Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ8326

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-09-2009
Datum publicatie
23-09-2009
Zaaknummer
HV 200.038.451
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een door de kinderrechter verstrekte machtiging uithuisplaatsing mag niet voor een ander doel worden gebruikt, dan waarvoor de machtiging is afgegeven. Indien dit toch gebeurt dan heeft dit vernietiging van de machtiging (met terugwerkende kracht) tot gevolg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2010, 6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 september 2009

Sector civiel recht

Zaaknummer: HV 200.038.451/01

Zaaknummer eerste aanleg: 204830 JE RK 09-1057

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

en

[Y.],

beiden wonende te [woonplaats], gemeente [gemeentenaam],

appellanten,

hierna te noemen: de vader respectievelijk de moeder, dan wel de ouders,

advocaat: mr. E.M.A. Leijser,

t e g e n

de stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [plaatsnaam],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de stichting.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda van 7 juli 2009.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 juli 2009, hebben de vader en de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en alsnog het inleidend verzoek van de stichting af te wijzen.

2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 12 augustus 2009, heeft de stichting verzocht het verzoek in hoger beroep van de ouders af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.1. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2009. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader en de moeder, bijgestaan door mevrouw mr. E.M.A. Leijser;

- de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw J. van den Oetelaar en mevrouw

B. van Sassen.

2.3.2. De Raad voor de Kinderbescherming is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.3.3. Het hof heeft de minderjarige [A.] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

3. De beoordeling

3.1. Uit het huwelijk tussen de vader en de moeder is [A.] (hierna: [A.]) op [geboortejaar] te [geboorteplaats] geboren.

3.2. Bij beschikking d.d. 8 april 2009 heeft de rechtbank Breda [A.] tot uiterlijk 1 april 2010 onder toezicht van de stichting gesteld. Bij de bestreden beschikking is een machtiging verleend aan de stichting om [A.] met ingang van 7 juli 2009 tot uiterlijk 7 oktober 2009 uit huis te plaatsen in een verblijf accommodatie van een zorgaanbieder 24-uurs.

3.3. De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking bij het verstekken van de machtiging uithuisplaatsing aan de stichting het volgende overwogen: “Het is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige noodzakelijk deze gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen. De kinderrechter neemt daarbij in aanmerking dat de situatie thuis zeer zorgelijk was, daargelaten of er alcohol in het spel was. Met name de rol die [A.] op zich heeft genomen tijdens een in de rapportage vermeld incident bevestigt het beeld van parentificatie. Het is op dit moment belangrijk dat afstand wordt gecreëerd tussen [A.] en de thuissituatie. Enerzijds wordt daardoor rust gebracht in de thuissituatie, anderzijds kan daardoor zicht komen op de opvoedingsituatie en eventuele problemen en behoeften van [A.]. De kinderrechter acht voldoende gronden aanwezig voor een uithuisplaatsing. Daarom zal het verzoek worden toegewezen, met dien verstande evenwel dat de machtiging in duur zal worden beperkt tot een periode van drie maanden. Die periode moet voldoende zijn om meer zicht te krijgen op de thuissituatie en om te bepalen welke vorm van hulpverlening op zijn plaats is”.

3.4. De ouders kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5. De ouders stellen in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende. De gronden voor het verstrekken van een machtiging uithuisplaatsing aan de stichting ontbreken. Op 3 juni 2009 heeft een incident plaatsgevonden in de thuissituatie. Daarna werd de situatie rustiger, waardoor op 10 juni 2009 er geen grond meer aanwezig was voor het indienen van een verzoek crisismachtiging uithuisplaatsing. De ouders stellen dat de stichting de aan haar verleende machtiging uithuisplaatsing gebruikt om een “stok achter de deur” te hebben zodat de vader, de moeder en [A.] hulpverlening accepteren. Het gezin hoefde echter niet gedwongen te worden tot het accepteren van hulpverlening, omdat het gezin al een geruime tijd werd geobserveerd door de hulpverleningsinstantie Het Werkt en van hen hulp ontving op financieel en ambulant gebied. Wel waren er zorgen waardoor [A.] bij beschikking d.d. 8 april 2009 onder toezicht werd gesteld. De hulpverlening door de stichting kwam echter niet van de grond, het eerste plan van aanpak van de stichting dateert van 14 juli 2009. De stichting heeft niet in het belang van [A.] gehandeld door wisselende berichtgeving richting de ouders en [A.]. [A.] heeft meerdere malen te horen gekregen dat hij uit huis zou worden geplaatst, hetgeen later weer werd teruggenomen. [A.] en zijn ouders ervaren door deze “voorwaardelijke” machtiging veel spanningen. De insteek van de stichting was om voor het geval zich een nieuwe crisissituatie zou aandienen de mogelijkheid van een time-out voor [A.] voor de duur van 14 dagen te creëren, middels een machtiging uithuisplaatsing voor de duur van drie maanden. Tot slot heeft de stichting geadviseerd dat het misschien beter was dat [A.] en zijn moeder samen verder gingen zonder de vader. De moeder heeft dit door de aanwezige machtiging uithuisplaatsing ervaren als verplichte keuze tussen haar man en haar zoon. De stichting heeft vooralsnog geen gebruik gemaakt van de aan haar verleende machtiging. Door een machtiging uithuisplaatsing op een dergelijke wijze te verkrijgen en te gebruiken is er sprake van misbruik door de stichting, aldus de ouders.

