Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ7280

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-08-2009
Datum publicatie
23-09-2009
Zaaknummer
HD 200.007.123
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verkrijging van strook grond door extinctieve verjaring in de zin van art. 3:105 BW. Het gaat erom of de gemeente, nadat zij in 1983 het bezit van de strook grond had verloren doordat een ander die grond in bezit genomen had, tijdig actie heeft ondernomen op de grond opnieuw in haar bezit te krijgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. AS

Zaaknr. HD 200.007.123

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

vierde kamer, van 4 augustus 2009,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [plaats], gemeente [gemeente],

appellant bij exploot van dagvaarding

van 27 mei 2008,

advocaat: mr. drs. H.J.M. Goossens,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE NUENEN, GERWEN EN NEDERWETTEN,

zetelend te Nuenen, gemeente Nuenen,

Gerwen en Nederwetten,

geïntimeerde bij gemeld exploot,

advocaat: mr. A.A. van den Brand,

op het hoger beroep van het door de rechtbank 's-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Eindhoven gewezen vonnis van 28 februari 2008 tussen appellant - [appellant] - als eiser in concventie, verweerder in reconventie en geïntimeerde - de gemeente - als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 509205, rolnr. 07/4206)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 22 november 2007.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij de dagvaarding in hoger beroep heeft [appellant] één productie gevoegd, twee grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis in conventie en in reconventie en, kort gezegd, tot alsnog toewijzing van de vordering in conventie en afwijzing van de vordering in reconventie, met veroordeling van de gemeente in de proceskosten in beide instanties, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft de gemeente zeven producties overgelegd, de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis voor zover in conventie gewezen en tot herstel van een kennelijke fout in het vonnis voor zover in reconventie gewezen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

2.3. Op 4 juni 2009 hebben partijen hun zaak doen bepleiten door hun advocaten, ieder aan de hand van een pleitnota. Door [appellant] zijn daarbij zes producties overgelegd.

2.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Met de grieven en de toelichting daarop is het geschil in volle omvang aan het hof voorgelegd. Voor de tekst van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. De kantonrechter heeft in het vonnis vastgesteld welke feiten tussen partijen vaststaan. Daartegen is geen grief gericht, zodat deze feiten ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.

4.2. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a. [appellant] heeft in 2000 van [persoon 1] een perceel met opstallen gekocht en geleverd gekregen, gelegen aan het [adres 1] te Nuenen, gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten. Het perceel ligt op de hoek van het [adres 1] en de [adres 2].

b. [persoon 1] heeft in 1983 aan de linkerzijde van de woning, aan de zijde van de [adres 2], een garage gebouwd. Omdat het bouwplan groter was dan het te bebouwen stuk van zijn perceel heeft hij een strook grond van de gemeente gekocht.

c. Van de voorzijde van het perceel bezien ligt links van die aangekochte strook grond een strook grond van ongeveer 40 cm breed over de gehele lengte van het perceel [adres 1], door partijen aangeduid als de gele strook grond. Links naast de gele strook grond, van de voorkant van het perceel tot het begin van de garage, bevindt zich een strook grond van eveneens ongeveer 40 cm breed, door partijen aangeduid als de groene strook grond. De grond langs de [adres 2] naast deze groene en gele strook grond is door de gemeente ingericht als groenstrook.

d. In 1983 heeft [persoon 1] een erfafscheiding geplaatst waarbij hij de groene en de gele strook grond bij zijn tuin heeft getrokken. Hij heeft de aldus omheinde grond, inclusief de gele en de groene stook, ingericht als tuin en oprit.

e. In 2001 heeft [appellant] het door [persoon 1] destijds op de grens van de groene strook grond en de groenstrook van de gemeente geplaatste hekwerk verwijderd en vervangen door een lage taxushaag.

f. Op de grens tussen de groene strook grond en de groenstrook van de gemeente staat een els die door de gemeente in 1970 is geplant. Het door [persoon 1] geplaatste hek sloot aan weerzijden aan op de stam van de boom. Datzelfde is het geval met de naderhand door [appellant] geplante taxushaag.

g. In een brief van 23 januari 2004 schreef [appellant] aan de gemeente:

"(...)

