Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ6982

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-08-2009
Datum publicatie
23-09-2009
Zaaknummer
HD 103.004.284
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadevordering van verzekeraar terzake van gestolen camper die bij haar verzekerd waren tegen diefstal. Wie is eigenaar van de campers? Schadevordering ingesteld tegen degene die de campers onder zich had.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. KM

zaaknr. HD 103.004.284

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

derde kamer, van 25 augustus 2009,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [plaats],

appellant bij exploot van dagvaarding

van 10 oktober 2006,

advocaat: mr. H.C.M. Schaeken,

tegen:

ALLIANZ VERSICHERUNGS-AG,

gevestigd te Düsseldorf (Duitsland),

geïntimeerde bij gemeld exploot,

advocaat: mr. H.A. Stollenwerck,

op het hoger beroep van de door de rechtbank 's-Hertogenbosch gewezen vonnissen van 20 april 2005 en 20 september 2006 tussen appellant - [appellant] - als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en geïntimeerde - Allianz - als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 921270/HA ZA 03-473)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en het daaraan voorafgaande vonnis van 16 juni 2004.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellant] tien grieven aangevoerd, zijn vordering in reconventie vermeerderd met een subsidiaire grondslag (ongerechtvaardigde verrijking), geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot afwijzing van de vordering van Allianz in conventie en tot toewijzing van zijn vordering in reconventie.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft Allianz onder overlegging van twee producties de grieven bestreden.

2.3. Alleen [appellant] heeft daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst dienaangaande naar de beoordeling, alwaar de grieven van [appellant] worden besproken.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a. Op 6 maart 2000 is van het bedrijfsterrein van Eura Mobil GmbH & Co (een fabrikant van campers) te Sprendlingen (Duitsland) een nieuwe camper (Wohnmobil) gestolen van het merk Fiat, type Activa 770 HB, kleur wit, ongekentekend en met een voertuignummer dat eindigde op ..721, verder camper I (prod. 6 cva in reconventie).

b. Op 12 oktober 2002 is een camper van dit merk en type aangetroffen op Camping [camping] te Fügen (Oostenrijk). De camper is door de Oostenrijkse politie in beslag genomen en na onderzoek ter beschikking gesteld van Allianz. Allianz heeft de betrokken camper, die toen voorzien was van een voertuignummer dat eindigde op ..035, op 27 februari 2003 verkocht voor een bedrag van € 36.500,-

(= € 31.465,52 excl. 16% MwSt) (prod. 7 ca in reconventie).

c. Tussen 17 en 19 juni 2000 is van het bedrijfsterrein van Eura Mobil GmbH en Co een nieuwe camper gestolen

van het merk Fiat, type Integra 810 HB, kleur wit, ongekentekend en met een voertuignummer dat eindigde op ..056, verder camper II (prod. 8 cva in reconventie).

d. Een camper van dit merk en type is op 12 oktober 2002 eveneens aangetroffen op Camping [camping] te Fügen. De camper is door de Oostenrijkse politie in beslag genomen en na onderzoek afgegeven aan Allianz. Allianz heeft de betrokken camper op 11 februari 2003 verkocht voor een bedrag van € 41.800,- (= € 36.034,48 excl. 16% MwSt) (prod. 9 cva in reconventie).

e. In de periode van 6 maart tot 19 juni 2000 zijn nog twee andere campers van het bedrijfsterrein van Eura Mobil GmbH & Co gestolen.

4.2. Allianz heeft - na wijziging van eis - in dit geding gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 36.652,78, vermeerderd met wettelijke rente.

4.2.1. Allianz heeft daartoe gesteld dat de onder rov. 4.1. sub a en c vermelde campers bij haar tegen diefstalrisico verzekerd waren (prod. 5 cva in reconventie) en dat zij eigenaar is geworden van de twee campers op grond van dwingend Duits verzekeringsrecht en de daarmee corresponderende paragraaf 13, onder 7 van de toepasselijke algemene verzekeringsvoorwaarden. Allianz stelt voorts (in haar verweer tegen grief 2) dat zij in verband met de diefstal van camper I heeft moeten uitkeren DM 87.482,70

(= € 44.729,24) en de diefstal van camper II DM 113.793,- (€ 58.181,44). Ook stelt Allianz dat zij een aantal bijkomende schadeposten van in totaal € 13.553,40 heeft vergoed, zoals vermeld in de cva in reconventie pag. 4 en 5, te weten kosten van het schadebureau ISB4Europ te Emmerich (€ 6.410,40), vervoerskosten van de firma Scheffold te Wörgl (€ 2.565,-) en vervoerskosten van Wolves Autoberging BV te Wierden (€ 4.578,-).

