Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ5662

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-08-2009
Datum publicatie
20-08-2009
Zaaknummer
20-003778-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtsbijstand bij politieverhoor. Het hof honeert een beroep op het Salduz arrest van het EHRM van 27 november 2008 niet. Het hof overweegt hiertoe dat nu verdachte in casu in het kader van een andere strafzaak was aangehouden en die aanhouding volgens zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep kennelijk was beëindigd en verdachte in de onderhavige zaak niet door de politie is aangehouden, de politie door vóór de aanvang van het verhoor verdachte niet te wijzen op zijn recht op raadpleging van een advocaat naar ’s hofs oordeel niet heeft gehandeld in strijd met artikel 6 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-003778-08

Uitspraak : 19 augustus 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 3 oktober 2008 in de strafzaak met parketnummer 01/821134-08 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1982],

wonende te [woonplaats], [adres],

waarbij verdachte ter zake van “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod” werd veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met een proeftijd voor de duur van 2 jaren, en een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis, met uitzondering van de opgelegde straf, zal bevestigen en in zoverre opnieuw rechtdoende verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week, met een proeftijd voor de duur van 2 jaren, en een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 50 uren subsidiair

25 dagen hechtenis, zal opleggen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 09 juli 2007 te Helmond opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3,6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 09 juli 2007 te Helmond opzettelijk aanwezig heeft gehad 3,6 gram cocaïne, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna genoemde bewijsmiddelen (de vindplaatsen zijn genoemd in de voetnoten), in onderlinge samenhang beschouwd.

1.

Het door [verbalisant 1], hoofdagent van regiopolitie Brabant Zuid-Oost, en [verbalisant 2], hoofdagent van regiopolitie Brabant Zuid-Oost, opgemaakte proces-verbaal van bevindingen , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 9 juli 2007 werden wij verzocht te gaan naar de [adres] te Helmond. Ter plaatse zagen wij een jongeman die zei [naam verdachte] te heten, wonende aan de Dircxken van Meghenstraat te Helmond [het hof: zijnde verdachte]. Wij zagen dat hij een diepe vleeswond had op zijn linkerwang, waarvan het bloed doorliep tot aan zijn linkeroor. Ten behoeve van medische gegevens hebben wij contact gelegd met de moeder van het slachtoffer. Ik, verbalisant [verbalisant 1], hoorde dat de moeder vertelde dat haar zoon een vriendin had, wonende op de [adres] te Helmond en dat hij de afgelopen nacht niet thuis was geweest. Wij zijn naar de [adres] te Helmond gegaan. Op ons aanbellen werd niet opengedaan. Hierop zijn we door de brandgang links van de woning gelopen. De tuindeur bleek onafgesloten te zijn. Op het erf zagen wij een bromfiets staan, die op naam van de moeder van het slachtoffer bleek te staan. Vervolgens hebben we zonder effect enkele malen op de achterdeur geklopt. Bij controle bleek ook deze niet te zijn afgesloten. Bij het openen van deze deur zagen we op het achter deze deur aanwezige vliegengordijn op borsthoogte enkele bloedsporen. Hierop hebben we op grond van artikel 2 van de Politiewet het pand betreden en alle ruimtes bekeken. We hebben niemand in de woning aangetroffen. Bij binnenkomst zagen we in de keuken voor de deurpost van de woonkamer een hoeveelheid bloed op de grond liggen. Tevens zagen wij delen van schoenafdrukken/voetafdrukken afgegeven met bloed op de woonkamervloer. Ook zagen wij dat op één van de twee zitbanken in de huiskamer bloed zat.

Bij het verder bekijken van de woning naar mogelijke slachtoffers, zagen wij op de kinderkamer op de eerste verdieping in een boekenrek een hoeveelheid wit poeder liggen in een plastic zak. Naast deze zak lag een kleine hoeveelheid in de vorm van een lijntje op een doosje. Hierbij lag een bankpas waarvan de zijkant bevuild was met resten van dit poeder. Tevens zagen wij op dezelfde plank van deze boekenkast rechts eveneens een kleine hoeveelheid van ditzelfde poeder liggen.

2.

Het door [verbalisant 5], hoofdagent van regiopolitie Brabant Zuid-Oost, opgemaakte proces-verbaal , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 9 juli 2007 werd de woning [het hof begrijpt: aan de [adres] te Helmond] op grond van artikel 2 van de Politiewet betreden door verbalisant

[verbalisant 1] en verbalisant [verbalisant 2]. Door de genoemde verbalisanten werd in de woning rondgekeken, inzake een mogelijke mishandeling die zou hebben plaatsgevonden in die woning. Op de eerste etage werd door de verbalisanten op een kinderkamer in een boekenrek een plastic zak aangetroffen, lijkende op een boterhamzak. In deze zak zagen de verbalisanten een op cocaïne gelijkende stof zitten. Deze plastic zak, plus inhoud, werd op grond van de Opiumwet inbeslaggenomen voor verder onderzoek. Door surveillant van politie [verbalisant 4] is hiervan een kennisgeving van inbeslagname gemaakt. De vermoedelijke cocaïne is vervolgens overgedragen aan de Gemeenschappelijke [het hof begrijpt: Gezamenlijke] Recherche voor verder onderzoek. De vermoedelijke cocaïne is door hoofdagent [verbalisant 3] getest.

3.

