Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ6299

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-08-2009
Datum publicatie
28-08-2009
Zaaknummer
HV 200.021.635
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een procentsgewijze afbouw van de huwelijks gerelateerde behoefte over een periode van 12 jaar vindt geen steun in de wet.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2010/27
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PJ

25 augustus 2009

Sector civiel recht

Zaaknummer HV200.021.635/01

Zaaknummer eerste aanleg 172311/FA RK 08-1271

GERECHTSHOF 'S-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats]

appellant,

hierna: de man,

advocaat: mr. A.H.A.C. Waals,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna: de vrouw,

advocaat: mr. E.E.M. van Schaijk-Böhm.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 29 september 2008, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 december 2008, heeft de man verzocht, verkort weer- gegeven, voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de door hem aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van 1 maart 2008 nader vast te stellen op nihil, althans op € 648,60 bruto per maand, althans op een door het hof te bepalen bedrag met ingang van een door het hof te bepalen datum, met uitsluiting van de wettelijke indexering en vaststelling van een afbouwregeling.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 9 maart 2009, heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep van de man bestreden en verzocht de beschikking, waarvan beroep, te bekrachtigen.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 juli 2009. Bij die gelegenheid zijn partijen en hun advocaten gehoord.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn op 13 september 1985 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van voormelde rechtbank van 10 november 2000 is de echtscheiding tussen hen uitgesproken. Die beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 5 januari 2001. Bij die beschikking werd de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie vastgesteld op ƒ 4.500,--

(€ 2.042,01) per maand.

4.2. Bij zijn inleidend verzoekschrift heeft de man verzocht die bijdrage, die door toepassing van de wettelijke indexering is gestegen tot € 2.493,85 per maand in 2008, met ingang van 1 maart 2008 of een andere datum nader vast te stellen op nihil.

4.3. De rechtbank heeft de bijdrage bij de bestreden beschikking met ingang van 1 maart 2008 nader vastgesteld op

€ 2.215,-- per maand.

Behoefte

4.4. De alimentatiebehoefte wordt gewoonlijk gerelateerd aan het netto besteedbaar gezinsinkomen van de partners tegen het einde van hun samenwoning. De man wijst er op dat dit in het onderhavige geval niet is gebeurd. De rechtbank heeft bij de vaststelling van de alimentatie in 2000 het door de man uit zijn B.V. te genereren inkomen tot uitgangspunt genomen en niet het werkelijke netto inkomen. Dit is naar de mening van de man onjuist en als gevolg daarvan ligt volgens de man aan de in de beschikking, waarvan beroep, vastgestelde huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw van - geïndexeerd naar 2008 - € 4.246,-- bruto per maand, een hoger inkomen ten grondslag dan het netto besteedbaar gezinsinkomen waarover partijen destijds beschikten. Blijkens hetgeen hij voorts in zijn beroepschrift heeft gesteld, baseert de man echter zijn verzoek niet op een naar zijn mening te hoog vastgestelde behoefte maar op, kort gezegd, verbleking van de alimentatiebehoefte van de vrouw, waarbij hij, evenals de vrouw, uitgaat van een aanvankelijke behoefte die door toepassing van de indexeringen t/m 2008 is opgelopen tot € 4.246,-- bruto per maand. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de man desgevraagd uitdrukkelijk verklaard dat voormelde stelling over het netto gezinsinkomen van partijen niet moet worden opgevat als een grief tegen de door de rechtbank op € 4.246,-- bruto per maand in 2008 vastgestelde behoefte van de vrouw, zodat ook het hof dat bedrag tot uitgangspunt kan nemen.

4.5. Ter toelichting op zijn grief heeft de man gesteld dat de vrouw inmiddels voldoende inkomen heeft om geheel in haar levensonderhoud te voorzien. Dit blijkt volgens de man uit de in eerste aanleg door de vrouw overgelegde draagkracht- berekening (productie 11 bij de brief van de advocaat van de vrouw van 15 augustus 2008), waarin de vrouw een draag- krachtloos inkomen aan haar zijde heeft berekend van € 1.393,-- netto per maand. Het inkomen van de vrouw van € 12.072,--, haar vermogen en haar mogelijkheden en haar mogelijkheden om inkomen te verwerven uit voetreflextherapie, reiki, stresstherapie etc. is behoeftedekkend volgens de man. De vrouw heeft een en ander bestreden.

