Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ4646

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-07-2009
Datum publicatie
07-08-2009
Zaaknummer
HD 200.002.458
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dat dit in het onderhavige geval moet leiden tot het - buiten de grenzen van de rechtsstrijd - ambtshalve vernietigen van het beroepen verzetvonnis van 14 november 2007 en het alsnog niet-ontvankelijk verklaren van het verzet, lijkt afgeleid te moeten worden uit het arrest van de Hoge Raad van 18 september 1969, NJ 1970, 10, LJN AC4950.

In die zaak werd tegen een door de rechtbank op een verzoekschrift gegeven beschikking verzet ingesteld, waarna de rechtbank bij beschikking op het verzet haar eerste (verstek)beschikking bekrachtigde. Op hoger beroep van de gerekwestreerden heeft het hof de beide beschikkingen van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de gerekwestreerden verklaard tot goed opposanten en verzoekers alsnog niet-ontvankelijk verklaard in hun oorspronkelijke verzoek, op de grond dat zij daartoe niet de verzoekschriftprocedure maar de dagvaardingsprocedure hadden moeten volgen.

In cassatie werd door de oorspronkelijke verzoekers aangevoerd dat het hof in hoger beroep ambtshalve had moeten vaststellen dat verzet tegen de eerste (verstek)beschikking niet-ontvankelijk was omdat verzet tegen beschikkingen niet mogelijk is. De Hoge Raad heeft deze cassatieklacht gehonoreerd en, zelf ten principale rechtdoende, de beschikking op het verzet vernietigd en gerekwestreerden alsnog niet-ontvankelijk verklaard in hun verzet tegen de eerste (verstek)beschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknr. HD 200.002.458

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

vierde kamer, van 14 juli 2009,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [plaats],

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant],

advocaat: mr. F.J.G. Tilman,

tegen:

[GEINTIMEERDE],

wonende te [plaats],

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde],

advocaat: mr. J. Quakkelaar,

op het bij exploot van dagvaarding van 7 februari 2008 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van de rechtbank Roermond van 27 juni 2007 en 14 november 2007, gewezen tussen [appellant] als eiser in verzet en [geïntimeerde] als gedaagde in verzet.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 77713/HA ZA 07-51)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen. Deze vonnissen zijn gewezen in een verzetprocedure.

Aan deze verzetprocedure is een verstekprocedure vooraf gegaan, waarin de rechtbank Roermond op 27 september 2006 onder zaaknummer 75572/HA ZA 06-659 vonnis heeft gewezen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellant] dertien producties overgelegd, zeven grieven aangevoerd tegen de beroepen vonnissen en geconcludeerd tot vernietiging van die vonnissen en van het in de verstekprocecure gewezen vonnis van 27 september 2006 en tot - kort gezegd - het alsnog afwijzen van de vordering van [geïntimeerde].

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden en geconcludeerd tot, kort gezegd, bekrachtiging van de beroepen vonnissen.

2.3. Op verzoek van [appellant] hebben de partijen ter zitting van 7 mei 2009 hun standpunten doen bepleiten door hun advocaten, waarbij de advocaat van [appellant] gebruik heeft gemaakt van een overgelegde pleitnota.

2.4. Na afloop van het pleidooi hebben de partijen uitspraak gevraagd en toegezegd de gedingstukken daartoe te zullen nazenden.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de exacte inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

In de avond of nacht van 5 op 6 juli 1996 zijn [appellant] en [geïntimeerde] in een café betrokken geweest bij een incident, waarbij [geïntimeerde] (een onderdeel van) een bierglas in zijn rechteroog heeft gekregen. Hierdoor is blijvend letsel ontstaan aan het rechteroog van [geïntimeerde].

[geïntimeerde] is geboren op 26 oktober 1971.

[geïntimeerde] heeft [appellant] gedagvaard voor de rechtbank Roermond en (volgens het na te melden verstekvonnis van 28 september 2000) gevorderd, kort gezegd:

een verklaring voor recht dat [appellant] jegens [geïntimeerde] een onrechtmatige daad heeft gepleegd wegens het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel;

een verklaring voor recht dat [appellant] gehouden is om de schade te vergoeden die daardoor aan [geïntimeerde] is toegebracht;

veroordeling van [appellant] tot betaling van de schade, op te maken bij staat, vermeerderd met rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

Bij verstekvonnis van 28 september 2000 (zaaknr. 40212/HA ZA 00-595) heeft de rechtbank, kort gezegd, deze vorderingen toegewezen.