Een, in verband met de overige bewijsmiddelen, gebezigd schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5º van het Wetboek van Strafvordering, te weten een door [verbalisant 4], surveillant van regiopolitie Brabant Zuid-Oost, opgemaakte kennisgeving van inbeslagneming d.d. 10 juli 2007 , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Verdachte : [naam verdachte]

Wonende te : [adres] te Helmond

Soort : Cocaïne

Kleur : wit

4.

Het door [verbalisant 3], hoofdagent van regiopolitie Brabant Zuid-Oost, aandachtsvelder/taakvelder verdovende middelen van de Gezamenlijke Recherche Peelland, opgemaakte proces-verbaal van technisch onderzoek , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 10 juli 2007 werden door mij de inbeslaggenomen middelen onderzocht.

De inbeslaggenomen middelen bestonden uit: Een pastic boterhamzakje met daarin netto 3,6 gram wit korrelig poeder.

Ik zag de kristallen bij de Cocaïnetest veranderen in de kleur blauw. Naar aanleiding van deze kleurverandering kan worden geconcludeerd dat de witte substantie vermoedelijk cocaïne bevat. Cocaïne is een stof die vermeld staat op lijst I behorende bij de Opiumwet.

5.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

U vertelt mij dat nadat ik [het hof begrijpt: op 9 juli 2007] was aangetroffen met een wond in mijn wang, er door de politie in de woning aan de [adres] te Helmond op de eerste etage 3,6 gram cocaïne is gevonden.

Dat is mijn cocaïne. Dit was voor eigen gebruik.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

I.

Van de zijde van verdachte is aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde, nu de politie de woning aan de [adres] te Helmond ongeoorloofd heeft doorzocht, waardoor de hieruit voortvloeiende bewijsmiddelen onrechtmatig zijn verkregen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Nog daargelaten de vraag of verdachte is getroffen in een belang dat de -volgens de verdediging geschonden- rechtsnorm beoogt te beschermen, overweegt het hof het navolgende.

Op basis van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof vast dat de verbalisanten in casu - gelet op artikel 2, derde lid, van de Algemene wet op het binnentreden - op grond van artikel 2 van de Politiewet 1993 bevoegd waren de woning aan de [adres] te Helmond zonder machtiging binnen te betreden. Immers op grond van de op dat moment beschikbare informatie en de aangetroffen omstandigheden, konden en mochten de verbalisanten ervan uitgaan dat dit onmiddellijk optreden geboden was ter voorkoming of bestrijding van ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen

Anders dan door de raadsman van verdachte is betoogd, is - mede gelet op de omstandigheid dat de plastic zak met cocaïne bij het binnentreden van de desbetreffende kamer op de eerste etage van voornoemde woning direct zichtbaar was - naar ’s hofs oordeel van een doorzoeking geen sprake geweest. Het hof verwerpt mitsdien het verweer.

II.

Van de zijde van verdachte is voorts aangevoerd dat de door verdachte op 29 september 2007 tegenover de politie afgelegde verklaring niet tot het bewijs mag worden gebezigd, nu niet is gebleken dat de verdachte vóór de aanvang van dat verhoor is gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat, waardoor verdachte - die ter terechtzitting in hoger beroep heeft ontkend dat de onderhavige aangetroffen cocaïne zijn eigendom was - bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

De Hoge Raad heeft uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens afgeleid, dat een door de politie aangehouden verdachte aan artikel 6 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens [hierna te noemen: EVRM] een aanspraak op rechtsbijstand kan ontlenen die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen. Nu verdachte in het kader van een andere strafzaak was aangehouden en die aanhouding volgens zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep kennelijk was beëindigd en verdachte in de onderhavige zaak niet door de politie is aangehouden, heeft de politie door vóór de aanvang van het verhoor verdachte niet te wijzen op zijn recht op raadpleging van een advocaat naar ’s hofs oordeel niet gehandeld in strijd met artikel 6 EVRM. Het hof verwerpt het verweer.

III.

Van de zijde van verdachte is verder aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de door verbalisant [verbalisant 3] geteste hoeveelheid cocaïne, de cocaïne betrof die op 9 juli 2007 in de woning aan de [adres] te Helmond is aangetroffen.

Het hof overweegt hieromtrent het navolgende.

Naar het oordeel van het hof wordt deze stelling van de verdediging weersproken door de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien. Het hof verwerpt ook dit verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 2 aanhef en onder C van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 10, derde lid, van die wet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het hof oplegging van een taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur passend en geboden.

Het hof heeft bij de straftoemeting rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, alsmede met de omstandigheid dat verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 3 juli 2009 eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.

In strafmatigende zin heeft het hof rekening gehouden met de geringe hoeveelheid aangetroffen cocaïne en de omstandigheid dat de cocaïne, blijkens de verklaring van verdachte tegenover de politie, voor eigen gebruik was bestemd.

Het hof komt op grond van voormelde overwegingen tot een oplegging van een straf die lager is dan datgene dat door de advocaat-generaal is gevorderd.

Het hof acht de hierna op te leggen straf, zowel wat betreft strafsoort als strafmaat, het meest passend bij de persoon van de verdachte en de ernst van en omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde feit is gepleegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van

20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door mr. J.M.W.M. van den Elzen, voorzitter, mr. M.J.H.J. de Vries - Leemans en mr. H.P. Vonhögen,

in tegenwoordigheid van mr. T. Tanghe en S. Buisman LLB, griffiers,

en op 19 augustus 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. H.P. Vonhögen en S. Buisman LLB zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.