De stelling van de man gaat naar het oordeel van het hof niet op. Uitgangspunt blijft immers, zoals overwogen in 4.4., de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw ad. € 4.246,-- bruto per maand in 2008 en niet het draagkrachtloos inkomen zoals berekend door de vrouw, ook al omdat dat het minimum betreft dat de vrouw volgens de Tremanormen nodig heeft ter delging van haar vaste lasten en dus geen verband houdt met haar huwelijks-gerelateerde behoefte. Het betreft ook een draagkrachtberekening en geen behoefteberekening. De vrouw heeft daarbij aangegeven dat in die berekening geen rekening is gehouden met haar feitelijke uitgaven aan kleding, luxe, hobbies, vakanties en dergelijke.

4.6. Ter toelichting op zijn eerste grief heeft de man voorts aangevoerd, dat op de hoogte van de partneralimentatie van invloed dienen te zijn enerzijds de op de vrouw rustende inspanningsverplichting om in eigen levensonderhoud te voorzien en anderzijds de door het tijdsverloop afgenomen huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw afgezet tegen haar draagkrachtloos inkomen.

Voor wat betreft de gestelde afnemende behoefte van de vrouw komt het standpunt van de man er op neer dat kort na de ontbinding van het huwelijk van partijen kan worden uitgegaan van de volledige huwelijksgerelateerde behoefte, maar dat naarmate die ontbinding verder in het verleden ligt, de staat en stand die partijen tijdens hun samenleving hebben kunnen voeren, een steeds verder afnemende rol dient te spelen bij de beantwoording van de vraag naar de behoefte van de vrouw en dat daarbij steeds meer aansluiting moet worden gezocht bij haar daadwerkelijke uitgaven. Uitgaande van een twaalf jaar durende alimentatieverplichting heeft de man een model ontwikkeld waarbij in het eerste jaar de behoefte voor 100% huwelijks-gerelateerd is en deze elk jaar volgend jaar met 8.33% vermindert tot 0% na het twaalfde jaar. Hij verzoekt het hof dat model toe te passen. Nu er in zijn opvatting sprake zal zijn van een jaarlijkse vermindering van de alimentatie, is er volgens de man ook geen plaats voor enige indexering.

De vrouw is daarentegen van mening dat haar alimentatiebehoefte zoals berekende door de rechtbank in de beschikking, waarvan beroep, nog steeds volledig huwelijksgerelateerd is.

4.6.1. Dit betoog van de man stuit naar het oordeel van het hof reeds af op de omstandigheid dat in het onderhavige geval van enige verbleking van de huwelijksgerelateerde alimentatiebehoefte van de vrouw geen sprake is.

De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling onbetwist gesteld dat zij naast de alimentatie van thans - afgerond -

€ 2.500,-- bruto per maand beschikte over eigen inkomsten uit arbeid van laatstelijk - afgerond € 1.000,-- bruto per maand. Die totale inkomsten waren volgens de vrouw onvoldoende om in haar behoefte te voorzien, hetgeen ertoe heeft geleid dat zij de door haar ontvangen voorschotten ter zake de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van in totaal ca.

€ 130.000,-- grotendeels heeft verbruikt (o.a. aan de aanschaf van een auto, het bekostigen van opleidingen en betalingen aan de fiscus), hetgeen door de man niet is betwist. Gemiddeld over die periode van ruim zeven jaren is de vrouw mitsdien blijven leven op een niveau dat minstens gelijk was aan de welstand die partijen tijdens hun samenleving hebben gekend. Dat de vrouw feitelijk pas enkele jaren na de echtscheiding kon beschikken over die voorschotten, doet daaraan naar het oordeel van het hof niet af.

De eerste grief faalt op grond van het vorenstaande.