4.2.2. De schade heeft Allianz als volgt berekend (zie cva in reconventie pag. 4 en 5):

Terzake van het uit te keren

bedrag op camper I € 43.667,71

minus opbrengst excl. btw € 31.465,52

€ 12.202,19

Terzake van het uit te keren

bedrag op camper II € 46.931,67

minus opbrengst excl. btw € 36.034,48

€ 10.897,19

bijkomende schade € 13.553,40

Totaal € 36.652,78

4.3. [appellant] heeft tegen de vordering verweer gevoerd en zijnerzijds een vordering in reconventie ingesteld.

4.3.1. Na wijziging van eis heeft [appellant] gevorderd Allianz te veroordelen

a. tot betaling van een bedrag van € 45.000,- althans

€ 36.500,-, zijnde de waarde van de aan hem ontnomen camper I;

b. tot betaling van een bedrag van € 15.443,-, zijnde de waarde van de roerende zaken die zich in camper I bevonden.

Subsidiair heeft [appellant] betaling gevorderd van een door de rechtbank te begroten schadebedrag.

4.4. Bij vonnis van 20 april 2005 (dictum en rov. 3.5.) heeft de rechtbank aan [appellant] te bewijzen opgedragen dat hij camper I anders dan om niet heeft gekocht, dat hij te goeder trouw was en dat hij als particulier heeft gekocht van een vervreemder die van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke zaken zijn bedrijf maakt in een daartoe bestemde bedrijfsruimte, zijnde een onroerende zaak of een gedeelte daarvan en in de normale uitoefening van dat bedrijf handelde.

4.6. In datzelfde vonnis heeft de rechtbank aan Allianz te bewijzen opgedragen dat [appellant] camper II in zijn bezit had.

4.7. [appellant] heeft terzake van de hem verstrekte bewijsopdracht geen getuigen doen horen.

4.7.1. Allianz heeft terzake van de haar verstrekte bewijsopdracht twee getuigen doen horen, te weten [persoon 1], rechercheur bij de politie te Neuss (Duitsland), en [persoon 2], schadeonderzoeker verbonden aan het schadebureau ISB4Europ. Voorts heeft Allianz een schriftelijke verklaring van [persoon 3] in het geding gebracht. In contra-enquête heeft [appellant] twee getuigen doen horen, te weten zichzelf en zijn moeder.

4.8. Bij eindvonnis van 20 september 2006 heeft de rechtbank de vordering van Allianz toegewezen in die zin dat [appellant] is veroordeeld tot betaling van een bedrag van

€ 36.652,78, vermeerderd met de wettelijke rente over het nog niet betaalde deel van dat bedrag vanaf 24 februari 2003.

4.8.1. De rechtbank heeft de vordering van [appellant] in reconventie afgewezen.

4.9. De rechtbank heeft geoordeeld dat de onder rov. 4.1. sub a en c vermelde campers ten tijde van de diefstal tegen diefstalrisico verzekerd waren bij Allianz (tussenvonnis van 20 april 2005, rov. 1.2. en 3.3.).

4.9.1. In grief 1 stelt [appellant] dat Allianz niet heeft aangetoond dat ook ten tijde van de diefstallen de verzekeringsovereenkomst met Allianz nog liep, dat Allianz verplicht was tot vergoeding van schade en dat Allianz de eigendom van de campers heeft verworven.

4.10. Het hof oordeelt hieromtrent als volgt.

Vast staat dat tussen Allianz en Eura Mobil GmbH & Co met ingang van 1 juli 1999 een "Kraftfahrzeugversicherung" was gesloten voor de periode tot 1 januari 2000 en dat deze verzekering op grond van paragraaf 4a onder (1) van de toepasselijke voorwaarden telkens automatisch met een jaar wordt verlengd tenzij tijdig wordt opgezegd (zie prod. 5 cva in reconventie). Ter comparitie heeft Allianz gesteld dat jaarlijkse verlenging heeft plaatsgevonden. Door [appellant] is niet gesteld, noch is gebleken dat de verzekering vóór de data van de diefstallen door Eura Mobil GmbH % Co was opgezegd.

