Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ9371

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-10-2009
Datum publicatie
06-10-2009
Zaaknummer
20-001319-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 2 Ow: zaak Chocolade (zie ook BJ9370 en BJ9372); veroordeling medeplegen poging tot drugssmokkel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 20-001319-08

Uitspraak : 6 oktober 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 21 maart 2008 in de strafzaak met parketnummer 02-811618-07 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1973],

thans verblijvende in [verblijfplaats]

bij welk vonnis verdachte is veroordeeld wegens – kort en zakelijk weergegeven – het medeplegen van een poging tot opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van drie jaar en zes maanden en waarbij de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk is verklaard in haar vordering.

1. Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

2. Omvang van het hoger beroep

Bij vonnis, waarvan beroep, is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] niet

toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep in eerste instantie - binnen de

grenzen van haar eerste vordering - opnieuw gevoegd ter zake van de niet toegewezen

vordering, doch de raadsvrouw van de benadeelde partij, mr. N. Assouiki, heeft ter terechtzitting

in hoger beroep d.d. 8 april 2009 de vordering ingetrokken, zodat deze vordering niet langer

aan het oordeel van het hof is onderworpen.

3. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, mr. M.A.M. de Vries en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. B.G.J. de Rooij, advocaat te Eindhoven, naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en te dien aanzien opnieuw rechtdoende bewezen zal verklaren hetgeen primair aan verdachte is ten laste gelegd en hem deswege zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

4. Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

5. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in de periode van 1 april 2006 tot en met 23 juli 2006 te [pleegplaats] en/of [pleegplaats] en/of [pleegplaats] en/of [pleegplaats] en/of [pleegplaats] en/of [pleegplaats] en/of elders in Nederland en/of te [pleegplaats] ([land 1]) en/of in de [land], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen ongeveer 20,22 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, daartoe tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen

- met een of meer van zijn/hun mededader(s) afspraken heeft/hebben gemaakt en/of die mededader(s) instructies heeft/hebben gegeven over de reis naar de [land] en/of

- een of meer van zijn/hun mededader(s) heeft/hebben ondergebracht in een hotel in [pleegplaats] en/of

- een of meer van zijn/hun mededader(s) vanaf een hotel in [pleegplaats] met een auto heeft/hebben vervoerd naar de luchthaven in [pleegplaats] ([land 1]) en/of

- met een of meer van zijn/hun mededader(s) afspraken heeft/hebben gemaakt en/of die mededader(s) instructies heeft/hebben gegeven waar naar toe te gaan in de [land] en/of met wie daar (telefonisch) contact op te nemen en/of

- een of meer van zijn/hun mededader(s) een of meer telefoonnummer(s) heeft/hebben gegeven van een of meer contactperso(o)n(en) in de [land] en/of

- vanaf de luchthaven [pleegplaats] naar de [land] is/zijn gereisd en/of

- voor een of meer van zijn/hun mededader(s) in de [land] een hotel heeft/hebben geboekt en/of betaald en/of

- met een of meer van zijn/hun mededader(s) afspraken heeft/hebben gemaakt en/of die mededader(s) instructies heeft/hebben gegeven over de terugreis naar Nederland en/of

- die cocaïne in een koffer heeft/hebben gestopt;

- die koffer (met cocaïne) heeft/hebben ingecheckt op de luchthaven te [pleegplaats] ([land]) met (tussen)bestemming [pleegplaats],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 juli 2006 te [pleegplaats] ([land]) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 20,22 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Het hof begrijpt de zinsnede in de tenlastelegging “vanaf de luchthaven [pleegplaats] naar de [land] is/zijn gereisd en/of” aldus dat de steller van de tenlastelegging heeft bedoeld “een of meer van zijn/hun mededader(s) vanaf de luchthaven [pleegplaats] naar de [land] is/zijn gereisd en/of”.

6. Vastgestelde feiten en omstandigheden ten aanzien van het ten laste gelegde

A1.