4.7. Voor zover nodig overweegt het hof nog als volgt. Naar het oordeel van het hof vindt een door de man beoogd afbouwmodel, dat kennelijk in het algemeen zou moeten gelden, - waartegen de vouw zich verzet - geen steun in de wet. Daartoe overweegt het hof als volgt.

Het heeft geruime tijd geduurd voordat de thans geldende wettelijke alimentatieregeling tot stand is gekomen. Deze wettelijke regeling bepaalt dat de wettelijke alimentatieduur in gevallen als het onderhavige twaalf jaren bedraagt en pas na verloop van die termijn is de wederzijdse verantwoordelijkheid van de (voormalige) echtgenoten binnen het huwelijk, waarvan de alimentatieverplichting van de partner deel uit maakt, uitgewerkt.

In de wetsgeschiedenis en in de jurisprudentie zijn geen aanknopingspunten te vinden dat de ten tijde van het einde van de samenwoning van de partners berekende huwelijksgerelateerde behoefte van een van hen in de loop van deze termijn van twaalf jaar enkel en alleen op grond van het verlopen van deze termijn afgebouwd dient te worden op de door de man gestelde en onder 4.6. opgenomen wijze. Dit is ook als zodanig door de man ter zitting erkend.

De omstandigheid dat de wet geen bepaling kent waarin wordt geregeld dat partneralimentatie gedurende de volledige looptijd daarvan huwelijksgerelateerd dient te zijn, doet daaraan niet af.

De man heeft ook verder onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om van hetgeen hiervoor door het hof is overwogen in dit specifieke geval af te wijken. De twee uitspraken van dit hof waarop de man zich beroept kunnen hem niet baten nu deze beide zien op een wezenlijk andere casus, namelijk een procedure waarin de alimentatiegerechtigde verzoekt om een verhoging van de partneralimentatie.

Uitsluiting van de wettelijke indexering, waarom de man verzoekt, is op grond van het vorenstaande niet aan de orde.

4.8. De tweede grief heeft de strekking te betogen dat de vrouw verdergaande mate dan thans het geval is in eigen levensonderhoud kan voorzien. De vrouw bestrijdt dit.

4.9. De vrouw werkt part time in loondienst. Het was haar bedoeling dat zij daarnaast inkomsten zou hebben als zelfstandige (voetreflextherapeut; reiki-master; stresstherepeut). Volgens de vrouw heeft zij uit die activiteiten echter geen inkomsten. Partijen zijn er in deze procedure evenals de rechtbank echter van uit gegaan dat op de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw in mindering komen de inkomsten die de vrouw bij een full time dienstverband in haar huidige functie zou kunnen verwerven, te weten € 24.373,--bruto per jaar.

De man verlangt thans van de vrouw dat zij naast die (deels fictieve) inkomsten nog inkomsten zal verwerven als zelfstandige.

Daar maakt de vrouw naar het oordeel van het hof terecht bezwaar tegen. Niet in te zien valt waarom de vrouw naast inkomsten uit een door beide partijen aangenomen full time dienstverband met daarbij behorend salaris van € 24.373,-- per jaar nog inkomsten als zelfstandige zou moeten verwerven.

De man heeft naar het oordeel van het hof bovendien niet aannemelijk gemaakt en ook anderszins is niet aannemelijk geworden dat de vrouw over hogere totale inkomsten dan tot voormeld beloop kan beschikken als zij naast haar feitelijke inkomsten uit een part time dienstverband inkomsten als zelfstandige zou hebben uit de al eerder ter sprake gekomen activiteiten en/of als rouw- en verliesbegeleider, op welk gebied zij zich onlangs nog heeft bekwaamd, en/of anderszins.

4.10. Ook de tweede grief kan gaat dus niet op.

Draagkracht

4.10. Zijn draagkracht tot betaling van de bij de bestreden beschikking met ingang van 1 maart 2008 nader vastgestelde partneralimentatie van € 2.215,-- heeft de man niet ter discussie gesteld.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 29 september 2008.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Smeenk-Van der Weijden, Koens en Schaafsma-Beversluis en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2009.