Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ9428

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-09-2009
Datum publicatie
07-10-2009
Zaaknummer
20-001369-09
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2009:BI0958, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 289 Sr: Veroordeling verdachte wegens moord op zijn ex-echtgenote tot 14 jaar gevangenisstraf. Voor het aannemen van voorbedachte raad is het voldoende als kan worden vastgesteld dat verdachte de tijd had zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat - objectief gezien - gelegenheid heeft bestaan om over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Het gaat dus niet om daadwerkelijk nadenken of rekenschap geven, maar om de tijd en gelegenheid daartoe. Dat tijdsverloop hoeft niet lang te zijn en mag zich ook ten dele afspelen tijdens de gewelddadige handelingen, zeker als die enige tijd in beslag nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-001369-09

Uitspraak: 30 september 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 10 april 2009 in de strafzaak met parketnummer 02/800375-08 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1954],

verblijvende in PI Zuid West - HvB De Torentijd te Middelburg,

waarbij verdachte ter zake van moord is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 11 jaar, met aftrek van overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal mr. H.C.J.M. de Goede en van hetgeen door of namens de verdachte door mr. M.R.J. Schönfeld, advocaat te Breda, naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen en te dien aanzien opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen aan verdachte impliciet primair ten laste is gelegd en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Door of namens verdachte zijn geen verweren gevoerd met betrekking tot de bevoegdheid van de rechter, de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of de geldigheid van de dagvaarding.

Door of namens verdachte is het navolgende bepleit:

- vrijspraak ten aanzien de impliciet primair ten laste gelegde moord;

- ten aanzien van de strafoplegging primair dat de maatregel van ter beschikking stelling met voorwaarden wordt gelast met daarnaast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaar en subsidiair dat een aanzienlijk lagere onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd dan de 11 jaar die de rechtbank heeft opgelegd, met daarbij een voorwaardelijk strafdeel gedurende welke tijd verdachte zich zal dienen te richten naar de instructies die hem ter behandeling worden gegeven.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 26 maart 2008 te [Plaats] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] meermalen, althans éénmaal, met een mes in de borst en/of de buik, althans in het lichaam van die [slachtoffer] gestoken en/of één of meermalen de keel van die [slachtoffer] doorgesneden, in elk geval in de hals van die [slachtoffer] gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Vaststaande feiten

Het hof stelt het navolgende vast.

Uit het dossier blijkt dat verdachte en het slachtoffer in 1977 zijn gehuwd en dat het huwelijk in 2006 door echtscheiding is ontbonden. Uit het huwelijk zijn vier kinderen geboren, van wie [Naam zoon] de jongste is. Uit het dossier blijkt tevens dat verdachte bang was dat het slachtoffer niet zou toestaan dat zijn zoon [Naam zoon] bij hem zou komen wonen. Op 24 maart 2008 ziet verdachte zijn ex-vrouw praten met haar advocaat, waardoor bij hem het vermoeden rijst dat zij de omgang met [Naam zoon] wilde frustreren. In de nacht voorafgaand aan de confrontatie met het slachtoffer heeft verdachte getracht brand te stichten bij de auto van de psychiater bij wie zijn ex-vrouw onder behandeling was (geweest) en die verdachte (mede) verantwoordelijk hield voor de scheiding.

Op 26 maart 2008, omstreeks 08:06:07 uur, is bij de politiemeldkamer van de politie Midden en West Brabant een melding binnengekomen van getuige [getuige 1] dat haar echtgenoot in de keldergarage van hun flat aan de [Naam straat] te [Plaats] had gezien dat daar een vrouw werd doodgestoken. Omstreeks 08:06:54 uur is via het algemeen noodnummer 112 bij de meldkamer te Driebergen een melding ontvangen, waarbij de meldster te kennen gaf, dat zij in een parkeergarage was, [Naam parkeergarage] in [Plaats], waarbij de meldster liet weten dat zij dood bloedde. Later bleek deze meldster het slachtoffer [slachtoffer] te betreffen. Via de openstaande lijn hoort de centralist van de bovengenoemde meldkamer, waarnaar de melding is doorverbonden, hoe het slachtoffer steeds moeilijker gaat praten en uiteindelijk geen geluid meer uitbrengt. Ook wordt gehoord dat de politie ter plaatse komt.

