Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ5960

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-07-2009
Datum publicatie
25-08-2009
Zaaknummer
08/00398
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende woont sinds 1993 in Nederland en heeft tot 1996 in Duitsland in loondienst gewerkt. In 2003 ontving belanghebbende AOW en ontving hij uit Duitsland ‘Altersrente’ en ‘Betriebsrente’. In geschil is of en tot welk bedrag Nederland premie volksverzekeringen mag heffen.

Het hof volgt de rechtbank (NTFR 2008/1017) in zijn beslissing dat geen enkele bepaling van Vo. 1408/71 Nederland verbiedt premie volksverzekeringen te berekenen over het wereldinkomen. Belanghebbende moet over zijn gehele wereldinkomen sociale verzekeringspremies betalen, maar die mogen niet hoger zijn dan de aan belanghebbende uitbetaalde AOW-uitkering. De stelling van de inspecteur dat art. 33 van de Vo. niet aan de orde kan komen omdat art. 13, dat geen plafond kent, daarop voorgaat, wordt door het hof verworpen, nu art. 33 onder titel III van de Vo. valt welke strekt tot het geven van bijzondere bepalingen. De artikelen onder deze titel gelden dan ook voor de gehele Vo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009, 1903 met annotatie van Fijen
FutD 2009-1802
V-N 2009/58.20

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Tweede meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 08/00398

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst P/kantoor Z

hierna: de Inspecteur,

en het incidenteel hoger beroep van

X te Y

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 15 april 2008, nummer AWB 06/743, in het geding tussen

belanghebbende

en

de Inspecteur,

betreffende de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2003.

Onderzoek ter zitting

De zitting heeft plaatsgehad op 26 juni 2009 te

's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer A, accountant en belastingadviseur te Q, als gemachtigde van belanghebbende, vergezeld door de heer B, alsmede de Inspecteur.

Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 10 juli 2009, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep ongegrond;

- verklaart het incidenteel hoger beroep van belanghebbende gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten;

- vermindert de in de aanslag begrepen premie AWBZ tot een bedrag van € 421;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.610;

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden; en

- bepaalt dat door tussenkomst van de griffier van de Staat ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht wordt geheven van € 447.

Gronden

Ten aanzien van het geschil

1. Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank een juiste beslissing genomen, met dien verstande dat de Rechtbank in de laatste twee zinnen van onderdeel 4.8 de verkeerde conclusie trekt. Het Hof verwijst voor dat laatste naar onderdeel 4 van deze uitspraak.

Ter motivering overweegt het Hof het volgende:

2.1. Op 18 juli 2006 heeft het Europese Hof van Justitie (hierna: het HvJ EG) arrest gewezen in de zaak Nikula

(C-50/05) en daarin voor recht verklaard, dat artikel 33 van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 (hierna: de Verordening) zich er niet tegen verzet, dat de bevoegde autoriteiten van de Lidstaat, die op grond van artikel 27 van de Verordening verantwoordelijk is voor de aan een gepensioneerde verleende prestaties bij ziekte, bij de berekening van het bedrag van de ziekteverzekeringspremies ook rekening houdt met pensioenen, die door organen van andere Lidstaten worden uitgekeerd. Het HvJ EG heeft echter gestipuleerd, dat de aldus berekende premies niet hoger mogen zijn dan het bedrag, dat het betrokken orgaan (van de Lidstaat) aan de betrokkene uitbetaalt. Het HvJ EG leidt dit in overweging 32 in de eerste plaats af uit de letterlijke bewoordingen van artikel 33 van de Verordening.

2.2. Het arrest Nikula verwijst ter verdere motivering naar het arrest van het HvJ EG van 10 mei 2001 (zaak C-389/99, Rundgren). Daarin is, naar belanghebbende terecht heeft gesteld, beslist dat artikel 33 van de Verordening de Lidstaat, die financieel verantwoordelijk is voor prestaties bij ziekte voor een gepensioneerde, die meerdere pensioenen ontvangt, alleen toestaat premies te heffen, wanneer die Lidstaat de betrokkene inderdaad een pensioen uitbetaalt. Daarin lag, naar belanghebbende naar het oordeel van het Hof terecht stelt, al besloten dat de som van premies niet hoger mag zijn dan het (staats)pensioen uitbetaald door dat (staats)orgaan.

3. Het HvJ EG voegt in de zaak Nikula toe dat er ingevolge artikel 39 van het EG Verdrag ook rekening moet worden gehouden met de in de jaren van werkzaamheid betaalde premies, maar belanghebbende heeft ter zitting verklaard, daarop vanwege bewijsproblemen geen beroep te doen en het verder te laten bij een verzoek om verlaging van de premie AWBZ tot

€ 421.