3.6. De stichting stelt in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting – kort samengevat – dat de bestreden beschikking op de juiste gronden is afgegeven, handhaaft haar stellingen zoals aangevoerd in haar verzoekschrift in eerste aanleg en voegt hieraan het volgende toe. De stichting heeft in het verleden zorgelijke berichten over de thuissituatie van [A.] ontvangen van de hulpverleningsinstantie Het Werkt. Uit informatie van de raad volgt dat er sprake is van een dwingende, manipulatieve vader en een instabiele moeder die op laag niveau functioneert en weinig in het gezin in te brengen heeft. Hulpverlening is in het verleden niet van de grond gekomen.

De thuissituatie van [A.] is inmiddels rustiger geworden. Ter zitting heeft de stichting erkend dat er op dit moment geen reden is om [A.] uit huis te plaatsen. Voorts heeft de stichting ter zitting toegegeven dat zij na het afgeven van de machtiging uithuisplaatsing door de kinderrechter, geen signalen heeft ontvangen van Het Werkt die aanleiding gaven om de verleende machtiging ten uitvoer te leggen. De stichting wil het gezin nog een nieuwe kans geven maar omdat de thuissituatie zeer kwetsbaar en onvoorspelbaar is, heeft de afgegeven machtiging uithuisplaatsing voor de stichting nog een meerwaarde. Het biedt de stichting de mogelijkheid direct in te grijpen, indien de omstandigheden zodanig wijzigen dat een time-out van 14 dagen voor de ouders en voor [A.] noodzakelijk is. Een dergelijke time-out zal altijd geschieden in overleg met de ouders. De stichting ontkent de verstrekte machtiging als dwangmiddel te gebruiken. Wel is gebleken dat de aanwezige machtiging het gezin motiveert tot het accepteren van hulp.

3.7. Het hof overweegt het volgende.

3.7.1. Op grond van artikel 1:261 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige uit huis plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Het hof is van oordeel dat hier geen sprake van is.

3.7.2. Uit de overwegingen van de kinderrechter volgt dat de machtiging uithuisplaatsing door de kinderrechter is afgegeven voor een specifiek doel. Ter zitting is vast komen te staan dat de stichting voornoemde machtiging echter niet overeenkomstig dit doel gebruikt. Op dit moment bestaat er geen aanleiding om [A.] uit huis te plaatsen. Dit wordt door de stichting zelf bevestigd. Daarnaast is in hoger beroep niet, althans onvoldoende, vast komen te staan dat er ten tijde van de mondelinge behandeling in eerste aanleg bij de kinderrechter, sprake was van een crisissituatie die de aanvraag van een dergelijke machtiging uithuisplaatsing rechtvaardigde. Voorts blijkt noch uit het verzoekschrift crisismachtiging uithuisplaatsing en het indicatiebesluit van de stichting, noch uit de bestreden beschikking, dat de machtiging bedoeld was voor het bieden van een time-out voor de ouders en [A.] voor de duur van 14 dagen. In voornoemde stukken gaat het immers steeds om een machtiging uithuisplaatsing voor de duur van drie maanden, met onder meer observatie en het in kaart brengen van hulpverleningsmogelijkheden als doel. Het hof overweegt daarom dat de machtiging uithuisplaatsing op oneigenlijke gronden door de stichting is verzocht en verkregen. Tevens is vast komen te staan dat de machtiging door de stichting wordt gebruikt om druk uit te oefenen. Immers in het plan van aanpak van de stichting is aan de moeder voorgesteld om weg te gaan bij de vader en alleen met haar zoon een nieuw leven op te bouwen. Het hof begrijpt dat de moeder zich onder druk gezet voelde te kiezen tussen haar man of haar zoon, nu er een machtiging uithuisplaatsing was die ieder moment door de stichting ten uitvoer kon worden gelegd. Het kan niet de bedoeling zijn van een machtiging uithuisplaatsing om op dergelijke wijze druk uit te oefenen.

3.7.3. Het hof oordeelt dan ook dat er geen gronden aanwezig zijn voor de machtiging uithuisplaatsing zoals afgegeven door de kinderrechter.

3.8. Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd.

4. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Breda van 7 juli 2009;

en opnieuw rechtdoende:

wijst het inleidend verzoek van de stichting alsnog af;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Breda.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Teeffelen, Draijer-Udo en Philips en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2009.