Naar aanleiding van voornoemde meldingen werden diverse politie-eenheden ter plaatse gedirigeerd. [Verbalisant 4] heeft het slachtoffer liggend op haar buik op de grond aangetroffen met een mobiele telefoon in haar linkerhand. Tevens heeft [Verbalisant 4] links van het slachtoffer een bebloed mes zien liggen. Omdat het slachtoffer op dat moment nog tekenen van leven gaf werd zij op haar rug gedraaid. [Verbalisant 4] zag dat de keel van het slachtoffer doorgesneden was en dat de kleding doordrenkt was met bloed.

Omstreeks 08:15 uur is het slachtoffer overleden. Op 26 maart 2008 is een lijkschouw verricht door G. van Dijk, gemeentelijk lijkschouwer. Deze heeft verklaard er niet van overtuigd te zijn dat de dood ten gevolge van een natuurlijke oorzaak is ingetreden.

Op 27 maart 2008 werd in het Nederlands Forensisch Instituut te ’s-Gravenhage, door dr. R. Visser, arts en patholoog, een gerechtelijk sectie verricht op het stoffelijk overschot van het slachtoffer [slachtoffer]. Bij deze sectie werd onder andere vastgesteld dat het slachtoffer 16 steek- en steeksnijletsels aan gelaat, hals, borst, beide armen en beide handen had bekomen. De belangrijkste hiervan waren een diepe gapende snijwond ter plaatse van de hals die was opgeleverd door tenminste drie snijbewegingen - waarbij talrijke kleine bloedvaatjes waren gekliefd alsmede de grote halsader - en meerdere oppervlakkige en diepe steekletsels ter plaatse van de romp en buik. De diepste hiervan reikten tot in het hartzakje. Voorts bleek uit de sectie op het lichaam dat het intreden van de dood verklaard wordt door bij sectie gebleken steek-, steek-/snij- en snijletsels, met onder meer doorsnijding van halsorganen, perforatie van het hart en de lever en massale bloeduitstorting (waaronder circa 200 cc bloed in het hartzakje met harttamponade als gevolg). De bevindingen bij de sectie wijzen erop dat de letsels bij leven zijn ontstaan. Er waren geen ziekelijke orgaanafwijkingen die het intreden van de dood zouden kunnen verklaren of hiervoor van betekenis geweest zouden kunnen zijn. De letsels zijn opgeleverd door steken en snijden met een langwerpig, stevig, scherprandig voorwerp, zoals bijvoorbeeld een mes.

Bewijsoverweging

A1.

Door de raadsman is bepleit dat de eerste afgelegde verklaring van verdachte bij de politie op 26 maart 2008 onbruikbaar is voor het bewijs en van de bewijsvoering moet worden uitgesloten, aangezien die verklaring is afgelegd voordat de verdachte in staat is gesteld een advocaat te raadplegen. De raadsman heeft daarbij verwezen naar het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens d.d. 27 november 2008 (zaak Salduz), waaruit voortvloeit dat een verdachte vanaf het moment dat hem zijn vrijheid is ontnomen en reeds voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie, recht heeft op bijstand door een advocaat en niet pas nadat hij in verzekering is gesteld.

A2.

Het hof is met de verdediging van oordeel dat is gehandeld in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, nu de verdachte voor zijn eerste verhoor geen mogelijkheid is geboden om een advocaat te raadplegen. Het hof stelt vast dat verdachte tijdens het verhoor van 26 maart 2008, dat om 14.00 uur aanving, van de verbalisanten te horen heeft gekregen dat op enig moment zijn advocaat was gearriveerd (dossierparagraaf 90, pagina 45). Dat was het eerste moment waarop voor de verdachte de gelegenheid bestond een advocaat te raadplegen. Gelet hierop zal het hof alle verhoren van verdachte op 26 maart 2008 uitsluiten van het bewijs.

B1.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal acht de impliciet primair ten laste gelegde moord wettig en overtuigend bewezen. Daarbij acht de advocaat-generaal van belang de verklaring van verdachte bij de eerste melding aan de deur van het politiebureau, de spontane mededeling van verdachte bij het begeleiden naar de cellengang en het eerste verhoor van verdachte bij de politie. Voorts zijn van belang de diverse getuigenverklaringen, de tijdlijn, het gegeven dat die nacht een poging is gedaan om de auto van de psychiater van het slachtoffer in brand te steken en het langdurig wachten in de parkeergarage met een mes op zak. Naar de mening van de advocaat-generaal heeft de verdachte diverse momenten gehad om op zijn voornemen om zijn ex-vrouw iets aan te doen, terug te keren en derhalve is de voorbedachte raad aanwezig.