Op grond van het dossier alsmede het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

- Op 23 juli 2006 is [medepleger 1] op de luchthaven van [pleegplaats] in de [land] aangehouden. Bij het doorzoeken van haar kleding en bezittingen zijn in haar koffer negentien pakketten met poeder aangetroffen. Haar bestemming was [pleegplaats]. De pakketten met poeder hadden een gewicht van 20,22 kilogram en het poeder bleek na onderzoek cocaïne te zijn.

- [medepleger 1] heeft verklaard dat de medeverdachte [medeverdachte 1] - die door haar [naam] werd genoemd en waarover [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij wel eens de naam [naam] gebruikt - haar begin juli 2006 opbelde en vroeg of zij naar de [land] wilde gaan. Ze moest haar koffer pakken en op 4 juli 2006 tussen 21.00 en 21.30 uur klaar staan. Ze wordt op 4 juli 2006 tussen 21.30 en 22.00 uur bij het huis van haar opa in [pleegplaats] , alwaar zij toen verbleef, door [medeverdachte 1] opgehaald en naar [pleegplaats] gebracht. [medepleger 1] ontmoet daar een meisje van Chinese origine (het hof begrijpt medeverdachte [medepleger 2] ). Het meisje had het hotel geregeld en zou [medepleger 1] de volgende ochtend met twee jongens op komen halen. De volgende ochtend werd [medepleger 1] door het Chinese meisje en de twee jongens naar het vliegveld te [pleegplaats] gebracht. In [pleegplaats] kreeg [medepleger 1] een vliegticket, een telefoon en EUR 1.000,00 overhandigd. Ze kreeg twee telefoonnummers van personen die zij in de [land] moest bellen. Vervolgens is zij naar de [land] gereisd waar zij op 5 juli 2006 is aangekomen.

- Aldaar heeft [medepleger 1] gebeld met een van de telefoonnummers die ze in [pleegplaats] had ontvangen en kreeg toen ene [naam] aan de lijn. Deze vertelde haar met een taxi naar het hotel [naam hotel] te gaan en te vragen naar [naam].

In het hotel heeft zij gevraagd naar [naam] en deze bleek bij de receptie te werken. Desgevraagd door [medepleger 1] zei [naam] dat hij [naam] kende. [naam] heeft vervolgens telefonisch met [naam] gesproken en heeft hierop de telefoon aan [medepleger 1] gegeven. [naam] heeft toen tegen haar gezegd dat alles geregeld was, dat ze zich moest inchecken en dat hij later zou komen.

- In het hotel heeft [medepleger 1] vervolgens ene [naam] en [naam] ontmoet. Dit bleken verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 2] te zijn. Zij hebben ieder bevestigd dat zij samen in het hotel [naam hotel] op de [land] hebben verbleven en aldaar [medepleger 1] hebben gezien. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte nog verklaard dat hij wel eens met haar in het hotel heeft gesproken en met haar aan een tafel heeft gezeten.

- De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben verklaard dat zij hebben gezien dat [medepleger 1] in het hotel een aantal keren contact heeft gehad met twee mannelijke personen [naam] en [naam] genaamd. De getuigen hebben bij een fotoconfrontatie de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 2] herkend als de personen die zij kennen als [naam] en [naam].

- Ook [medepleger 1] heeft bij een fotoconfrontatie de verdachte en voornoemde medeverdachte aangewezen als de twee mannen die zij [naam] en [naam] noemde en van wie zij instructies kreeg tijdens haar verblijf in de [land]. Zo heeft [medeverdachte 2] [medepleger 1] vóór haar vertrek gezegd dat zij haar vorige vliegticket moest verbranden en dat zij bij het uitchecken de rekening op naam van [verdachte] moest zetten.