Derhalve moet worden aangenomen dat bedoelde verzekeringsovereenkomst gold ten tijde van de diefstallen, dat Allianz op grond daarvan uitkeringsplichtig was en eigenaar is geworden van de twee campers.

Grief 1 faalt.

4.11. In grief 2 stelt [appellant] dat Allianz niet heeft aangetoond dat zij Eura Mobil GmbH & Co schadeloos heeft gesteld en niet heeft aangetoond dat de door haar gedane betalingen betrekking hebben op de twee onder 4.1. vermelde campers.

4.12. Het hof oordeelt als volgt.

In het midden kan blijven welk bedrag Allianz precies aan Eura Mobil GmbH & Co heeft uitgekeerd. Nu Allianz van [appellant] vergoeding vordert van de waarde van de haar in eigendom toebehorende campers op de grond dat zij eigenaar daarvan is, is uitsluitend van belang dat komt vast te staan wat de waarde van die campers was toen Allianz deze campers in eigendom verwierf.

a. Camper I

In de productie 6 cva in reconventie, laatste blad, is met betrekking tot camper I (schadenummer 902660) een bedrag van DM 87.482,70 (= € 44.729,24) vermeld. Blijkens productie 1 inl. dagvaarding is met betrekking tot camper I een bedrag van € 44.575,81 uitgekeerd. Door Allianz is in de conclusie van antwoord in reconventie terzake € 43.667,71 gevorderd.

b. Camper II

In productie 8 cva in reconventie, laatste blad, is met betrekking tot camper II (schadenummer 905981) een bedrag van DM 113.793,- (= € 58.181,44) vermeld. Blijkens productie 4 inl. dagvaarding is met betrekking tot camper II een bedrag van € 46.391,76 uitgekeerd. Door Allianz is in de conclusie van antwoord in reconventie € 46.931,67 gevorderd, derhalve € 539,91 meer dan uit prod. 4 inl. dagvaarding blijkt te zijn uitgekeerd.

4.12.1. Uit het bovenstaande blijkt dat Allianz met betrekking tot camper II haar vordering voor wat betreft het bedrag van € 539,91 niet heeft onderbouwd. Voor het overige heeft Allianz haar vordering op deze onderdelen voldoende aangetoond en heeft [appellant] onvoldoende gemotiveerd verweer daartegen gevoerd.

Grief 2 faalt dus grotendeels, behoudens voor wat betreft genoemd bedrag van € 539,91. Het hof zal een bedrag van

€ 539,91 in mindering brengen op het bedrag van

€ 36.652,78 dat de rechtbank heeft toegewezen.

4.13. In grief 3 stelt [appellant] dat hij in reconventie terzake van de waarde van camper I niet € 36.000,- heeft gevorderd (zoals de rechtbank overweegt in het vonnis van 20 april 2005, rov. 2.4.), maar € 36.500,-.

4.13.1. Die stelling is juist maar kan niet tot vernietiging van de bestreden vonnissen leiden.

4.14. Naar aanleiding van grief 4 overweegt het hof het volgende.

Met betrekking tot camper I heeft [appellant] het volgende gesteld in de conclusie na comparitie d.d. 19 januari 2005:

13. "[appellant] heeft van een handelaar op het woonwagencentrum Vinkenslag te Maastricht een schadecamper gekocht, waarvan de cabine, het onderstel en de motor beschadigd waren. Deze camper was (als schadewagen) niet voorzien van een kenteken. [appellant] heeft vastgesteld dat het onderstel met cabine en motor onherstelbaar beschadigd waren. De opbouw van de camper was intact.

14. [appellant] heeft een nieuw onderstel met cabine gekocht en daarop de opbouw van de schadecamper geplaatst.

[appellant] heeft deze nieuwe camper ter keuring aangeboden aan de TüV, welke Duitse instantie is belast met de verstrekking van de Kraftfahrzeugbrief (KFZ).(....)"

4.14.1. In het vonnis van 20 april 2005 rov. 3.4. heeft de rechtbank geoordeeld dat het nieuwe onderstel en de cabine op grond van artikel 3:4 BW als bestanddelen kunnen worden aangemerkt van de hoofdzaak, de opbouw van de gestolen camper. Het aangebrachte onderstel en de cabine zijn door natrekking eigendom geworden van Allianz, de eigenares van de hoofdzaak.