Standpunt van de verdediging

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de impliciet primair ten laste gelegde moord. Daartoe is aangevoerd dat onvoldoende duidelijk uit het proces-verbaal is af te leiden dat sprake is geweest van kalm beraad en rustig overleg, zoals de rechtbank bewezen heeft geacht. De verdachte was totaal ontredderd en uit het veld geslagen door de opzet van zijn ex-vrouw om zijn zoon bij hem weg te houden. Hij was totaal in paniek over het verloop van de confrontatie. Deze emoties hebben bij verdachte een ogenblikkelijke gemoedsbeweging doen ontstaan waardoor voorbedachte raad niet bewezen zou moeten kunnen worden, aldus de raadsman.

B2.

Oordeel van het hof

Voor het aannemen van voorbedachte raad is het voldoende als kan worden vastgesteld dat verdachte de tijd had zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat - objectief gezien - gelegenheid heeft bestaan om over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Het gaat dus niet om daadwerkelijk nadenken of rekenschap geven, maar om de tijd en gelegenheid daartoe. Dat tijdsverloop hoeft niet lang te zijn en mag zich ook ten dele afspelen tijdens de gewelddadige handelingen, zeker als die enige tijd in beslag nemen.

Het hof overweegt dienaangaande dat tijdens het opsporingsonderzoek door verdachte enkele spontane uitlatingen zijn gedaan en verklaringen zijn afgelegd. Tevens is door verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg een verklaring afgelegd. Het hof acht de volgende bevindingen en verklaringen van belang.

1. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [Naam medewerker], medewerkster I&S van politie Midden en West Brabant, d.d. 26 maart 2008 , voor zover inhoudende als volgt:

Op 26 maart (het hof begrijpt: 2008) om 08:14:23 belt de apothekerstelefoon van team [Plaats] naar Tele-service. Ik, [Naam medewerker], neem op. De persoon aan de lijn zegt dat hij zichzelf aan komt geven. Ik vraag hem waarom. Hij zegt dat hij net iemand neergestoken heeft. (…) Hij antwoordt dat hij [verdachte] heet, geboren op

[1954] en wonende aan de [adres] te [woonplaats]. Op de vraag wat er precies gebeurd is zegt hij: “Ik heb mijn ex gewoon neergestoken.” (…) Op de vraag wat de reden daar achter is zegt hij: “Dat ze mij leeg gezogen heeft”.

2. Het proces-verbaal van aanhouding, opgemaakt door [verbalisant 1], inspecteur van politie Midden en West Brabant, d.d. 26 maart 2008 , voor zover inhoudende als volgt:

Op 26 maart 2008, omstreeks 08:00 uur, hoorde ik (het hof begrijpt: verbalisant [verbalisant 1] dat er een melding door de gemeenschappelijke meldkamer te Tilburg werd uitgegeven, dat er een vrouw dood aangetroffen was in een garage aan de [Naam straat][adres] te [Plaats]. Diezelfde dag, omstreeks 08:10 uur, kreeg ik een telefoontje van de dienstdoende officier van dienst dat de verdachte van genoemde zaak aan de voordeur van het politiebureau zou staan. Hierop ben ik naar de voordeur gegaan alwaar een manspersoon stond. Ik zag dat de handen en de jas van deze man helemaal onder het bloed zaten. Ik hoorde dat deze man zei: “Ik kom me melden”.

3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 1], inspecteur van politie Midden en West Brabant, d.d. 27 maart 2008 , voor zover inhoudende als volgt:

Nadat de verdachte was aangehouden heb ik (het hof begrijpt: verbalisant [verbalisant 1] hem onmiddellijk overgebracht naar de cellengang alwaar ik hem heb ingesloten in een van de cellen. (…) Ik heb hem medegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht was. Ik hoorde dat hij zei: “Het betreft mijn ex-vrouw. Ze bleef bezig. Dit was de enige uitweg die ik zag”.

