Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ5828

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-07-2009
Datum publicatie
24-08-2009
Zaaknummer
07/00378
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende was verplicht tot het doen van "Verfijnde aangifte Minas 2002", diende weliswaar een aangiftebiljet in maar vulde niets in. De Inspecteur heeft een naheffingsaanslag opgelegd, maar deze na de zitting voor het Hof verminderd tot nihil. Hoewel belanghebbende inziet dat daarmee zijn financiële belang aan de procedure is ontvallen, wenst hij toch een uitspraak waarin het Hof de misstanden rond de Minaswetgeving constateert en deze veroordeelt , mede op grond van het bepaalde in het EVRM. Dit doet het Hof niet, belanghebbende heeft geen procesbelang meer en het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/61.36 met annotatie van Redactie
FutD 2009-1809
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK

GERECHTSHOF 'S-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Eerste meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 07/00378

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X, wonende te Y

hierna: belanghebbende

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 28 juni 2007, nummer AWB 06/4261 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de Inspecteur van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Dienst Regelingen te Assen (hierna: de Inspecteur), betreffende de hierna te noemen naheffingsaanslagen.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Met dagtekening 16 juni 2005 is aan belanghebbende over het jaar 2002 een naheffingsaanslag fosfaatheffing ten bedrage van € 10.494, zonder boete, opgelegd. Tevens is met die datum aan belanghebbende over het jaar 2002 een naheffingsaanslag in de stikstofheffing ten bedrage van € 5.030, eveneens zonder boete, opgelegd. Op het tegen beide naheffingsaanslagen ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken van 9 augustus 2006 het bezwaar ongegrond verklaard en de naheffingsaanslagen gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 38.

De Rechtbank heeft het met betrekking tot beide genoemde naheffingsaanslagen ingediende beroep, aldaar bekend onder nummer AWB 06/4261, bij mondelinge uitspraak van 28 juni 2007, op 3 juli 2007 in afschrift aan partijen verzonden, ongegrond verklaard.

1.3. Tegen de uitspraak van de Rechtbank heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van het Hof van belanghebbende een griffierecht geheven van € 106. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5. Het onderzoek ter zitting van het Hof heeft plaatsgehad op 26 maart 2009 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.6. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.7. Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het Hof partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of onder hen berustende stukken in te zenden, aan welk verzoek zij hebben voldaan.

1.8. Met toestemming van partijen heeft het Hof bepaald dat de nadere zitting achterwege blijft. Het Hof heeft vervolgens bij op 8 juni 2009 verzonden brief aan partijen bericht dat het onderzoek is gesloten en dat het Hof schriftelijk uitspraak zal doen op 10 juli 2009.

2. Feiten.

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende is op 27 november 2002 uitgenodigd tot het doen van de "Verfijnde aangifte Minas 2002". Belanghebbende heeft het aangiftebiljet ingediend, maar niet ingevuld. Na controle heeft de Inspecteur aan belanghebbende de thans door hem bestreden naheffingsaanslagen opgelegd, welke na bezwaar zijn gehandhaafd.

2.2. De Inspecteur heeft in zijn brief d.d. 8 april 2009, welke brief door de griffier op 10 april 2009 voor reactie naar belanghebbende is verzonden, aan het Hof bericht dat hij naar aanleiding van het onderzoek ter zitting van het Hof - onder meer - de onderhavige naheffingsaanslagen alsnog naar nihil heeft verminderd en dat hij belanghebbende daarvan bij brief van gelijke datum, waarvan door hem een kopie is overgelegd, op de hoogte heeft gesteld.

2.3. Belanghebbende heeft hierop bij brief van 1 mei 2009 gereageerd.

Geschil, alsmede standpunten van partijen

3.1. In geschil is onder meer de ontvankelijkheid van het hoger beroep.

Omdat het Hof aangaande dit geschilpunt zal overwegen en beslissen in voege als hierna sub 4 casu quo 5 zal volgen, is een omschrijving van de overige geschilpunten en de standpunten van partijen daaromtrent in casu niet noodzakelijk.

3.2. Standpunten van partijen, zakelijk weergegeven.

Belanghebbende:

Het procesbelang van belanghebbende lijkt door de vermindering van de aanslagen naar nihil te zijn ontvallen. Echter, belanghebbende heeft duidelijk aangegeven dat zijn procesbelang niet alleen lag bij het bestrijden van de heffing, maar ook bij het aan de kaak stellen van misstanden binnen de minaswetgeving. Ik verzoek het Hof dan ook om die wetgeving te toetsen aan het EVRM.

De Inspecteur:

De thans in geschil zijnde naheffingsaanslagen zijn door mij inmiddels ambtshalve verminderd naar nihil. Voor wat betreft de door het Hof ter zake te nemen beslissing, refereer ik me aan het oordeel van Hof.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Bij zijn onder 2.2 vermelde brief heeft de Inspecteur meegedeeld dat besloten is de onderhavige (twee) naheffingsaanslagen ambtshalve te verminderen tot nihil.

4.2. Gelet op dit besluit van de Inspecteur kan een uitspraak op zijn hoger beroep bij het Hof belanghebbende niet in een gunstiger positie brengen dan waarin hij door dat besluit is komen te verkeren. Nu belanghebbende bijgevolg geen belang meer heeft bij een uitspraak op zijn hoger beroep zal het Hof dit beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4.3. Aan hetgeen belanghebbende meer en overigens heeft gesteld, komt het Hof dan ook niet toe.

Ten aanzien van het griffierecht

Het Hof acht termen aanwezig te bepalen dat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht wordt vergoed.

Ten aanzien van de proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Belanghebbende heeft ter zitting immers aangegeven dat de onderhavige procedure voortvloeit uit het feit dat hij principieel tegenstander is van de Minas-wetgeving wegens in zijn visie aanwezige fouten in het systeem van Minas. Vanuit deze opstelling heeft belanghebbende geweigerd de aangifte Minas in te vullen en heeft hij de aangifte ondertekend, doch oningevuld retour gezonden aan de Inspecteur. Het feitelijk gebruik van de tot zijn bedrijf behorende landbouwgrond was de Inspecteur deswege onbekend en heeft geleid tot de thans voorliggende, inmiddels herroepen, naheffingsaanslagen. Nadat belanghebbende, desgevraagd door het Hof, voor het eerst ter zitting inzicht heeft gegeven in het feitelijk gebruik van de tot zijn bedrijf behorende landbouwgrond, is de Inspecteur tot de conclusie gekomen dat de naheffingsaanslagen ten onrechte zijn opgelegd en heeft hij de aanslagen verminderd tot nihil. Naar het Hof ter zitting van de Inspecteur heeft begrepen, zouden de naheffingsaanslagen niet zijn opgelegd indien belanghebbende (een ingevulde) aangifte Minas had gedaan. Het Hof acht deze verklaring geloofwaardig. Onder deze omstandigheden zijn de bestreden besluiten niet herroepen wegens een aan de Inspecteur toe te rekenen onrechtmatigheid.

5. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

- gelast dat de Staat aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 144 vergoedt.

Aldus gedaan op 10 juli 2009 door J.W.J. Huige, als voorzitter, W.E.M. van Nispen tot Sevenaer en J.G. Verseput, als leden, in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.