Het verstekvonnis van 28 september 2000 is op 17 mei 2004 aan [appellant] in persoon betekend. [appellant] heeft geen rechtsmiddel tegen dit vonnis aangewend, zodat het vonnis kracht van gewijsde heeft gekregen.

4.2.1. De in het onderhavige hoger beroep bestreden vonnissen van 27 juni 2007 en 14 november 2007 zijn gewezen in een verzetprocedure.

4.2.2. In de aan deze verzetprocedure voorafgaande verstekprocedure vorderde [geïntimeerde] - kort gezegd - veroordeling van [appellant] tot betaling van € 353.804,68 vermeerderd met rente en kosten. [geïntimeerde] heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat hij tot dit bedrag schade heeft geleden als gevolg van het hem op 5/6 juli 1996 toegebrachte oogletsel.

4.2.3. Bij verstekvonnis van 27 september 2006 heeft de rechtbank Roermond, kort gezegd, deze vordering toegewezen.

4.3.1. In de onderhavige verzetprocedure vordert [appellant] ontheffing van die veroordeling en het alsnog afwijzen van de vordering van [geïntimeerde], althans tot toewijzing van die vordering tot een lager bedrag.

4.3.2. Bij het beroepen tussenvonnis van 27 juni 2007 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast.

4.3.3. Bij het beroepen eindvonnis van 14 november 2007 heeft de rechtbank het verstekvonnis van 27 september 2006 bekrachtigd, met veroordeling van [appellant] in de kosten van de verzetprocedure.

Ontvankelijkheid verzet

4.4.1. Alvorens in te gaan op de door [appellant] aangevoerde grieven, overweegt het hof het volgende.

Volgens het op blz. 3 van de memorie van antwoord gegeven overzicht van processtukken is het verstekvonnis van

27 september 2006 op vrijdag 8 december 2006 aan [appellant] in persoon betekend. Ingevolge artikel 143 lid 2 Rv moet het verzet worden gedaan bij exploot van dagvaarding binnen vier weken na de betekening van het vonnis aan de veroordeelde in persoon. Het verzet had dus - indien betekening in persoon inderdaad op vrijdag 8 december 2006 heeft plaatsgevonden - uiterlijk bij dagvaarding van vrijdag 5 januari 2007 moeten worden ingesteld. Die dag is niet bij Koninklijk Besluit met een algemeen erkende feestdag gelijk gesteld. De verzetdagvaarding dateert echter van maandag 8 januari 2007. Het verzet is dus kennelijk te laat ingesteld.

4.4.2. Het hof ziet zich geplaatst voor de vraag welke gevolgen aan deze termijnoverschrijding moeten worden verbonden. Daarbij is van belang dat [geïntimeerde] in hoger beroep niet, al dan niet bij wege van incidenteel appel, heeft aangevoerd dat de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk had moeten verklaren.

4.4.3. Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

De appelrechter mag in beginsel alleen oordelen over de grieven en, indien een of meer grieven doel treffen, over geschilpunten binnen het door de devolutieve werking van het appel ontsloten gebied. Deze regel wordt echter doorbroken indien het beroepen vonnis in strijd is met voorschriften van openbare orde. Het is heersende leer dat de appelrechter een aan hem ter beoordeling voorgelegd vonnis moet vernietigen indien het vonnis in strijd is met voorschriften van openbare orde, ook indien deze strijd met de openbare orde niet door partijen aan de orde is gesteld en de appelrechter daarmee dus buiten de rechtsstrijd van partijen treedt (zie onder meer F.J.H. Hovens, Het Civiele Hoger Beroep, proefschrift 2005, blz. 228-229; Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-Van Gent 4 2009, nr. 171 en 176; Snijders Wendels, Civiel Appel, 3e druk 2003, nr. 234).

4.4.4. Termijnen voor het aanwenden van rechtsmiddelen zijn naar vaste rechtspraak van openbare orde. Het gaat hier om voorschriften van processuele aard die niet ter vrije beschikking van partijen staan.

4.4.5. Dat dit in het onderhavige geval moet leiden tot het - buiten de grenzen van de rechtsstrijd - ambtshalve vernietigen van het beroepen verzetvonnis van 14 november 2007 en het alsnog niet-ontvankelijk verklaren van het verzet, lijkt afgeleid te moeten worden uit het arrest van de Hoge Raad van 18 september 1969, NJ 1970, 10, LJN AC4950.