4. Het proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 30 maart 2009 , voor zover inhoudende als de verklaring van verdachte:

“Ik ben rond 23.00 uur (het hof begrijpt: op 25 maart 2008) met mijn auto naar Rucphen gereden. Ik heb die avond besloten om de volgende dag naar mijn ex-vrouw te gaan om te praten over onze zoon [Naam zoon]. Ik had voorheen gezegd dat ik nog wel eens bij de psychiater langs wilde gaan bij wie mijn ex-vrouw onder behandeling was. Ik heb geprobeerd om het voorwiel van de auto van deze psychiater in brand te steken. Dit is niet gelukt. Ik ben naar [Plaats] gereden waar ik de rest van de nacht op een parkeerplaats heb doorgebracht. Nadat ik ’s ochtends wakker werd, ben ik omstreeks 7.30 uur naar de [Naam straat] gereden. Ik wist dat mijn ex-vrouw en [Naam zoon] die dag omstreeks 8.30 uur naar respectievelijk werk en school zouden gaan. Ik wilde mijn ex-vrouw voor die tijd spreken. Ik heb mijn auto (…) in de straat bij het politiebureau geparkeerd. Ik ben vervolgens naar de flat van mijn ex-vrouw gelopen. De deur van de garage ging open. Ik verwachtte niet dat mijn ex-vrouw mij zou binnen laten, als ik bij haar zou aanbellen. Ik hoopte daarom via de garage binnen te komen. Zoals gezegd ging de garagedeur open. Ik ben de garage binnengelopen en ik zag rechts de auto van mijn ex-vrouw staan en de fiets van [Naam zoon]. Terwijl ik in de garage was, kwamen er mensen in de garage. Ik heb me eerst tussen de auto’s verstopt. Ik heb me in de gang schuil gehouden toen er iemand naar beneden kwam. Ik bleef me in deze gang schuilhouden. Ik heb [Naam zoon] zien vertrekken. Ik heb er nog aan gedacht om [Naam zoon] aan te spreken, maar ik wilde hem niet laten schrikken. Op enig moment hierna zag ik mijn ex-vrouw aan komen lopen. Ik ben toen naar haar toegegaan. Ik had een mes bij me.”

5. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt door [verbalisant 2], hoofdagent van politie en [verbalisant 3], brigadier van politie Midden en West Brabant, d.d. 27 maart 2008, omstreeks 12.53 uur , voor zover inhoudende:

- dat verdachte op de vraag waarom hij een mes had meegenomen, antwoordt: “Om het eventueel kracht bij te zetten” (p. 80);

- dat verdachte op de vraag wat hij daarmee wilde bereiken, antwoordt: “Stil, dat ze stil zou zijn. (…) Ze schreeuwde als een varken, zo ging ze tekeer, en (…), ik weet eeh als een varken ook schreeuwt, dan kun je ’t ook stil krijgen” (p. 80);

- dat verdachte op de vraag hoe je dat dan doet bij een varken om hem stil te krijgen, antwoordt: “Ook de nek eeh doorsnijden” (p. 80);

- dat hij wist dat hij bij haar nek moest zijn om haar stil te krijgen (p. 81);

- dat hij heeft geprobeerd de keel van zijn ex-vrouw door te snijden om haar stil te krijgen (p. 83);

- dat hij daarna met zijn ex-vrouw nog behoorlijk aan het worstelen is geweest (p. 83);

- dat op een gegeven moment het mes uit zijn handen op de grond is gevallen (p. 83);

- dat hij het mes weer heeft teruggepakt (p. 83);

- dat hij zijn ex-vrouw daarna nog twee keer heeft gestoken (p. 83);

- dat hij ter hoogte van de maagstreek heeft gestoken (p. 83);

- dat hij op enig moment een man in de garage heeft gezien (p. 84);

- dat die man hem ook heeft gezien (p. 84).

6. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt door [verbalisant 2] en [Verbalisant 5], beide hoofdagent van politie Midden en West Brabant, d.d. 19 juni 2008, omstreeks 08:38 uur , voor zover inhoudende:

- dat zijn ex-vrouw een tas voor zich uit had toen zij naar haar auto liep, waarschijnlijk om haar autosleutels te zoeken (p. 117);

- dat hij naar zijn ex-vrouw toe is gelopen op het moment dat zij de deur van de auto had geopend en aanstalten maakte om in te stappen (p. 119);

- dat hij zijn ex-vrouw op een afstand van ongeveer twee meter was genaderd toen zij hem zag (p. 119);

- dat hij zag dat zijn ex-vrouw verbaasd keek en een beetje schrok (p. 120);

- dat hij op dat moment met zijn linkerhand de bovenkant van het portier van de auto vast had (p. 121);