- [medepleger 1] is vervolgens samen met [medeverdachte 2] eerst in een taxi naar [pleegplaats] gegaan en daarna met de bus naar [pleegplaats], alwaar ze verdachte hebben getroffen. [medeverdachte 2] heeft tegen [medepleger 1] gezegd dat hij, [medeverdachte 2], haar koffer bij zich zou houden en dat zij daarvoor in de plaats een andere koffer zou krijgen. Haar eigen koffer zou [medeverdachte 2] haar toesturen als [medepleger 1] weer in Nederland zou zijn. Op aangeven van [medeverdachte 2] is [medepleger 1] met een andere, onbekend gebleven man, die toen bij verdachte was, naar [pleegplaats] gereden. Onderweg heeft de onbekende man aan [medepleger 1] twee vliegtickets gegeven, een met bestemming [pleegplaats] en de ander van [pleegplaats] naar [land 2]. Tegen [medepleger 1] is gezegd dat zij op de luchthaven de twee tickets moest inchecken zodat de koffer, wanneer [medepleger 1] in [pleegplaats] zou aankomen, meteen door zou gaan naar [land 2] terwijl [medepleger 1] in [pleegplaats] zou blijven. Vervolgens heeft hij haar afgezet bij een motel waar een koffer voor haar klaarstond. Met een taxi is [medepleger 1] alleen naar het vliegveld gegaan, alwaar ze vervolgens door de douane is aangehouden.

- [medepleger 1] is meegelopen naar het röntgenapparaat voor uitgaande bagage en zag daar de grijze koffer staan die zij eerder bij de vertrekbalie had afgegeven. Aan de koffer was een label bevestigd dat gelijk was aan het label dat bij de controle voor het vertrek werd aangebracht. Het bevatte dezelfde letters, te weten [letters]. Op verzoek heeft [medepleger 1] de koffer geopend met de code 000 en later op het politiebureau bleken in de koffer meerdere rechthoekige pakjes te zitten.

- De in [pleegplaats] aan [medepleger 1] gegeven telefoonnummers, welke volgens haar van [verdachte] en [medeverdachte 2] waren, zijn de nummers [telefoonnummer] en [telefoonnummer] . Blijkens de belhistorie van het nummer [telefoonnummer] is in de maanden juni en juli 2006 veelvuldig gebeld met de vier nummers (te weten: [telefoonnummer], [telefoonnummer], [telefoonnummer] en [telefoonnummer]) die achterop een visitekaartje stonden geschreven, welk kaartje bij verdachte op 5 augustus 2006 bij zijn fouillering is aangetroffen.

- Medeverdachte [medepleger 2] heeft verklaard dat [betrokkene] haar op 27 juni 2006 gevraagd heeft of zij kon regelen dat er een meisje “op transport kon”. Zij heeft vervolgens het telefoonnummer, eerder in gebruik bij verdachte gebeld maar kreeg een haar onbekende man aan de telefoon. Zij heeft deze man gevraagd of er een meisje op transport kon. Een paar dagen later kreeg ze van deze man te horen dat het kon. Met “op transport gaan” wordt bedoeld naar het buitenland gaan om cocaïne te halen. Vervolgens heeft zij van [betrokkene] de naam van [medepleger 1] doorgekregen.

- Op 4 juli 2006 is [medepleger 2] op verzoek van [betrokkene] naar het [naam plein] in [pleegplaats] gegaan om [medeverdachte 1] te ontmoeten. Zij heeft [medeverdachte 1] op het terras bij een horecagelegenheid op het [naam plein] ontmoet. [medepleger 1] was daar toen ook maar zij zat binnen in het etablissement. [medeverdachte 1] heeft haar gevraagd of zij vervoer kon regelen voor [medepleger 1] naar [pleegplaats]. Opnieuw heeft [medepleger 2] gebeld met het telefoonnummer van verdachte om het vervoer te regelen, waarbij zij die andere man aan de lijn kreeg en die haar mededeelde dat het vervoer zou worden geregeld.

- [medepleger 2] heeft vervolgens op verzoek van [medeverdachte 1] [medepleger 1] naar een hotel in [pleegplaats] gebracht en zij, [medepleger 2], heeft de hotelkamer betaald met geld dat ze van [medeverdachte 1] had gekregen. Ze had van verdachte € 100,00 gekregen.

- De volgende dag is zij met [medepleger 1] en twee onbekend gebleven jongens naar het vliegveld in [pleegplaats] gereisd. [medepleger 1] kreeg van één van die twee jongens een ticket, telefoon en zakgeld. [medepleger 2] verklaart verder dat zij, [medepleger 2], wist dat het om een transport van drugs zou gaan.