Grenzend aan de hoek van mijn perceel (...), gelegen op het kruispunt [adres 1] en [adres 2], staat op gemeentegrond een fraaie, maar tamelijk grote boom. De stam van deze (gemeente-)boom staat ongeveer 0,5 meter naast mijn perceel en oprit.

(...)"

[appellant] verzocht in deze brief de gemeente de boom te snoeien.

h. De gemeente schreef in reactie daarop per brief van

13 mei 2004 aan [appellant] dat was geconstateerd dat [appellant] zijn oprit en tuin heeft uitgebreid op gemeentegrond. De gemeente verzocht [appellant] het in gebruik genomen stuk gemeentegrond te ontruimen en terug te gaan binnen de erfgrens van zijn perceel.

i. Tussen partijen is vervolgens een correspondentie gevoerd, waarbij [appellant] zich erop beriep dat hij door verjaring eigenaar van de grond was geworden. Bij brieven van 10 oktober 2006 en 17 oktober 2006 heeft de gemeente aan de advocaat van [appellant] geschreven dat zij akkoord ging met verjaring voor wat betreft de gele strook grond, maar niet voor wat betreft de groene strook. De gemeente lichtte dit aldus toe: zij achtte het aannemelijk dat de familie [persoon 1] destijds de gele strook grond nodig had om achterom te kunnen gaan, maar voor de groene stook gold dat niet.

j. Bij dagvaarding van 4 juni 2007 vorderde [appellant] - kort gezegd - een verklaring voor recht dat de groen gearceerde strook grond krachtens verkrijgende verjaring in eigendom is gaan behoren aan [appellant] en veroordeling van de gemeente om medewerking te verlenen aan het doorvoeren van zodanige kadastrale aanpassingen en aanpassingen van de openbare registers dat daaruit kan worden afgeleid dat [appellant] inmiddels eigenaar is van de bedoelde groen gearceerde strook grond, op straffe van een dwangsom.

k. De gemeente vorderde in reconventie - kort gezegd - [appellant] te veroordelen tot ontruiming van het perceel kadastraal bekend gemeente Nuenen c.a. sectie F 2506, op verbeurte van een dwangsom.

l. Nadat de kantonrechter een comparitie had gehouden op de locatie [adres 1] te Nuenen, gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten heeft hij de vorderingen van [appellant] in conventie afgewezen en de vordering van de gemeente in reconventie toegewezen. De kantonrechter overwoog dat moet worden aangenomen dat de rechtsvoorganger van [appellant] de groene strook grond niet te goeder trouw in gebruik heeft genomen. Daarom moet worden uitgegaan van een termijn voor verkrijgende verjaring van 20 jaar. Deze termijn zou, nu de inbezitneming van de groene strook grond plaatsvond in 1983, in 2003 zijn verstreken, wanneer [appellant] het bezit op dezelfde wijze zou hebben voorgezet als zijn rechtsvoorganger. De kantonrechter oordeelde dat dat niet het geval was, gelet op de brief van [appellant] van 23 januari 2004, waarin [appellant] te kennen gaf dat de boom ongeveer een halve meter naast zijn perceel en oprit staat. Deze afstand is ongeveer de breedte van de groene strook. [appellant] heeft de groene strook grond dus kennelijk niet in bezit genomen en zich als eigenaar daarvan gedragen. Toen het debat tussen partijen over de groene strook grond in het jaar 2004 ontstond, was de termijn van 20 jaar nog niet ten gunste van [appellant] verstreken, aldus de kantonrechter.

4.3. Partijen zijn het erover eens dat [persoon 1] in 1983 zowel de gele als de groene strook grond in bezit heeft genomen. Op grond van art. 3:105 BW verkrijgt de bezitter van een goed de eigendom daarvan op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkend tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw. Die termijn van verjaring bedraagt in dit geval 20 jaar (art. 3:306 BW). In 2004, toen het debat over verjaring tussen partijen ontstond, was sedert 1983 meer dan 20 jaar verstreken. Of al dan niet sprake is geweest van goede trouw kan dus buiten beschouwing blijven. Grief 2 behoeft daarom geen bespreking.