- dat hij zijn ex-vrouw heeft aangesproken met de woorden: “Hallo, hier ben ik” (p. 122);

- dat hij zag dat haar gezicht vertrok (p. 122);

- dat hij zag dat haar mond hierop openging en dat haar ogen toe gingen (p. 122);

- dat zijn ex-vrouw vervolgens hard begon te gillen (p. 122);

- dat hij dacht dat het gillen een reactie was op haar angst (p. 123);

- dat er een afstand van één meter tussen beiden was (p. 126);

- dat zijn ex-vrouw op dat moment een stap achteruit deed in de richting van de achterzijde van de auto (p. 126);

- dat hij boos werd en gefrustreerd raakte omdat hij geen contact met haar kon krijgen (p. 127);

- dat hij hierop met zijn rechterhand het mes uit zijn jaszak heeft gepakt (p. 127-128);

- dat hij uit frustratie zijn ex-vrouw vervolgens met het mes onderhands in de buikstreek heeft gestoken (p. 129-131);

- dat zijn ex-vrouw direct na de steek heeft geprobeerd om het mes van verdachte af te pakken door hem bij de handen en armen te pakken (p. 138);

- dat er daarna een worstelpartij is ontstaan, waarbij zijn ex-vrouw zich in haar handen heeft gesneden (p. 138-139);

- dat hij ook bloed heeft gezien bij haar en dat hij voelde dat het mes door haar handen sneed (p. 139);

- dat zijn ex-vrouw bleef gillen en dat hij weer een stap in haar richting heeft gedaan (p. 140);

- dat hij hierop met het mes in zijn rechterhand heeft uitgehaald bij haar keel om haar stil te krijgen (p. 140);

- dat er wederom een worsteling heeft plaatsgevonden, waarbij zowel het mes als zijn ex-vrouw op de grond vielen (p. 144);

- dat het mes ongeveer twee meter van hem vandaan is gevallen (p. 147);

- dat zijn ex-vrouw op dat moment stil is geworden (p. 146);

- dat hij het mes heeft opgeraapt en op een knie naast haar is gaan zitten (p. 146);

- dat hij op ongeveer 5 tot 7 meter van hem vandaan een man heeft gezien op het moment dat hij het mes oppakte (p. 148-149);

- dat deze man waarschijnlijk alles gezien moet hebben (p. 149);

- dat zijn ex-vrouw een vermoeide indruk op hem maakte (p. 147);

- dat zijn ex-vrouw tegen hem heeft gezegd: “Het is goed, het is goed” (p. 149);

- dat hij zich heeft gerealiseerd dat het niet goed was (p. 150);

- dat hij vervolgens uit frustratie nogmaals het mes in de linkerschouder van zijn ex-vrouw heeft gestoken (p. 146);

- dat hij daarna het mes naast haar neer heeft gegooid, de afstandbediening van de deur heeft gepakt en de parkeergarage heeft verlaten (p. 149).

Voorts acht het hof van belang de verklaringen van de getuige [getuige 2] . [getuige 2] heeft verklaard dat hij op 26 maart 2008 omstreeks 08:00 uur naar de parkeergarage onder het appartementencomplex [Naam parkeergarage] te [Plaats] ging om met de auto naar een afspraak te gaan. Wanneer hij boven aan de ijzeren brandtrap, die naar de parkeergarage leidt, staat hoort hij een vreselijk gegil dat aan een stuk doorging en waarvan hij kippenvel kreeg. Onder aan de brandtrap hoort de getuige [getuige 2] nog steeds gegil. Op een afstand van ongeveer 25 meter ziet hij een vrouw liggen ter hoogte van de uitrit onder de hellingbaan. Bij de vrouw zit een man op zijn knieën. De getuige [getuige 2] denkt dat de vrouw onwel is geworden en dat de man haar aan het helpen is. Hij ziet dat de vrouw met haar benen spartelt. Hij loopt hierop in de richting van de man en de vrouw om te gaan helpen. Op een afstand van ongeveer 10 meter ziet hij dat de man zich deels opricht en naar de getuige [getuige 2] kijkt. De getuige ziet dan voor het eerst dat de man in zijn rechterhand een mes vast heeft. [getuige 2] roept tegen de man: “Wat doe je nu?”. De getuige [getuige 2] heeft letterlijk verklaard: “De man keek mij gedurende een zeer korte tijd, misschien een seconde, aan waarna ik zag dat hij zijn bovenlichaam en hoofd weer naar beneden boog. (…) Ik zag toen dat de man als een bezetene, heel driftig, op de andere persoon begon in te steken. Het kwam op mij over alsof hij zijn werk snel wilde afmaken. Ik zag dat hij veel kracht zette om de andere persoon te steken. Ik heb gezien dat de man minimaal vijf maal met alle kracht op het lichaam onder hem instak. Ik heb gezien (…) dat de man telkens instak op de romp van de persoon onder hem. (…) Het drong toen tot mij door dat die man doende was om een ander van het leven te beroven.” De getuige [getuige 2] gaat vervolgens terug naar zijn appartement en laat dan zijn vrouw 112 bellen, omdat hij zelf daartoe niet in staat was.