4. Belanghebbende geniet zowel een Nederlands (staats)pensioen (AOW) als buitenlandse pensioenen. Hij moet over zijn gehele (wereld)inkomen sociale verzekeringspremies betalen, maar die mogen, ook naar het oordeel van het Hof, niet hoger zijn dan het staatspensioen (de AOW), dat aan belanghebbende is uitbetaald. Het gelijkluidende oordeel van de Rechtbank is in zoverre juist. Die premies omvatten, naar belanghebbende en de Inspecteur terecht stellen, echter zowel de AWBZ als de premie ZFW. De Rechtbank heeft de premie ZFW niet 'meegenomen'.

In zoverre is het oordeel van de Rechtbank in onderdeel 4.8 van haar uitspraak niet juist.

Het Hof is met partijen van oordeel dat toepassing van het arrest in de zaak Nikula dan meebrengt dat de premie AWBZ in het onderhavige jaar moet worden teruggebracht tot € 421.

De eindbeslissing in deze zaak vloeit naar het oordeel van het Hof voort uit de jurisprudentie van het HvJ EG omtrent artikel 33 van de Verordening.

5.1. De Inspecteur stelt echter zich primair op het standpunt dat (de jurisprudentie met betrekking tot) artikel 33 van de Verordening niet aan de orde kan komen, omdat artikel 13 van de Verordening daarop voorgaat. Zijn belang bij dit standpunt is dat artikel 13 geen plafond kent.

Naar het oordeel van het Hof vindt dit primaire standpunt geen steun in het recht.

5.2. Het Hof wijst in dit verband op het volgende:

Artikel 13 van de Verordening is onderdeel van titel II van de Verordening en beperkt zich blijkens de duidelijke tekst van die titel tot de aanwijzing van de toepasselijke wetgeving.

Artikel 27 van de Verordening is met artikel 33 van de Verordening onderdeel van titel III van de Verordening en beperkt zich blijkens de duidelijke tekst van die titel tot het geven van bijzondere bepalingen.

Artikel 27 van de Verordening bepaalt in het bijzonder dat het woonland aan bepaalde pensioentrekkenden in bepaalde gevallen de prestaties moet leveren en artikel 33 van de Verordening bepaalt in het bijzonder dat het woonland dan de premies door inhouding mag heffen.

De bewoordingen van de titels zijn evenals de bewoordingen van artikel 33 duidelijk en bieden evenmin steun voor het primaire standpunt van de Inspecteur, dat artikel 13 en titel II van de Verordening elkaar uitsluiten. Daarom volgt het Hof de Inspecteur niet in zijn primaire stelling.

5.3. Terecht wijst belanghebbende er voorts op, dat artikel 3 van de Verordening gelijke behandeling eist "behoudens bijzondere bepalingen van deze verordening". Daarmee kunnen, naar belanghebbende terecht aangeeft, in dit geval slechts de artikelen 27 en volgende van de Verordening zijn bedoeld, nu zij onder "Titel III. Bijzondere bepalingen (...)" in de Verordening zijn opgenomen. Die artikelen 27 en volgende gelden dan, naar belanghebbende terecht verdedigt, voor de hele Verordening. Ook daarom volgt het Hof de Inspecteur niet in zijn primaire standpunt.

5.4. Toegegeven kan slechts worden dat artikel 33 van de Verordening slechts rept over inhouding en premies inhouden iets anders is dan premies bij aanslag heffen, maar naar het oordeel van het Hof mag het oordeel niet anders luiden, wanneer zoals in Nederland, premie niet alleen door inhouding, maar ook bij aanslag kan worden geheven.

6. De Inspecteur stelt zich subsidiair op het standpunt dat het plafond, wanneer dat naar het oordeel van het Hof voor wettelijke of staatspensioenen geldt, niet geldt voor andere pensioenen, zoals bedrijfspensioenen.

Het Hof verwijst hier in de eerste plaats naar onderdeel 2 van deze uitspraak.

Naar het oordeel van het Hof verzet de nadrukkelijke verwijzing door het HvJ EG in de zaak Nikula naar het arrest Rundgren zich tegen dit standpunt. In het arrest Rundgren is naar het oordeel van het Hof duidelijk beslist dat een Lidstaat helemaal geen premies mag heffen wanneer zij zelf geen pensioen uitbetaalt. Het standpunt van de Inspecteur is daarmee niet te rijmen.

7. Gelet op het vooroverwogene is het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond en het incidenteel hoger beroep van belanghebbende gegrond.

Partijen zijn het er voor dat geval over eens, dat Nederland zich moet beperken tot de heffing van een premie AWBZ van

€ 421.

Ten aanzien van de proceskosten en het griffierecht

1. Het Hof vindt aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht op 2,5 (punten) x € 322 (waarde per punt) x 2 (factor gewicht van de zaak), is € 1.610.

2. Nu het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep ongegrond wordt verklaard, wordt ter zake van het door hem ingestelde hoger beroep een griffierecht geheven van € 447.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus gedaan door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, J. Swinkels en V.M. van Daalen-Mannaerts, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2009.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 13 juli 2009

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH

's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht.

d. de gronden van het beroep in cassatie

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.