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, bestaande uit [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] en/of [betrokkene 6] en/of een of meer ander(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet en/of artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet, namelijk het (meermalen) (telkens) opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, vervoeren, vervaardigen en/of aanwezig hebben van middelen of een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

9.

hij op of omstreeks 18 september 2007 in de gemeente Asten voorhanden heeft gehad:

a. een vuurwapen van categorie III onder 1, te weten een pistool (merk Ruger);

b. munitie van categorie III, te weten 100, in elk geval een aantal patronen;

c. een onderdeel en/of hulpstuk dat specifiek bestemd was voor een wapen van categorie II en van wezenlijke aard was, te weten een patroonhouder, welke was bestemd voor een machinepistool van Duitse makelij, zijnde een vuurwapen, geschikt om automatisch te vuren:

10.

hij op of omstreeks 18 september 2007 in de gemeente Asten voorhanden heeft gehad:

a. een wapen van categorie I, onder 7, te weten 1 (speelgoed)pistool (merk Villa, type airsoft gun) die voor wat betreft zijn vorm of afmeting een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen (merk Beretta, type 92f);

c. een wapen van categorie I, onder 6, te weten een katapult.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. In deze weergave van de tenlastelegging zijn de door de eerste rechter aangebrachte verbeteringen begrepen.

Geldigheid van de dagvaarding

Door de verdediging is aangevoerd dat de inleidende dagvaarding ten aanzien van het onder 9 aanhef, onder b ten laste gelegde nietig behoort te worden verklaard, nu in de tenlastelegging onvoldoende tot uitdrukking wordt gebracht om welke patronen het gaat. In de woning zijn namelijk geen 100, maar 126 patronen aangetroffen van een verschillend kaliber. Volgens de verdediging blijkt uit de tenlastelegging onvoldoende duidelijk welke patronen worden bedoeld.

Het hof is, anders dan de verdediging, van oordeel dat de tenlastelegging voldoet aan de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen. Uit het strafdossier blijkt dat dit onderdeel van de tenlastelegging enkel kan zien op de tijdens de doorzoeking in de woning van verdachte aangetroffen patronen. Daar doet niet aan af dat meer dan honderd patronen zijn aangetroffen en dat het om patronen van verschillend kaliber gaat.

Tijdens de behandeling ter terechtzitting is het hof ook niet gebleken dat verdachte wat dit onderdeel betreft niet heeft geweten waartegen hij zich moest verdedigen.

Het hof verwerpt het verweer.

Vrijspraak

Het hof heeft niet uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 10 ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken, zulks gelet op de aard van de voorwerpen (een speelgoedpistool en een katapult), de plaats waar deze voorwerpen in de woning zijn aangetroffen alsmede de omstandigheid dat meerdere bewoners in de woning verbleven.

Bewijsoverwegingen

I. Verzoek verdediging tot het horen van de informant

Ter terechtzitting in hoger beroep op 29 juli 2009 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het proces-verbaal C.I.E. informatie (nummer 26-127257/44, dossierpagina 389/A445) van het bewijs dient te worden uitgesloten. Mocht het hof dit toch voor het bewijs willen gebruiken, dan verzoekt de raadsman met toepassing van artikel 344a lid 3 Wetboek van Strafvordering de informant die de in het proces-verbaal vermelde informatie heeft verstrekt alsnog als getuige te horen.

Het hof zal het proces-verbaal C.I.E.-informatie niet voor het bewijs gebruiken. Het voorwaardelijk verzoek is derhalve niet aan de orde.

II. Beroep op onrechtmatig verkregen bewijs.

Door de verdediging is aangevoerd dat het binnentreden in het pand [adres] te Well op 3 juli 2007 onrechtmatig was, nu de verdenking dat in het pand werd gehandeld in strijd met de Opiumwet slechts berustte op vage vermoedens en een onduidelijke warmtemeting. De hieruit verkregen resultaten van het politie- en NFI-onderzoek mogen, als vrucht van het onrechtmatig binnentreden, niet voor het bewijs van de tenlastegelegde feiten worden gebruikt.