Het hof leidt uit de verklaringen van verdachte af dat verdachtes gedrag in de parkeergarage voorafgaand aan de confrontatie met zijn ex-vrouw kalm is geweest. Voorts stelt het hof vast dat verdachte die ochtend de parkeergarage is ingegaan om zijn ex-vrouw op te wachten. Op dat moment had verdachte een mes bij zich.

Tevens leidt het hof uit voorgaande verklaringen af dat er verschillende momenten zijn geweest waarop verdachte gelegenheid heeft gehad na te denken. Het hof doelt daarbij niet alleen op het moment tijdens het wachten in de parkeergarage voorafgaand aan de eerste steek in de buikstreek, maar tevens op het moment dat het mes door de worsteling op de grond was gevallen en het moment waarop de verdachte geconfronteerd werd met de getuige [getuige 2].

De verdachte heeft immers verklaard dat zijn ex-vrouw hard begon te gillen toen zij hem, verdachte, zag. Uit frustratie heeft verdachte zijn ex-vrouw vervolgens met het mes onderhands in de buikstreek gestoken.

Er is daarna een worsteling ontstaan, waarbij het slachtoffer zich in haar handen heeft gesneden. Het hof heeft geconstateerd dat verdachte zich hier ten volle van bewust is geweest, omdat hij heeft verklaard dat hij bloed heeft gezien bij haar en dat hij voelde dat hij door haar handen sneed. Een en ander wijst er op dat geen sprake was van iemand die zich niet heeft gerealiseerd waar hij mee bezig was, zoals de raadsman heeft gesteld. Daarbij overweegt het hof verder dat verdachte zijn ex-vrouw heeft willen stil krijgen net zoals een varken. Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat als een varken schreeuwde dat je het ook stil kon krijgen door de nek door te snijden. Om haar stil te krijgen heeft verdachte vervolgens met het mes in zijn rechterhand uitgehaald bij haar keel. Deze vergelijking impliceert dat verdachte zich heeft gerealiseerd dat hij zijn ex-vrouw kon stil krijgen door haar nek door te snijden en dat hij – door zulks daadwerkelijk te doen – ook uitvoering heeft gegeven aan zijn besluit haar stil te krijgen.

Hierna heeft wederom een worstelpartij plaatsgevonden waarbij het mes op de grond is gevallen. Het slachtoffer is daarbij ook gevallen. Verdachte heeft het mes dat ongeveer twee meter van hem vandaan lag opgepakt en is op zijn knie bij zijn ex-vrouw gaan zitten. Op dat moment neemt verdachte een getuige waar op korte afstand van hem vandaan en hij realiseert zich dat de man waarschijnlijk alles heeft gezien. Uit frustratie steekt verdachte het mes nogmaals in de linkerschouder van zijn ex-vrouw. Het hof gaat er op grond van hetgeen de getuige [getuige 2] heeft verklaard, evenwel van uit dat verdachte nadat hij zich van de aanwezigheid van de getuige [getuige 2] bewust was geworden, vervolgens minimaal vijf maal met alle kracht op de romp van het lichaam onder hem instak. Kort hierop heeft verdachte met de afstandbediening de garage geopend en de garage verlaten.

Het verweer van de raadsman dat door ontreddering en paniek over het verloop van de confrontatie bij verdachte de voorbedachte raad niet bewezen kan worden, dient naar het oordeel van het hof op grond van het vorenstaande te worden verworpen. Het hof overweegt daartoe verder dat de verdachte een duidelijke omschrijving heeft kunnen geven van de emoties van het slachtoffer op het moment dat zij werd geconfronteerd met de aanwezigheid van verdachte, hetgeen evenzeer een aanwijzing is dat er geen sprake is geweest van een verwarde toestand waarin geen gelegenheid was tot nadenken.

