Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ6985

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-08-2009
Datum publicatie
07-09-2009
Zaaknummer
HD 200.011.871
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen verdere matiging van de boete dan tot 10% van de hoofdsommen. Ook geen verdergaande matiging van de bedongen buitengerechtelijke incassokosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2009, 154
PJ 2009, 171
AR-Updates.nl 2009-0689
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. KM

zaaknr. HD 200.011.871

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

derde kamer, van 25 augustus 2009,

gewezen in de zaak van:

ELSLOO ENGINEERING B.V.,

gevestigd te Elsloo, gemeente Stein,

appellante bij exploot van dagvaarding

van 20 juni 2008,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

1. STICHTING PENSIOENFONDS METAAL EN TECHNIEK,

gevestigd te Rijswijk (ZH),

2. STICHTING OPLEIDINGS- EN ONTWIKKELINGSFONDS

VOOR HET TECHNISCHE INSTALLATIEBEDRIJF,

gevestigd te 's-Gravenhage;

3. STICHTING SOCIAAL FONDS VOOR DE METAAL

EN TECHNISCHE BEDRIJFSTAKKEN,

gevestigd te 's-Gravenhage,

geïntimeerden bij gemeld exploot,

advocaat: mr. H. Post,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Sittard-Geleen, gewezen vonnis van 23 april 2008 tussen appellant - Elsloo - als gedaagde en geïntimeerden - de stichtingen - als eisers.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 265317 CV EXPL 07-2409)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft Elsloo twee grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot afwijzing van de vorderingen van de stichtingen, althans tot matiging daarvan.

2.2. Bij memorie van antwoord hebben de stichtingen de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken, waaronder begrepen de gedingstukken van de eerste aanleg, overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

De grieven van Elsloo zijn gericht tegen de toewijzing door de kantonrechter van de gevorderde bedragen terzake van boete en buitengerechtelijke kosten.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a. De stichtingen hebben in de jaren 2006 en 2007 aan

Elsloo bedragen in rekening gebracht terzake van verplichte bijdragen. De bedragen zijn vermeld in de inleidende dagvaarding.

b. Elsloo is na diverse betalingsherinneringen en na aanmaning in 2007 overgegaan tot betaling van die bijdragen (cvr punt 9).

c. Elsloo heeft toen echter niet betaald de in de aanmaningen vermelde bedragen terzake van rente, boete en buitengerechtelijke kosten (cvr punt 5 en 9).

4.2. De stichtingen hebben in het onderhavige geding betaling gevorderd van

a. € 8.825,55 terzake van boete en rente,

b. € 1.631,37 terzake van buitengerechtelijke incassokosten en rente,

c. € 285,08 terzake van buitengerechtelijke incassokosten en rente,

een en ander zoals gespecificeerd in de inleidende dagvaarding en vermeerderd met rente.

4.3. De kantonrechter heeft de vorderingen toegewezen.

4.4. De kantonrechter heeft overwogen dat niet kan worden geoordeeld dat de stichtingen "in strijd met de redelijkheid en billijkheid hebben gehandeld door de boete c.q. buitengerechtelijke kosten terug te brengen tot 10% van de oorspronkelijke hoofdsommen en deze thans in te vorderen".

Tegen deze overweging is grief 1 gericht.

4.4.1. De kantonrechter heeft voorts overwogen: "In hoeverre tegenover die bedragen werkzaamheden hebben gestaan doet niet terzake nu de toepasselijke regelgeving eiseressen het recht verleent die bedragen bij niet tijdige betaling in te vorderen, juist teneinde de discussie over de inhoud van de werkzaamheden te vermijden."

4.5. Elsloo is van mening dat de gevorderde boete en buitengerechtelijke kosten moeten worden afgewezen, althans verder dienen te worden gematigd dan tot 10% van de hoofdsommen.