De verdediging heeft voorts gesteld dat de verdachte als huurder van dat pand en gelet op hetgeen hem ten laste wordt gelegd door het binnentreden wordt getroffen in een belang dat de geschonden norm beoogt te beschermen.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het proces-verbaal van [verbalisant 1] (inspecteur van politie Basiseenheid Horst, distr. Venray, regio Limburg-Noord, Bijl. A101) en uit zijn bij de rechter-commissaris op 23 januari 2009 afgelegde verklaring blijkt dat de machtiging tot binnentreden van perceel [adres] te Well is verleend op grond van het navolgende:

- er was ambtelijke informatie binnengekomen dat er mogelijk sprake zou zijn van hennepteelt op genoemd adres;

- het betreffende pand was al geruime tijd leegstaand en was voorheen een horecagelegenheid;

- het is verbalisant ambtshalve bekend dat veel leegstaande panden en/of horecapanden in de omgeving worden gebruikt voor de teelt van hennep;

- bij de locale bevolking ‘gonsde’ het van geruchten dat het betreffende pand in gebruik zou zijn voor de teelt van hennep; er werden vreemde geuren geroken;

- een warmtemeting gaf vreemde, niet te verklaren resultaten;

- informatie leverde op dat de toegang min of meer werd geblokkeerd en een deel van de ramen van het pand was geblindeerd;

- er werd informatie ontvangen dat een toevallige trimmer in de omgeving van het pand door een onbekende (komende uit het pand) was ‘weggejaagd’.

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, kon het redelijk vermoeden ontstaan dat in het betreffende pand werd gehandeld in strijd met de Opiumwet. Het hof acht de binnentreding dan ook rechtmatig, waardoor ook de daaruit verkregen resultaten van het onderzoek voor het bewijs van de tenlastegelegde feiten mogen worden gebruikt.

Het verweer wordt mitsdien verworpen.

III. Beroep op ongeloofwaardigheid/onbetrouwbaarheid van de door medeverdachten afgelegde verklaringen.

Van de zijde van de verdachte is aangevoerd dat de verklaringen van [betrokkene 5], [betrokkene 6] en [betrokkene 1] ongeloofwaardig en onbetrouwbaar zijn en niet voor het bewijs mogen worden gebruikt.

Het hof overweegt dienaangaande dat genoemde personen gedetailleerde verklaringen hebben afgelegd, waarin zij ook over hun eigen aandeel in het gebeuren hebben verklaard, dat de verklaringen overwegend consistent zijn en dat die verklaringen op belangrijke punten met elkaar overeenstemmen.

Het hof ziet dan ook geen aanleiding te twijfelen aan de verklaringen van [betrokkene 5], [betrokkene 6] en [betrokkene 1] zoals deze zijn gebezigd voor het bewijs. Hetgeen hieromtrent overigens door de verdediging is aangevoerd, doet aan het vorenstaande niet af.

IV. ‘Verlengde invoer’ van cocaïne.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de verdediging betoogd dat, gelet op de formulering van de tenlastelegging en gelet op de omstandigheid dat het [betrokkene 1] was die de uit Colombia afkomstige cocaïne in ontvangst heeft genomen en het volstrekt onduidelijk is wanneer de cocaïne in Well was terechtgekomen, de invoer van de cocaïne was voltooid op het moment dat deze door [betrokkene 1] in ontvangst was genomen. De verdediging concludeert dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte betrokken is geweest bij de invoer van cocaïne.

Het hof overweegt als volgt.

Gelet op artikel 1, vierde lid van de Opiumwet wordt onder ‘binnen het grondgebied van Nederland brengen’ mede begrepen elke op het verder vervoer, de aflevering, ontvangst of overdracht gerichte handeling met betrekking tot de middelen die binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht.

Deze omschrijving behoeft niet in de tenlastelegging te worden opgenomen.

Uit de bewijsmiddelen blijkt onder meer dat meerdere malen vaten met plantenmateriaal, bevattende cocaïne, afkomstig uit Colombia, in Nederland zijn afgeleverd, dat verdachte heeft gezorgd voor een locatie die geschikt was voor het terugwinnen van de cocaïne uit het plantenmateriaal en dat de betreffende vaten vervolgens naar die locatie zijn gebracht.

Het hof leidt hieruit af dat het binnen het grondgebied van Nederland brengen van de cocaïne niet reeds was voltooid met het in ontvangst nemen van die cocaïne door [betrokkene 1].

Het hof verwerpt het verweer.

V. Duurzaamheid van het samenwerkingsverband bij het onder 6 ten laste gelegde:

Door de raadsman is aangevoerd dat, gelet op het beperkt aantal transporten van het plantenmateriaal, geen sprake is van een duurzaam samenwerkingsverband.

Het hof overweegt het volgende.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt onder meer dat in de periode van 1 januari 2007 tot en met 3 juli 2007:

- meerdere malen vaten met plantenmateriaal, bevattende cocaïne, afkomstig uit Colombia, in Nederland zijn afgeleverd,

- verdachte heeft gezorgd voor een locatie die geschikt was voor het terugwinnen van de cocaïne uit het plantenmateriaal,

- stoffen en voorwerpen ten behoeve van het productieproces naar die locatie zijn gebracht,

- Colombianen het feitelijk productieproces hebben uitgevoerd,

- in opdracht van verdachte toezicht werd uitgeoefend op het productieproces,

- meerdere productieprocessen hebben plaatsgevonden en meerdere malen het eindproduct – cocaïne – is afgeleverd,

- de werkzaamheden werden verdeeld en op elkaar afgestemd.