Onder voornoemde feiten en omstandigheden is het hof – anders dan de verdediging – van oordeel dat verdachte voldoende gelegenheid heeft gehad om zich te beraden op de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Derhalve acht het hof de ten laste gelegde moord wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen (genoemd in de voetnoten), in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 26 maart 2008 te [Plaats] opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] meermalen met een mes in de borst en de buik gestoken en meermalen in de hals van die [slachtoffer] gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Op 5 mei 2008 is door psycholoog drs. J.W.G.M. van Soest een rapport over verdachte uitgebracht, waarin onder meer wordt gesteld dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit lijdende was aan een persoonlijkheidsstoornis NAO met borderline en obsessief compulsieve trekken. De deskundige spreekt van een enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid als gevolg van het onvermogen te relativeren, het zeer achterdochtige denken en de persoonlijkheidsstoornis.

Op 18 juni 2008 heeft psychiater drs. W. Eland een rapport omtrent verdachte uitgebracht. De bevinding van de psychiater is dat sprake is van een persoonlijkheidsstoornis NAO en een chronische aanpassingsstoornis met depressieve kenmerken en incidenteel gedepersonaliseerd agressief gedrag onder langdurige psychische belasting. Deze stoornissen bestonden reeds ten tijde van het ten laste gelegde en waren van invloed op de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte. Om die reden zou de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moeten worden verklaard.

Professor dr. J.J.L. Derksen, klinisch en forensisch psycholoog, heeft op 16 maart 2009 een rapport uitgebracht, waarin hij stelt dat de diagnose persoonlijkheidsstoornis NAO met borderline en depressief compulsieve trekken onjuist is. Ter onderbouwing heeft prof. Derksen, voor zover hier van belang, het volgende aangegeven:

“Onderzochte wordt in termen van het classificatiesysteem DSM niet gekenmerkt door een persoonlijkheidsstoornis. Cruciaal kenmerk van een persoonlijkheidsstoornis is dat er een diepgaande ontregeling van aanpassing van de persoon aan werk, relaties etc. herkenbaar is vanaf de adolescentie. Onderzochte werkte onder meer 33 jaar lang bij dezelfde baas. Onderzochte kreeg relatieproblemen met zijn echtgenote, maar ging niet gekenmerkt door een jarenlang patroon van verstoorde relaties en ernstig impulsief gedrag zoals dat bij patiënten met een borderline persoonlijkheidsstoornis moet worden geconstateerd. Onderzochte ging en gaat niet gekenmerkt door problemen met betrekking tot zijn identiteit en zelfgevoel. Obsessief compulsieve trekken in de ernst zoals die bij een persoonlijkheidsstoornis passen, kan ik niet vaststellen. Hij spreekt wel gedetailleerd en langdradig maar niet zo ernstig verstoord en vooral inflexibel als noodzakelijk is voor een classificatie van een obsessief compulsieve persoonlijkheidsstoornis. Bij het stellen van de diagnose persoonlijkheidsstoornis geeft de geschiedenis de doorslag: de ontregeling moet op diverse levensterreinen bestaan en kent een geschiedenis vanaf de adolescentie.

Het bestaande psychiatrisch en psychologisch onderzoek is gedaan in de periode kort na het delict en de emotionele ontregeling die toen bij onderzochte bestond kon de indruk wekken van een persoonlijkheidsstoornis maar was wellicht toch vooral situatief.

In het psychiatrisch onderzoek wordt op As-I een aanpassingsstoornis geconstateerd. Deze heb ik momenteel bij onderzochte niet kunnen bevestigen. Onderzochte heeft op dit moment geen te classificeren stoornissen op As-I van de DSM.