4.15. In grief 4 stelt [appellant] dat dit oordeel van de rechtbank onjuist is. Volgens [appellant] heeft het (nieuwe) onderstel met cabine en nieuwe motor (a) te gelden als de hoofdzaak en de (als tweedehands aan te merken) opbouw (b) als bestanddeel, in de eerste plaats omdat de waarde van (a) aanmerkelijk hoger was dan de waarde van (b) en voorts omdat naar verkeersopvatting bij een camper het rijdende gedeelte (onderstel, cabine, motor) wordt gezien als hoofdzaak en de (uitwisselbare) opbouw niet.

Subsidiair stelt [appellant] dat geen der zaken als hoofdzaak is aan te merken en alsdan op de voet van art. 5:14, lid 2 BW Allianz en [appellant] mede-eigenaars zijn van de camper naar rato van de waarde van de zaak waarvan ieder eigenaar was.

4.15.1. Allianz heeft deze stellingen van [appellant] betwist.

4.16. Het hof oordeelt omtrent deze stellingen als volgt.

4.16.1. Allianz heeft uitdrukkelijk betwist dat [appellant] camper I van een nieuw onderstel met cabine en nieuwe motor heeft voorzien. [appellant] heeft zijn stellingen op dit punt niet met concrete gegevens of bescheiden onderbouwd, zodat niet kan worden geconcludeerd dat de door Allianz verkochte camper eigendom van [appellant] was geworden op grond van artikel 5:14, lid 1 BW. Het hof gaat er daarom vanuit dat camper I toen deze werd teruggevonden te Fügen, nog was voorzien van het oorspronkelijke onderstel, de cabine en de motor.

4.16.2. Doch ook als camper I door [appellant] wél van een ander onderstel met cabine en motor is voorzien, dient het verweer van [appellant] te worden verworpen. In de eerste plaats is door [appellant] op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat het door hem aangebrachte onderstel met cabine en motor een origineel nieuw chassis betrof met een eigen voertuigidentificatienummer. [appellant] heeft daarvan geen aankoopbewijzen of andere bewijzen overgelegd, noch specifiek daarvan bewijs aangeboden. Bovendien zou volgens de eigen stellingen van [appellant] de waarde van het nieuwe onderstel, de cabine en motor € 20.000,- belopen (hetgeen Allianz overigens betwist). Als vergoeding van de waarde van de camper vordert [appellant] echter in reconventie in totaal € 45.000,-, althans € 36.500,-. Uitgaande van deze cijfers heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd zijn stelling dat de waarde van het onderstel met cabine en motor de waarde van de opbouw aanmerkelijk overtreft. Tot slot dient ervan uitgegaan te worden dat op grond van verkeersopvattingen de opbouw met de specifiek voor kampeerauto's bestemde inrichting als hoofdzaak is aan te merken zodat Allianz door natrekking eigenares is geworden van het onderstel met cabine en de motor.

Grief 4 faalt.

4.17. In grief 5 stelt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte betekenis heeft toegekend aan het antwoord op de vraag of [appellant] twee standplaatsen in Fügen had gehuurd, voorts of [appellant] zich ten opzichte van derden als rechthebbende van de beide campers gedroeg en of [appellant] deze campers in zijn bezit had. Volgens [appellant] is dat antwoord niet van belang en heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 20 april 2005 daarom ten onrechte Allianz toegelaten tot bewijs dat [appellant] camper II in zijn bezit had.

4.18. Nu Allianz gemotiveerd heeft gesteld dat [appellant] camper II in bezit had en [appellant] dat gemotiveerd betwistte, heeft de rechtbank Allianz terecht toegelaten tot bewijs van dat bezit. Grief 5 faalt.

4.19. In grief 6 stelt [appellant] dat de rechtbank in het eindvonnis van 20 september 2006, rov. 2.2. ten onrechte als vaststaand aanneemt dat Allianz eigenaar is van camper I.

4.20. Het hof oordeelt als volgt. Nu [appellant] geen bewijs heeft geleverd van hetgeen hem door de rechtbank te bewijzen was opgedragen, heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat Allianz eigenaar is van camper I. Voorzover [appellant] aan deze grief mede ten grondslag legt hetgeen hij in de toelichting op grief 4 heeft gesteld, verwerpt het hof deze grondslag om redenen zoals hierboven in rov. 4.16. tot en met 4.16.2. is overwogen.