Gelet hierop en op hetgeen overigens uit de gebezigde bewijsmiddelen naar voren komt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven en dat verdachte daaraan heeft deelgenomen.

VI Voorhanden hebben van het wapen, de patroonhouder en de munitie

Met betrekking tot het onder 9 ten laste gelegde heeft de verdediging aangevoerd dat de enkele omstandigheid dat er een wapen, patronen en een patroonhouder in de woning van verdachte zijn aangetroffen nog niet betekent dat verdachte wetenschap had of moet hebben gehad van de aanwezigheid van die voorwerpen.

Het hof overweegt dat, nu verdachte bewoner was van het pand waar de voorwerpen zijn aangetroffen, in de slaapkamer van verdachte patronen zijn aangetroffen van categorie III, op zolder in een tas het vuurwapen, patronen en een patroonhouder zijn aangetroffen en door [betrokkene 1] aan verbalisanten is meegedeeld dat verdachte hem had verteld dat hij vuurwapens had, wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het vuurwapen, de patronen en de patroonhouder voorhanden heeft gehad. Het hof merkt nog op dat het bewezen verklaarde ‘aantal patronen’ ziet op alle in de woning aangetroffen patronen, in totaal 126 stuks.

Het hof verwerpt het verweer.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 4, 5, 6 en 9 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 01 januari 2006 tot en met 31 augustus 2006 te Well, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen telkens opzettelijk heeft bereid en aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 3 juli 2007 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen telkens opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4.

hij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 3 juli 2007 te Well, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen telkens opzettelijk heeft bewerkt een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

5.

hij in de periode van 01 januari 2006 tot en met 30 juni 2006 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, bestaande uit [betrokkene 4] en [betrokkene 5] en anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het meermalen telkens opzettelijk bereiden van een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

6.

hij in de periode van 1 juli 2006 tot en met 3 juli 2007 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, bestaande uit [betrokkene 1], [betrokkene 4], [betrokkene 5] en [betrokkene 6] en anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet, namelijk het meermalen telkens opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en het meermalen telkens opzettelijk bereiden en bewerken en vervoeren van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

9.

hij op 18 september 2007 in de gemeente Asten voorhanden heeft gehad:

a. een vuurwapen van categorie III onder 1, te weten een pistool (merk Ruger);

b. munitie van categorie III, te weten een aantal patronen;

c. een onderdeel dat specifiek bestemd was voor een wapen van categorie II en van wezenlijke aard was, te weten een patroonhouder, welke was bestemd voor een machinepistool van Duitse makelij, zijnde een vuurwapen, geschikt om automatisch te vuren.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen en in hetgeen hiervoor is overwogen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder 1 is telkens voorzien bij artikel 2 onder B van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 10, vierde lid, van die wet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 2 is telkens voorzien bij artikel 2 onder A van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 10, vijfde lid, van die wet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 4 is telkens voorzien bij artikel 2 onder B van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 10, vierde lid, van die wet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 5 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 140, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 6 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 11a van de Opiumwet.

Het bewezen verklaarde onder 9 is telkens voorzien bij artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie en strafbaar gesteld bij artikel 55, respectievelijk derde lid onder a, derde lid onder a en eerste lid, van die wet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

De eerste rechter heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaren met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft zich achter de strafoplegging door de eerste rechter geschaard.

De verdediging heeft bepleit dat, mocht het hof tot veroordeling komen, maximaal een gevangenisstraf van 4 jaren met aftrek van voorarrest zal worden opgelegd.

Het hof overweegt als volgt:

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het op professionele wijze en in georganiseerd verband produceren van grote hoeveelheden amfetamine.

Ook heeft verdachte zich op professionele wijze en in georganiseerd verband beziggehouden met het terugwinnen van, uit Colombia ingevoerde, met plantendelen vermengde cocaïne. Het gaat daarbij blijkens het dossier om tientallen kilo’s cocaïne.

Dit is gebeurd louter met het oogmerk van persoonlijk gewin en zonder zich te bekommeren om de mogelijke nadelige gevolgen voor de gebruikers en de maatschappij.

Harddrugs als amfetamine en cocaïne leveren, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren op voor de gezondheid van die gebruikers. Het is voorts een feit van algemene bekendheid dat gebruikers hun verslaving vaak door middel van het plegen van strafbare feiten trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend.