- Uit historische printgegevens van telefoonverkeer op 4 juli 2006 blijkt dat er die dag ‘s ochtends telefonisch contact is geweest tussen de telefoonnummers in gebruik bij respectievelijk [medeverdachte 1] en [medepleger 1] en dat ’s avonds een poging tot contact is gewaagd en dat op diezelfde dag ’s avonds tevens telefonisch contact is geweest tussen de telefoonnummers in gebruik bij respectievelijk [medeverdachte 1] en [medepleger 2].

- [medepleger 2] heeft met betrekking tot de verdachte verklaard dat zij hem al een paar jaar kent en dat hij eerder betrokken is geweest bij drugstransporten en dat daarbij volgens [verdachte] eigenlijk alleen blanke mensen ingezet kunnen worden om “te vliegen“.

- Verdachte is zelf op 5 augustus 2006 (dus na de ontmoeting met [medepleger 1] op de [land]) op Schiphol aangehouden, komende uit [land 3], met 10 kilo cocaïne in zijn koffer. Voor dit feit is hij veroordeeld. Bij een fotoconfrontatie heeft [medepleger 2] de verdachte herkend. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft zij nog verklaard dat zij het nummer van verdachte heeft gebeld en niet van iemand anders, omdat verdachte over de juiste contacten beschikte.

De getuige [getuige 3], een vroegere partner van de medeverdachte [medeverdachte 1], heeft verklaard dat zij “het één en ander weet” over [medepleger 1]. Zij heeft een foto van [medepleger 1] gezien op het fototoestel van [medeverdachte 1].

Zij verklaart dat hij haar vertelde dat hij een meisje naar de [land] zou sturen en dat zij wist dat dit voor drugs was. Zij had in de krant gelezen dat er een meisje uit [pleegplaats] opgepakt was in de [land] voor het smokkelen van drugs. Zij heeft tevens een uitzending van Hart van Nederland gezien, in welke uitzending over [medepleger 1] gesproken werd, en zag dat de uitzending ging over het meisje dat zij op het fototoestel van verdachte had zien staan. Verder verklaart [getuige 3] dat zij [medeverdachte 1] wel eens heeft horen bellen over “het feit dat ze ging vertrekken over hoe laat ze dan wegging”, over “hoe laat het vliegtuig dan wegging” en dat ze met “ze” [medepleger 1] bedoelde. Ze verklaart verder dat hij erg druk bezig was met bellen over de vertrektijd. [getuige 3] verklaart verder dat zij [medeverdachte 1] wel eens hoorde zeggen dat hij meisjes aan het werven was om drugs te smokkelen.

A2.

Van de zijde van de verdachte is aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. De raadsman voert hiertoe aan dat het dossier onvoldoende overtuigend bewijs bevat voor de betrokkenheid van verdachte en ruimte laat voor andere mogelijke scenario’s. Het bewijs bestaat enkel uit de verklaring van [medepleger 1], welke verklaring naar het oordeel van de verdediging niet betrouwbaar kan worden geacht en derhalve niet bruikbaar is voor het bewijs. Voorts stelt de verdediging zich op het standpunt dat de getuige [medepleger 2], die voor verdachte belastende verklaringen heeft afgelegd, een onbetrouwbare en leugenachtige getuige is.

Het hof overweegt hiertoe het volgende.

A3.

Het hof verwerpt het verweer met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaring van [medepleger 1] omtrent hetgeen zij verklaard heeft over haar reis naar de [land] en het verloop van haar vertrek vanuit Nederland en de personen die daar bij betrokken zijn. Haar verklaring wordt op essentiële onderdelen ondersteund door verklaringen van andere betrokkenen in het dossier. De verklaring van [medepleger 2] over het ophalen van [medepleger 1], het naar het hotel in [pleegplaats] brengen, de rit naar het vliegveld in [pleegplaats] met twee jongens en het overhandigen van het ticket, de telefoon en het geld door één van die jongens, komt overeen met hetgeen [medepleger 1] hierover verklaart.