4.21. In grief 7 stelt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat Allianz heeft bewezen dat [appellant] camper II in bezit had.

Volgens [appellant] hebben de getuigen [persoon 1] en [persoon 2] slechts kunnen verklaren "van horen zeggen". De schriftelijke verklaring van de getuige [persoon 3] is te weinig concreet en roept te veel vragen op om daaraan betekenis te kunnen hechten.

4.22. Het hof is van oordeel dat Allianz erin geslaagd is het volgende te bewijzen:

a. De standplaatsen op Camping [camping] te Fügen waren voor beide campers gehuurd door [appellant] (zie schriftelijke verklaring van [persoon 3]).

b. Beide campers zijn door [appellant] op de campingplaats geplaatst (zie schriftelijke verklaring [persoon 3] en getuigenverklaring [persoon 2]).

c. Een van de campers werd door [appellant] zelf gebruikt (camper I) (zie verklaring van [persoon 3] en getuigenverklaring van [appellant] zelf).

d. Camper II werd feitelijk gebruikt door mensen van [appellant] die op de camping kwamen, respectievelijk gebruikt door vrienden van [appellant] (zie getuigenverklaring [persoon 1], [persoon 2] en de schriftelijke verklaring van [persoon 3]).

e. In beide campers lagen visitekaartjes van [appellant] (10 tot 20 stuks) waarop RTB of TCB stond, het schoonmaakbedrijf van [appellant] (zie getuigenverklaring van [persoon 1]).

4.23. Op grond van de in rov. 4.22. bewezen feiten en omstandigheden kan bewezen worden geacht dat [appellant] camper II in zijn bezit had. De andersluidende verklaring van [appellant] als getuige staat op zichzelf en doet onvoldoende afbreuk aan de in rov. 4.22. vermelde verklaringen. Ook de verklaring van de moeder van [appellant] doet daaraan onvoldoende afbreuk, nu zij heeft verklaard dat zij "over die andere camper" helemaal niets weet. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat [appellant] weliswaar stelt dat hij met betrekking tot camper II geen bezits- of eigendomspretenties had, maar uit het feit dat camper II door [appellant] is neergezet op een door hem gehuurde standplaats, zich daarin visitekaartjes van [appellant] bevonden en door zijn vrienden en/of kennissen werd gebruikt, moet worden afgeleid dat [appellant] voorshands als bezitter is aan te merken van camper II. Dit vermoeden van bezit heeft [appellant] niet ontzenuwd. Het feit dat [persoon 2] en [persoon 1] hun informatie deels ontlenen aan "van horen zeggen", brengt niet mee dat die informatie niet tot bewijs kan bijdragen.

Grief 7 faalt.

4.24. In grief 8 stelt [appellant] dat de rechtbank in het eindvonnis rov. 2.7. ten onrechte concludeert dat Allianz eigenaar is van beide campers en dat [appellant] jegens Allianz onrechtmatig heeft gehandeld door de campers in zijn bezit te nemen en te houden en inbreuk te maken op het eigendomsrecht van Allianz.

4.25. Ter toelichting op deze grief voert [appellant] niets meer of anders aan dan hetgeen hij in de toelichting op de eerdere grieven heeft betoogd. Nu dat betoog door het hof hierboven is verworpen, kan ook deze grief niet slagen.

4.26. In grief 9 stelt [appellant] dat de rechtbank zijn vordering tot betaling van € 45.000,- respectievelijk van

€ 36.500,- terzake van camper I ten onrechte heeft afgewezen.

4.27. Nu niet is komen vast te staan dat [appellant] eigenaar was van camper I, heeft [appellant] geen schade geleden doordat Allianz die camper zonder toestemming van [appellant] heeft verkocht. De rechtbank heeft die vordering dan ook terecht afgewezen.

4.28. [appellant] heeft in hoger beroep (mvg pag. 6 slot) de grondslag van zijn schadevordering met betrekking tot camper I subsidiair aangevuld en gesteld dat Allianz ongerechtvaardigd zou worden verrijkt indien zij de kosten van het door [appellant] aangebrachte nieuw onderstel met cabine en motor niet aan [appellant] zou behoeven te vergoeden. Daarom acht [appellant] Allianz gehouden hem op grond van art. 6:212 BW terzake € 20.000,- te vergoeden.