Daartoe voert Elsloo aan dat de stichtingen weliswaar ten gunste van de werkgever een lager percentage voor boete en buitengerechtelijke incassokosten hanteren (10%) dan in de toepasselijke regelingen is voorzien (15%), maar dat daarbij geen rekening is gehouden met de specifieke omstandigheden van het geval, zoals de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het boetebeding is ingeroepen.

Over de omvang van de schade hebben de stichtingen zich niet uitgelaten. Volgens Elsloo hebben de stichtingen geen schade geleden, te meer nu de wettelijke rente over de bijdragen is voldaan.

Ook hebben de stichtingen niet duidelijk gemaakt wat voor buitengerechtelijke werkzaamheden zij hebben verricht en welke buitengerechtelijke kosten zij gemaakt hebben, aldus Elsloo.

4.6. Het hof zal de grieven gezamenlijk bespreken, eerst voor wat betreft de gevorderde boete en vervolgens voor wat betreft de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten.

4.7. Ingevolge art. 6:94, lid 1 BW kan de rechter op verlangen van de schuldenaar de bedongen boete matigen indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist.

4.7.1. Elsloo heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die de conclusie wettigen dat de billijkheid klaarblijkelijk eist dat het bedongen boetepercentage van 15% verder dient te worden gematigd dan tot 10% van de hoofdsommen. Elsloo heeft ook geen feiten of omstandigheden gesteld die de conclusie wettigen dat de boetevordering geheel moet worden afgewezen. Elsloo heeft immers niet toegelicht waarom in haar geval de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het boetebeding is ingeroepen, meebrengen dat de billijkheid klaarblijkelijk eist dat de boete verder dan tot 10% wordt gematigd of afgewezen.

Het enkele feit dat Elsloo wettelijke rente heeft betaald over de - door haar te laat betaalde - bijdragen levert daartoe in ieder geval geen grond op.

Reeds daarom moeten de grieven, voorzover zij gericht zijn tegen de toewijzing van de gevorderde boete, falen.

4.8. Ingevolge art. 242 Rv kan de rechter bedragen die geacht kunnen worden te zijn bedongen ter vergoeding van buitengerechtelijke kosten als bedoeld in art.6:96, lid 2, sub c BW matigen.

4.9. De stichtingen hebben in de conclusie van repliek punt 4 tot en met 6 onderbouwd welke inspanningen door haar zijn verricht om buitengerechtelijk tot inning te komen van de verplichte bijdragen. Dat het hier slechts om inspanningen gaat ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de zaak kan niet worden aangenomen aangezien die inspanningen zich uitstrekken over de periode van september 2006 tot april 2007 en er duidelijk op gericht waren te bewerkstelligen dat Elsloo zou betalen zonder dat het tot een procedure behoefde komen.

Dit is door Elsloo onvoldoende weersproken. Bovendien hebben de stichtingen gewezen op het betalingsgedrag van

Elsloo in het verleden en zulks onderbouwd met het vonnis van de kantonrechter van 18 april 2007 en met betalingsverzoeken (cvr punt 7 en 8 en producties 4 en 5 bij cvr).

Gezien deze inspanningen van de stichtingen en het betalingsgedrag van Elsloo acht het hof geen grond aanwezig de bedongen buitengerechtelijke kosten verder te matigen dan de stichtingen reeds hebben gedaan, te weten tot 10% van de hoofdsommen, laat staan af te wijzen.

De grieven falen daarom ook voorzover zij gericht zijn tegen de toewijzing van de gevorderde buitengerechtelijke kosten

4.10. Als de in het ongelijk gestelde partij dient Elsloo te worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van 23 april 2008, waarvan beroep;

veroordeelt Elsloo in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van de stichtingen tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 254,- aan griffierecht en € 894,- aan salaris advocaat;

Dit arrest is gewezen door mrs. Bod, Waaijers en

Zweers-Van Vollenhoven en uitgesproken door de rolraadsheer op 25 augustus 2009.