In die zaak werd tegen een door de rechtbank op een verzoekschrift gegeven beschikking verzet ingesteld, waarna de rechtbank bij beschikking op het verzet haar eerste (verstek)beschikking bekrachtigde. Op hoger beroep van de gerekwestreerden heeft het hof de beide beschikkingen van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de gerekwestreerden verklaard tot goed opposanten en verzoekers alsnog niet-ontvankelijk verklaard in hun oorspronkelijke verzoek, op de grond dat zij daartoe niet de verzoekschriftprocedure maar de dagvaardingsprocedure hadden moeten volgen.

In cassatie werd door de oorspronkelijke verzoekers aangevoerd dat het hof in hoger beroep ambtshalve had moeten vaststellen dat verzet tegen de eerste (verstek)beschikking niet-ontvankelijk was omdat verzet tegen beschikkingen niet mogelijk is. De Hoge Raad heeft deze cassatieklacht gehonoreerd en, zelf ten principale rechtdoende, de beschikking op het verzet vernietigd en gerekwestreerden alsnog niet-ontvankelijk verklaard in hun verzet tegen de eerste (verstek)beschikking.

4.4.6. Uit dit arrest van de Hoge Raad leidt het hof voorshands af dat ook in het onderhavige geval het verzetvonnis van 14 november 2007, waarin het te laat ingestelde verzet ten onrechte ontvankelijk is geacht, ambtshalve moet worden vernietigd, gevolgd door het alsnog niet-ontvankelijk verklaren van het verzet.

Voor zover het door [appellant] ingestelde hoger beroep mede gericht is tegen het verstekvonnis van 27 september 2006 moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard omdat tegen dat verstekvonnis voor [appellant] geen hoger beroep maar uitsluitend verzet open stond en [appellant] bovendien het hoger beroep tegen dat vonnis te laat heeft ingesteld.

4.4.7. Het hof is zich ervan bewust dat het arrest van de Hoge Raad van 24 oktober 2003, LJN: AF7002, in een andere richting zou kunnen wijzen. In dat arrest overwoog de Hoge Raad:

"3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep Revabo heeft gevorderd dat Amev zou worden veroordeeld tot betaling aan haar van een bedrag van f 2799,41. Dit bedrag was lager dan de appelgrens van f 3500 die ingevolge art. 38 RO, zoals dat luidde van 1 januari 1999 tot 1 januari 2002, op het moment van dagvaarding in hoger beroep gold. Tegen het door de kantonrechter gewezen vonnis stond dus geen hoger beroep open, zodat de rechtbank Revabo in het door deze ingestelde appel ambtshalve niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De rechtbank heeft het beroep echter behandeld en daarop beslist. In haar vonnis ligt daarom besloten dat Revabo naar het oordeel van de rechtbank ontvankelijk is in haar beroep. Nu in cassatie door Amev niet is aangevoerd dat de rechtbank Revabo in dit hoger beroep ambtshalve niet-ontvankelijk had dienen te verklaren en de Hoge Raad niet bevoegd is het door de rechtbank gewezen vonnis ambtshalve te casseren, dient de ontvankelijkheid van het hoger beroep thans mede tot uitgangspunt, zodat Revabo in haar beroep kan worden ontvangen."

Deze beslissing van de Hoge Raad is echter - zoals de Hoge Raad zelf ook al aanstipt - ingegeven door het feit dat de cassatierechter veel beperkter mogelijkheden heeft voor het ambtshalve aanvullen van rechtsgronden dan de appelrechter. De Hoge Raad mag - ook ten aanzien van voorschriften van openbare orde - nagenoeg nooit buiten de cassatiemiddelen treden (zie artikel 419 lid 1 Rv en zie onder meer Snijders Wendels, Civiel Appel, 3e druk 2003, nr. 235 met verdere verwijzingen). Uit dit arrest is dus geenszins af te leiden dat het hof in de onderhavige zaak niet ambtshalve [appellant] niet-ontvankelijk zou moeten verklaren in het verzet.

4.4.8. Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen teneinde partijen, [geïntimeerde] als eerste, in de gelegenheid te stellen zich over het voorgaande uit te laten. [geïntimeerde] dient daarbij het - door hem in de memorie van antwoord genoemde - exploot van betekening in persoon van vrijdag 8 december 2006 over te leggen.

[appellant] mag daarna bij antwoordakte reageren op de ontvankelijkheidskwestie. Indien [appellant] meent dat de betekening in persoon op een andere, latere, datum heeft plaatsgevonden, dient hij daarvan een bewijsstuk over te leggen.

4.4.9. Het hof zal elk inhoudelijk oordeel over de zaak aanhouden.

5. De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 8 september 2009 voor een akte aan de zijde van [geïntimeerde] met de hiervoor in r.o. 4.4.8 aangegeven doeleinden;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Brandenburg, Keizer en Giesen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 juli 2009.