4.29. Ook in dat opzicht is de schadevordering van [appellant] terzake van Camper I niet toewijsbaar.

4.29.1. In de eerste plaats staat niet vast dat [appellant] een nieuw onderstel met cabine en motor heeft aangebracht. [appellant] heeft weliswaar aangevoerd dat, toen hij camper I kocht, het onderstel met cabine en motor zodanig was beschadigd dat een en ander moest worden vervangen, maar hij heeft deze stelling op geen enkele wijze feitelijk onderbouwd, noch te bewijzen aangeboden, zodat het hof daaraan voorbijgaat.

Bovendien staat als onweersproken vast dat camper I ten tijde van de diefstal nieuw was. Als al juist zou zijn dat [appellant] camper I van een nieuw onderstel met cabine en motor heeft voorzien, dan moet worden aangenomen dat hij dat heeft gedaan zonder dat daarvoor enige noodzaak bestond. Daarom kan niet worden geconcludeerd dat Allianz is verrijkt ten koste van [appellant].

4.30. In grief 10 stelt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte zijn vordering van € 15.443,- wegens verlies van roerende zaken die zich in camper I bevonden heeft afgewezen.

4.31. In een bijlage bij de brief van mr. Schaeken aan de rechtbank 's-Hertogenbosch d.d. 10 september 2004 heeft [appellant] opgegeven welke roerende zaken zich in camper I bevonden die hij had aangeschaft.

[appellant] stelt dat hij bedoelde zaken in 2000/2001 heeft aangeschaft. In die periode is, aldus [appellant], camper I op de Camping [camping] geplaatst. [appellant] stelt dat hij niet meer over aankoopnota's beschikt.

4.32. Allianz betwist de stellingen van [appellant].

Uit niets blijkt dat bedoelde goederen zich in camper I bevonden, dat de goederen eigendom van [appellant] waren en de waarde hadden die [appellant] opgeeft, aldus Allianz.

4.33. Het hof overweegt als volgt.

Ter comparitie in eerste aanleg heeft [persoon 2] van het schadebureau ISB4Europ verklaard dat hij aanwezig is geweest bij de beslaglegging door de Oostenrijkse politie. [persoon 2] bevestigt dat er een navigatiesysteem in beide campers aanwezig was. Hij zegt zeker te weten dat hij geen ski-kleding of skibenodigdheden heeft gezien. Een koelkast, een kookplaat en airco zitten standaard in de camper. Overigens verklaart [persoon 2] dat hij zich niet precies van elke camper de inventaris kan herinneren.

4.34. Gezien de gemotiveerde betwisting door Allianz, ligt het op de weg van [appellant] te bewijzen dat de gestelde roerende goederen zich in camper I bevonden en zijn eigendom waren, zulks uitgezonderd het navigatiesysteem. Nu [persoon 2] de aanwezigheid van dat systeem in de campers bevestigt, staat zulks voldoende vast en, bij gebreke van een gemotiveerde betwisting, daarmee ook dat [appellant] daarvan eigenaar was.

4.35. Het hof zal [appellant] toelaten te bewijzen dat de goederen, vermeld op de bijlage bij de brief van 10 september 2004 (behoudens het navigatiesysteem), zich in camper I bevonden en zijn eigendom waren en dat die goederen en het navigatiesysteem in camper I in 2002 de waarden hadden die op die bijlage zijn vermeld.

5. De uitspraak

Het hof:

alvorens verder te beslissen:

laat [appellant] toe te bewijzen dat de goederen, vermeld op de bijlage bij de brief van 10 september 2004 (behoudens het navigatiesysteem), zich in camper I bevonden en zijn eigendom waren en dat die goederen en het navigatiesysteem in camper I in 2002 de waarden hadden die op die bijlage zijn vermeld;

bepaalt, voor het geval [appellant] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. Th.L.J. Bod als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 8 september 2009 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun raadslieden en de getuige(n) op werkdagen in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de advocaat van [appellant] bij zijn opgave op genoemde rol een fotokopie van het procesdossier zal overleggen;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde rol dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [appellant] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Bod, Zwitser en Waaijers, en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op

25 augustus 2009.