Voorts heeft verdachte onder meer een vuurwapen en patronen voorhanden gehad.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor aanzienlijke duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Voor het bepalen van de hoogte van die straf heeft het hof mede gelet op de straffen die aan de medeverdachten van verdachte zijn opgelegd.

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaren en daartoe mede overwogen dat verdachte binnen de organisatie een leidende rol heeft vervuld. Het hof is evenwel van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende naar voren is gekomen dat verdachte binnen de organisatie een zodanige centrale rol heeft vervuld dat dit dient te leiden tot de oplegging van een gevangenisstraf voor de door de rechtbank bepaalde duur.

Daar staat tegenover dat verdachte, anders dan bijvoorbeeld [betrokkene 1], een faciliterende rol heeft gespeeld bij zowel de productie van amfetamine als bij de bewerking van cocaïne.

Het hof betrekt bij zijn oordeel voorts de mededeling van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat hij in de jaren negentig in Groot Brittannië reeds een gevangenisstraf heeft opgelegd gekregen wegens een drugsdelict en dat deze straf ten uitvoer is gelegd.

Daarnaast houdt het hof rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals die tijdens het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken.

Alles overziend acht het hof een gevangenisstraf van 6 jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Beslag

De hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu het voorwerpen zijn met betrekking tot welke de feiten zijn begaan terwijl deze van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet,

- 07-004377 60 22.00 STK Patroon (in houder);

- 07-004377 61 25.00 STK Patroon (in doos);

- 07-004377 64 1.00 STK Wapen RUGER (9 mm x 19);

- 07-004377 65 2.00 STK Patroonhouder (9 mm);

- 07-004377 66 25.00 STK Patroon (in doosje);

- 07-004377 67 29.00 STK Patroon (9 mm).

De hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu het voorhanden hebben van deze voorwerpen strafbaar is op grond van de artikelen 13 en 55 van de Wet Wapens en Munitie, terwijl deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet,

- 07-004377 57 1.00 STK Pijl met punt;

- 07-004377 58 1.00 DS Doos met pijlpunten;

- 07-004377 59 1.00 STK Wapen (op echt gelijkend wapen);

- 07-004377 63 1.00 STK Katapult;

Ten aanzien van twee sleutels, zoals hierna in het dictum te melden, zal de teruggave aan de verdachte worden gelast.

Ten aanzien van de na te melden inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen zal het hof geen beslissing nemen, aangezien er blijkens mededeling van de advocaat-generaal een beslag ex artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering is gelegd.

- 07-004377 45 1.00 STK Personenauto 16-ST-LT (Saab 9.3 Turbo AERO);

- 07-004377 48 Geld buitenlands (bath, dollars en ponden);

- 07-004377 49 Euro (8 bb van 50, 1 bb van 20 en 2 bb van 5 euro);

- 07-004377 50 Euro (uit beurs);

- 07-004377 51 Euro (uit beurs);

- 07-004377 52 Euro (20 bb van 50, 1 bb van 10 en 1 bb van 5 euro);

- 07-004377 53 Euro (1 bb van 20 en 47 bb van 5 euro);

- 07-004377 54 Euro (euro’s);

- 07-004377 55 1.00 STK horologe Cartier heren

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 2, 10 en 11a van de Opiumwet, de artikelen 36b, 36c, 47, 55, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 10 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1, 2, 4, 5, 6 en 9 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

1 Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

2 Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

4 Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

5 Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

6 Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10 van de Opiumwet

9 Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

- 07-004377 59 1.00 STK Wapen (op echt gelijkend wapen);

- 07-004377 57 1.00 STK Pijl met punt;

- 07-004377 58 1.00 DS Doos met pijlpunten;

- 07-004377 60 22.00 STK Patroon (in houder);

- 07-004377 61 25.00 STK Patroon (in doos);

- 07-004377 63 1.00 STK Katapult;

- 07-004377 64 1.00 STK Wapen RUGER (9 mm x 19);

- 07-004377 65 2.00 STK Patroonhouder (9 mm);

- 07-004377 66 25.00 STK Patroon (in doosje);

- 07-004377 67 29.00 STK Patroon (9 mm).

Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

- 20300193319 46 1.00 STK Sleutel (sleutel van loods, Havenweg 13 te Weert).

- 20300193319 47 1.00 STK Sleutel (kluissleutel).

Aldus gewezen door

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans, voorzitter,

mr. J.M.W.M. van den Elzen en mr. N.J.M. Ruyters,

in tegenwoordigheid van mr. R.J. Gras, griffier,

en op 12 augustus 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.