4.4. De gemeente heeft in de memorie van antwoord sub 13 gesteld dat zij puur uit coulance en uit praktische overwegingen, omdat [persoon 1] de gele strook grond nodig had om achterom te kunnen komen, bereid is om mee te werken aan overschrijving van de gele strook grond. Die medewerking betekent volgens de gemeente niet dat de gemeente het beroep op verjaring van [appellant] erkent. Deze stelling van de gemeente is echter in tegenspraak met haar brieven van 10 en 17 oktober 2006, 4.2. sub i, en met haar conclusie van antwoord/eis in reconventie derde alinea, waarin de gemeente de verjaring van de gele strook grond erkent, zodat het hof aan die stelling van de gemeente voorbijgaat. Dat [appellant] krachtens verjaring eigenaar is geworden van de gele strook grond staat dus tussen partijen vast.

4.5. De gemeente heeft de verjaring van de groene strook grond niet willen erkennen, omdat [persoon 1] die strook volgens haar niet nodig had om achterom op zijn perceel te komen. De reden of noodzaak voor inbezitneming speelt echter geen rol bij verjaring. Dit verweer van de gemeente snijdt dus geen hout.

4.6. De gemeente heeft voorts gesteld, dat [appellant] het bezit van de groene strook grond niet heeft voortgezet na aankoop van het perceel. Allereerst wijst de gemeente erop dat [appellant] niet te goeder trouw was, omdat hij zou hebben gezien dat de strook grond niet tot het door hem gekochte perceel behoorde indien hij de registers zou hebben geraadpleegd. Zoals het hof reeds in 4.3. overwoog is het aspect van goede trouw hier echter niet van belang, zodat het hof hierop niet zal ingaan.

4.7. De gemeente stelt voorts dat [appellant] de groene strook niet structureel en duurzaam in gebruik heeft gehad, in die zin dat [appellant] zich naar buiten toe niet anders dan als eigenaar heeft gedragen. [appellant] heeft vóór het verstrijken van de 20-jaarstermijn het door

[persoon 1] geplaatste hekwerk vervangen door losse taxusplantjes, die geen ondoordringbaar geheel vormden. Daardoor had hij in 2001 in elk geval niet meer de pretentie van eigendom. Hij heeft daarmee het bezit van [persoon 1] niet voortgezet, aldus de gemeente. Het ontbreken van die pretentie blijkt ook uit de brief van [appellant] van 23 januari 2004, waarin hij in heldere bewoordingen te kennen geeft dat de boom zich bevond op een afstand van circa 0,5 meter van zijn perceelsgrens, ongeveer de breedte van de groene strook. Volgens de gemeente (pleitnota sub 6) moet het rooien van de bossages en het verwijderen van het hek in 2001 beschouwd worden als een impliciete erkenning van het eigendomsrecht van de gemeente, waardoor de lopende verjaring is gestuit.

4.8. De gemeente gaat hiermee voorbij aan de kern van de zaak. Het gaat erom of de gemeente, nadat zij in 1983 het bezit van de groene en gele strook grond had verloren doordat [persoon 1] die in bezit had genomen, tijdig actie heeft ondernomen om de grond opnieuw in haar bezit te krijgen. De gemeente heeft niet binnen twintig jaar na 1983 een vordering ingesteld om het bezit van

[persoon 1] respectievelijk [appellant] te beëindigen. Pas in 2004, na ontvangst van de brief van [appellant] met het verzoek de boom te snoeien, heeft de gemeente het verzoek gedaan de groene strook te ontruimen. Toen was de termijn voor de verjaring reeds voltooid. Als gevolg daarvan is [appellant] eigenaar geworden niet alleen van de gele, maar ook van de groene strook grond.