(…)

Behandeling: bij onderzochte is geen symptoom of syndroomstoornis vastgesteld die behandeling behoeft. Psychologische, psychotherapeutische of psychiatrische behandeling vraagt lijdensdruk, in de regel komt die lijdensdruk door symptomen die op As-I van de DSM worden geclassificeerd. Deze heeft onderzochte niet. Vervolgens is behandeling vaak aan te raden, maar wordt door betreffende patiënten niet altijd zo gevoeld, bij een ernstige persoonlijkheidsstoornis te classificeren in termen van de DSM. Deze is bij onderzochte niet aanwezig. Een andere reden om behandeling te indiceren is een hoge kans op recidive. Zoals ook uit de voorgaande rapportages is gebleken – en dat is ook mijn visie – is de kans op recidive in dit geval zeer gering. (…)

Het bovenstaande betekent dat een behandelingscontext zoals die door een tbs met bevel tot verpleging wordt geboden gecontraïndiceerd is. Er is tevens geen evidente, te classificeren stoornis of gebrekkige ontwikkeling in causale relatie met het delict die dit legitimeert.”

Gelet op de overtuigende uitleg neemt het hof de conclusie van prof. Derksen dat geen sprake is van een persoonlijkheidsstoornis dan wel van een aanpassingsstoornis over en maakt deze conclusie tot de zijne.

Het hof verenigt zich echter niet met de opvatting van prof. Derksen dat verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd. Gelet op de inhoud van de rapportage van prof. Derksen, kan geen persoonlijkheidsstoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens worden vastgesteld. Derhalve is er naar het oordeel van het hof geen basis voor de opvatting dat verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar zou zijn. Op grond van het bovenstaande komt het hof tot het oordeel dat het bewezen verklaarde feit de verdachte volledig kan worden toegerekend.

Er zijn voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan moord.

De eerste rechter heeft de verdachte ter zake van dat feit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van dat feit zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman heeft primair bepleit dat de maatregel van ter beschikking stelling met voorwaarden wordt gelast en daarnaast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaar wordt opgelegd. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat een aanzienlijk lagere onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd dan de 11 jaar die de rechtbank heeft opgelegd, met daarbij een voorwaardelijk strafdeel gedurende welke tijd verdachte zich zal dienen te richten naar de instructies die hem ter behandeling worden gegeven.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft het hof het navolgende in aanmerking genomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Bij het bepalen van de duur van de straf heeft het hof acht geslagen op rechterlijke uitspraken met betrekking tot feiten, die met het onderhavige geval (grosso modo) vergelijkbaar zijn. Aan de hand daarvan heeft het hof een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar als uitgangspunt genomen. Aan dit uitgangspunt ligt ten grondslag dat sprake is van een zogeheten first offender. Het hof ziet in het feit dat verdachte een first offender is – anders dan de rechtbank – geen strafverlichtende omstandigheid. Blijkens de over verdachte uitgebrachte rapporten is er geen (aanmerkelijk) herhalingsgevaar. Het hof neemt dit standpunt over. Voor de strafoplegging betekent dit dat het hof zich niet zal laten leiden door speciale preventie als strafdoel.

Het hof neemt de navolgende strafverzwarende omstandigheden in aanmerking.

Verdachte heeft zijn ex-echtgenote in de parkeergarage onder haar woning met een groot aantal messteken in het bovenlichaam en met doorsnijden van haar keel op wrede wijze om het leven gebracht. Verdachte heeft haar na zijn daad hevig bloedend en in hulpeloze toestand in de parkeergarage achtergelaten, waarbij zij zich blijkens het telefoongesprek met de meldkamer bewust was van het feit dat zij lag dood te bloeden.

Moord wordt algemeen beschouwd als het ernstigste commune delict; verdachte heeft daarmee een onomkeerbaar verlies teweeg gebracht.

Door zijn handelen heeft verdachte groot en onherstelbaar leed toegebracht aan de familie, met name de vier kinderen van het slachtoffer, die zich geconfronteerd zagen met de gewelddadige dood van hun moeder. Blijkens de schriftelijke slachtofferverklaring beschouwen de vier kinderen zich na de gruwelijke daad van hun vader als wees.

Zowel het wrede karakter van verdachtes daad als de ontwrichtende gevolgen die verdachtes handelen teweeg hebben gebracht in het gezin, brengen het hof ertoe - met het oog op vergelding en generale preventie als strafdoelen - de straf te verhogen als hieronder aangegeven. Daaraan doet niet af dat verdachtes daad een achtergrond in de relationele sfeer heeft.

Op grond van deze omstandigheden is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaar op zijn plaats is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Moord.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr. K.J. van Dijk, voorzitter,

mr. J.J. van der Kaaden en mr. J. Buhrs-Platschorre,

in tegenwoordigheid van mr. M.C.H. van der Heijden, griffier,

en op 30 september 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J.J. van der Kaaden is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.