Steun voor de belastende verklaring van [medepleger 1] en [medepleger 2] is voorts te vinden in de gegevens met betrekking tot het telefoonverkeer op 4 juli 2006 en de verklaring van [getuige 3] over het bellen door de medeverdachte [medeverdachte 1] op 4 juli 2006.

Voorts vindt de verklaring van [medepleger 1] over haar verblijf in het hotel [naam hotel] en de contacten met verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 2] op essentiële onderdelen steun in de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2], alsmede in de verklaring van de verdachte dat hij daar is geweest samen met [medeverdachte 2] en dat hij daar met [medepleger 1] contact heeft gehad.

A4.

De verklaringen van [medepleger 2] acht het hof tevens betrouwbaar nu zij in haar verklaringen steeds uitvoeriger is gaan verklaren zonder daarmee afbreuk te doen aan haar eerder afgelegde verklaringen. Zij is daarbij aanvullend maar consequent en consistent blijven verklaren, waarmee zij ook zichzelf ernstig heeft belast. Als verklaring hiervoor heeft ze ter terechtzitting in hoger beroep van 22 september 2009 aangegeven dat zij haar verantwoordelijkheid wil nemen en het hof acht haar in deze verklaring authentiek.

A5.

De betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde feit kan in het bijzonder uit de volgende feiten en omstandigheden worden gedestilleerd.

[medepleger 2] belt het telefoonnummer van verdachte als haar gevraagd wordt of zij kan regelen dat er een meisje op een drugstransport kan en als haar gevraagd wordt het vervoer naar [pleegplaats] te regelen. Zij stelt dat zij verdachte daarvoor belt omdat hij over de juiste contacten beschikt. Dat zij daarbij verdachte niet zelf spreekt maar een ander persoon, die vervolgens het groene licht voor het transport geeft en het vervoer naar [pleegplaats] regelt, maakt het voor haar niet anders.

Als [medepleger 1] in de [land] is aangekomen en één van de in [pleegplaats] verkregen telefoonnummers belt, krijgt zij ene [verdachte] aan de lijn die haar doorstuurt naar een specifiek hotel in [pleegplaats], in welk hotel [medepleger 1] vervolgens ene [verdachte], zijnde verdachte, en de medeverdachte [medeverdachte 2] ontmoet.

Blijkens een bij hem aangetroffen visitekaartje beschikt verdachte over vier handgeschreven telefoonnummers, welke nummers veelvuldig zijn gebeld door één van de twee door [medepleger 1] in [pleegplaats] verkregen telefoonnummers, welke volgens haar van [verdachte] en [medeverdachte 2] uit het hotel zouden zijn.

A6.

Op grond van al deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof het geenszins aannemelijk dat het contact tussen [medepleger 1] en verdachte op toevalligheid berust en dat verdachte op geen enkele wijze is betrokken bij de mislukte drugssmokkel vanuit de [land], zoals de verdediging doet voorkomen.

A7.

Een drugstransport als het onderhavige is een keten van handelingen en gebeurtenissen waarbij diverse personen zijn betrokken die er voor zorgen dat de drugs van het ene land naar het andere land kunnen worden gesmokkeld. Ieder heeft – in een bewuste en nauwe samenwerking - zijn rol in het geheel.

Uit het vorenstaande onder A1, A3, A4, A5 en A6 blijkt naar het oordeel van het hof dat verdachtes rol zeker geen ondergeschikte rol is geweest doch een substantiële aan zowel het begin van de keten als aan het eind op de [land]. Verdachte is immers (indirect) een contactpersoon gebleken voor het regelen van drugstransporten, maar is tevens als contactpersoon en begeleider voor de drugskoerier in de [land] opgetreden. Het vorenstaande maakt naar het oordeel van het hof dat verdachte welbewust een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geheel van feiten en gedragingen. Er is derhalve een bewuste en nauwe samenwerking geweest tussen verdachte en zijn medeverdachten. Ten laste van verdachte kan derhalve het primair ten laste gelegde bewezen worden verklaard.