4.9. Ten overvloede merkt het hof op, dat bovendien niet kan worden aangenomen dat [appellant] het bezit van de groene strook grond heeft verloren doordat hij het hek door een taxushaag heeft vervangen of doordat hij de brief van 23 januari 2004 schreef. Een bezitter van een goed verliest het bezit wanneer hij het goed kennelijk prijsgeeft of wanneer een ander het bezit van het goed verkrijgt (art.3:117 BW). Indien moet worden aangenomen dat prijsgeven van een onroerende zaak mogelijk is, beschouwt het hof het vervangen van een hek door een haag niet als prijsgeven van het bezit. Uit die activiteit blijkt juist dat [appellant] het bezit voortzette. De brief van 23 januari 2004 bevat geen tekst waaruit zou moeten worden afgeleid dat [appellant] het bezit van de strook grond prijsgaf. Ook is niet gesteld of gebleken dat een ander het bezit van de strook grond verkreeg. [appellant] heeft zijn bezit dus voortgezet. De stelling van de gemeente dat de lopende verjaring is gestuit door impliciete erkenning van haar eigendomsrecht moet dus worden verworpen.

4.10. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de eerste grief van [appellant] slaagt. Hij is op grond van extinctieve verjaring eigenaar geworden van de groene strook grond, zoals hij dat ook is geworden van de gele strook grond. Voor het overige zijn door de gemeente geen feiten of omstandigheden aangevoerd die ten aanzien van de vordering in conventie of de vordering in reconventie tot een ander resultaat zouden kunnen leiden. Dat betekent dat het vonnis van 28 februari 2008 zal worden vernietigd. De vorderingen van [appellant] zullen alsnog worden toegewezen zoals in het dictum geformuleerd. De gevorderde dwangsom zal het hof niet toewijzen, omdat van de gemeente wordt verwacht dat zij de uitspraak zal nakomen, ook zonder dwangsom. De gevorderde verklaring voor recht kan niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Omdat de vordering tot het doorvoeren van aanpassingen in de registers op die verklaring voor recht aansluit, wordt ook die veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De reconventionele vordering van de gemeente zal worden afgewezen. Aan het verzoek van de gemeente tot verbetering van het vonnis komt het hof bij deze stand van zaken niet toe.

4.11. De gemeente zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in beide instanties. [appellant] heeft tevens gevorderd de gemeente te veroordelen in de nakosten. Deze vordering is niet toewijsbaar. Artikel 237 lid 4 Rv kent een exclusieve regeling voor de begroting van de na de uitspraak ontstane kosten. Met het oog op de redelijke termijn voor nakoming als bedoeld in artikel 6:82 lid 1 BW, zal het hof de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten eerst vanaf veertien dagen na de dag van deze uitspraak toewijzen.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

opnieuw rechtdoende:

in conventie:

verklaart voor recht dat de als groen gearceerd aangegeven strook grond op het perceel kadastraal bekend als gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten, sectie F nr 3627, zoals aangegeven op de aan dit arrest gehechte kadastrale tekening, krachtens verjaring in eigendom is gaan behoren aan de eigenaar van het perceel [adres 1] te Nuenen, gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten en aldus thans in eigendom toebehoort aan [appellant];

veroordeelt de gemeente om haar medewerking te verlenen aan het doorvoeren van zodanige kadastrale aanpassingen en aanpassingen van de openbare registers voor registergoederen dat daaruit kan worden afgeleid dat [appellant] inmiddels eigenaar is van de hier bedoelde strook grond;

veroordeelt de gemeente in de proceskosten, welke aan de zijde van [appellant] worden begroot op € 285,- aan verschotten en € 450,- aan salaris van de gemachtigde;

in reconventie: wijst de vordering af;

veroordeelt de gemeente in de proceskosten, welke aan de zijde van [appellant] worden begroot op € 300,- aan salaris van de gemachtigde;

veroordeelt de gemeente in de proceskosten in hoger beroep, welke aan de zijde van [appellant] worden begroot op

€ 339,44 aan verschotten en € 1.896,- voor salaris van de advocaat;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad en veroordeelt de gemeente tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten vanaf 14 dagen na de datum van dit arrest tot de dag van voldoening;

wijst af wat meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. Meulenbroek, Huijbers-Koopman en Bartels en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 augustus 2009.