A8.

Op grond van vorengenoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, is het hof van oordeel dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden als hierna weergegeven.

7. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 april 2006 tot en met 23 juli 2006 in Nederland en te [pleegplaats] ([land 1]) en in de [land], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen ongeveer 20,22 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, daartoe tezamen en in vereniging met anderen

- afspraken heeft gemaakt en die mededaders instructies hebben gegeven over de reis naar de [land] en

- hun mededader hebben ondergebracht in een hotel in [pleegplaats] en

- hun mededader vanaf een hotel in [pleegplaats] met een auto hebben vervoerd naar de luchthaven in [pleegplaats] ([land 1]) en

- met hun mededader afspraken hebben gemaakt en die mededader instructies hebben gegeven waar naar toe te gaan in de [land] en met wie daar (telefonisch) contact op te nemen en

- hun mededader telefoonnummers hebben gegeven van een of meer contactpersonen in de [land] en

- hun mededader vanaf de luchthaven [pleegplaats] naar de [land] is gereisd en

- voor hun mededader in de [land] een hotel hebben geboekt en betaald en

- met hun mededader afspraken hebben gemaakt en die mededader instructies hebben gegeven over de terugreis naar Nederland en

- die cocaïne in een koffer hebben gestopt en

- die koffer (met cocaïne) hebben ingecheckt op de luchthaven te [pleegplaats] ([land]) met (tussen)bestemming [pleegplaats],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

8. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 2, aanhef en onder A van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 10, vierde lid en (na 1 juli 2006) bij artikel 10, vijfde lid van de Opiumwet, juncto artikel 45, eerste lid en 47, eerste lid, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

9. Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

10. Op te leggen straf

B1.

Het hof komt tot een veroordeling ter zake van het medeplegen van een poging tot het invoeren binnen het grondgebied van Nederland van ongeveer 20 kilogram cocaïne.

De eerste rechter heeft verdachte ter zake daarvan veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren en zes maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte voor het primair ten laste gelegde feit zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden.

Namens de verdachte is gelet op de bepleite vrijspraak geen specifiek verweer met betrekking tot de op te leggen straf aangevoerd.

B2.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Daarbij houdt het hof rekening met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat hard drugs als de onderhavige, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren, terwijl die gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend;

- de omstandigheid dat het in casu om internationale handel in drugs gaat waarbij veel geld is gemoeid en

- de omstandigheid dat verdachte en zijn medeverdachten een jong meisje hebben ingezet als drugskoerier en zich om haar lot niet hebben bekommerd.

Het hof zoekt voorts voor de op te leggen straf aansluiting bij de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden, en waarin voor overtreding van artikel 2, onder A van de Opiumwet bij een hoeveelheid van 20,22 kilogram cocaïne een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden als passend wordt beschouwd. Het hof acht dit een juist uitgangspunt met dien verstande dat gelet op het feit dat sprake is van een poging als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 32 maanden dient te gelden.

B3.

Het hof betrekt bij zijn oordeel ten slotte de omstandigheid dat verdachte zowel aan het begin van de keten als aan het einde van de keten indirecte dan wel directe betrokkenheid heeft gehad bij de mislukte drugssmokkel en dat zijn rol derhalve substantieel is geweest, alsmede de omstandigheid dat verdachte reeds eerder, te weten in 2003, terzake een overtreding van de Opiumwet is veroordeeld.

Gelet op het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht houdt het hof in strafmatigende zin rekening met het vonnis van de rechtbank Haarlem, waarbij verdachte op

28 november 2006 is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden terzake een drugstransport van meerdere kilo’s harddrugs, welk vonnis inmiddels onherroepelijk is.

B4.

Op grond van het vorenstaande komt het hof tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf voor de hierna te vermelden duur.

12. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 45, 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het primair bewezen verklaarde oplevert:

Medeplegen van poging tot opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. E.S.G.N.A.I. van de Griend en mr. J. Buhrs,

in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier,

en op 6 oktober 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.