Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ3846

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-07-2009
Datum publicatie
28-07-2009
Zaaknummer
20-002938-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 285 Sr.

Voor bedreiging met één der in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht genoemde misdrijven is vereist dat de bedreiging is geschied onder zodanige omstandigheden dat bij het slachtoffer de redelijke vrees kon ontstaan dat aan de bedreiging uitvoering zou kunnen worden gegeven, dat het opzet van verdachte op het teweegbrengen van zulk een indruk was gericht en dat het slachtoffer van de bedreiging kennis heeft genomen.

Gelet op de aard en inhoud van de door verdachte terzake gebezigde bewoordingen en de omstandigheden waaronder deze zijn geuit, zoals van een en ander blijkt uit hetgeen daaromtrent uit de bewijsmiddelen naar voren komt, is het hof van oordeel dat aan genoemde vereisten is voldaan en dat hier geen sprake is van een uiting van woede welke uitsluitend vanwege de laakbare woordkeus wordt aangemerkt als bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht, waarop door de raadsman wordt gedoeld.

Het hof voegt daar nog aan toe dat verdachte, door de bewoordingen “Ik weet waar [aangever] woont en zal hem van zijn flat naar beneden gooien" te uiten tegenover een agent van politie, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze agent de heer [aangever] op de hoogte zou brengen van hetgeen verdachte had gezegd. Verdachtes opzet was er derhalve naar ’s hofs oordeel op gericht dat de genoemde bewoordingen de heer [aangever] zouden bereiken. Dat verdachte de bedreiging niet rechtstreeks tegen het slachtoffer heeft geuit, doet daaraan niet af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-002938-08

Uitspraak : 17 juli 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 4 augustus 2008 in de strafzaak met parketnummer 01-825140-07 tegen:

[VERDACHTE],

geboren te [plaats] op [datum,

wonende te [adres],

thans uit anderen hoofde verblijvende in P.I. Vught - Nieuw Vosseveld 2 HVB te Vught,

waarbij verdachte, ter zake van bedreiging, meermalen gepleegd, werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 maanden met aftrek van voorarrest.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal mr. C.J.P.M. Revis en van hetgeen door en namens de verdachte door mr. P.J.A. van de Laar, advocaat te Eindhoven, naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal bevestigen.

De verdediging heeft:

- ten aanzien van het ten laste gelegde vrijspraak bepleit;

- met betrekking tot een bij veroordeling op te leggen straf bepleit verdachte, onder verwijzing naar artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, geen straf of maatregel op te leggen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 maart 2007 tot en met 5 maart 2007 te Eindhoven [aangever] (telkens) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte (telefonisch) opzettelijk

- die [aangever] via een of meer ander(en) (verbalisant(en) van regiopolitie Brabant Zuid-Oost) een of meermalen dreigend de woorden toegevoegd: "ik weet waar [aangever] woont en zal hem van zijn flat naar beneden gooien", en/of (vervolgens)

- voornoemde [aangever] dreigend de woorden toegevoegd: "hoe zou jij het vinden als ik ineens naast jouw bed zou staan"

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. In deze weergave van de tenlastelegging zijn de door de eerste rechter aangebrachte verbeteringen begrepen. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak ten aanzien van het onder het tweede gedachtestreepje tenlastegelegde

Van de zijde van de verdachte is aangevoerd dat de gebezigde bewoordingen niet opleveren een bedreiging als ten laste gelegd.

Het hof volgt de verdediging in dit betoog. Gelet op de aard en inhoud van de tenlastegelegde mededeling ("Hoe zou jij het vinden als ik ineens naast jouw bed zou staan?") komt het hof niet tot een bewezenverklaring dat is bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling zoals is ten laste gelegd, zodat hij van dit onderdeel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder het eerste gedachtestreepje ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op een tijdstip gelegen in de periode van 1 maart 2007 tot en met 5 maart 2007 te Eindhoven [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk die [aangever] via een of meer anderen dreigend de woorden toegevoegd: "ik weet waar [aangever] woont en zal hem van zijn flat naar beneden gooien", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, (PV-nummer PL2208/07-025743) in wettelijke vorm opgemaakt te Eindhoven en op 2 maart 2007 ondertekend door [verbalisant 1], hoofdagent van politie, Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – in:

Op donderdag 1 maart 2007, omstreeks 19.00 uur, bevond ik, verbalisant, me op het politiebureau Eindhoven Tongelre, gelegen aan de Ruysdaelbaan 35. Ik, [verbalisant 1], hoorde dat [verdachte] zei: “Ik weet waar [aangever] woont en zal hem van zijn flat naar beneden gooien." Verder hoorde ik dat hij zei: “Als dit niet allemaal geregeld wordt, moeten jullie maar eens opletten wat er gaat gebeuren. Vanaf nu gaat het er anders aan toe.”

Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, (PV-nummer PL2233/07-026457) in wettelijke vorm opgemaakt te Eindhoven en op 6 maart 2007 ondertekend door [verbalisant 2], hoofdagent van politie, Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – in:

Naar aanleiding van de bedreiging van burgemeester [aangever] door verdachte [verdachte] heb ik, [verbalisant 2], een onderzoek ingesteld. In diverse bij het dossier 07-002457 gevoegde processen-verbaal van bevindingen, zijn uitspraken van verdachte [verdachte] opgenomen. Deze uitspraken, respectievelijk gedaan op donderdag 1 maart 2007 en vrijdag 2 maart 2007, bestonden uit de woorden: “Ik weet waar [aangever] woont en zal hem van zijn flat naar beneden gooien." en de uitspraak “Als dit niet allemaal geregeld wordt, moeten jullie maar eens opletten wat er gaat gebeuren. Vanaf nu gaat het er anders aan toe.” En daarnaast de uitspraak van verdachte [verdachte] op vrijdag 2 maart 2007, na een bezoek aan politiebureau Tongelre, dat hij nu naar de burgemeester zou gaan. Burgemeester [aangever] is door tussenkomst van politiechef [politiechef] op maandag 5 maart 2007 op de hoogte gebracht van voorstaande uitspraken van verdachte [verdachte].

Het ambtsedig proces-verbaal van aangifte van de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, (PV-nummer PL2204/07-026457) in wettelijke vorm opgemaakt te Eindhoven en op 28 november 2007 ondertekend door [verbalisant 3], hoofdagent van politie, Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – in als verklaring van aangever [aangever], domicilie kiezende te Eindhoven:

Door de officier van justitie wordt de vraag gesteld of ik op de hoogte was van de opmerking van verdachte [verdachte] welke zou luiden: “dat hij [aangever] nog wel eens van zijn flat zou gooien.” Hier kan ik het volgende op verklaren. Ik weet me nog te herinneren dat ik op vrijdag 2 maart 2007 door de heer [verdachte] op mijn (geheime) mobiele nummer ben gebeld. Ik heb op diezelfde dag aangifte van bedreiging gedaan na telefonisch contact met politiechef [politiechef]. Mij werd later verteld dat de heer [verdachte], bij zijn aanhouding zich naar de politieagenten in bedreigende zin had uitgelaten over mij. Hij zou toen gezegd hebben: “Ik gooi (of smijt) hem van zijn balkon.” Althans woorden van dergelijke strekking.

Het ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt op 3 juni 2008 door [verbalisant 4], rechter-commissaris in de rechtbank ‘s-Hertogenbosch, inhoudende – zakelijk weergegeven – de verklaring van [aangever], wonende te Eindhoven:

Ik heb later ook nog gehoord dat [verdachte] zich in de richting van de politie bedreigend over mij heeft uitgelaten, waarbij hij iets gezegd moet hebben als “Ik gooi [aangever] van zijn balkon.” U zult zich afvragen waarom ik mij zo bedreigd voelde. U moet weten dat we een hele geschiedenis achter de rug hebben met [verdachte].

Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 3 juli 2009, inhoudende – zakelijk weergegeven –:

Ik was op donderdag 1 maart 2007 op het politiebureau Eindhoven Tongelre. Ik heb toen daar gezegd dat ik [aangever] van zijn flat zou gooien.

Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, (PV-nummer PL2208/07-025743) in wettelijke vorm opgemaakt te Eindhoven en op 2 maart 2007 ondertekend door [verbalisant 5], hoofdagent van politie, en [verbalisant 6], brigadier van politie. Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – in:

Op vrijdag 2 maart 2007 waren wij, verbalisanten, aanwezig in het pand Cornelis Dopperstraat 19 te Eindhoven. Wij waren daar bij [verdachte]. In het gesprek tussen ons en [verdachte] hoorden wij dat [verdachte] tegen ons zei dat hij vanmiddag burgemeester [aangever] had gebeld op zijn privé-nummer en dat hij de burgemeester aan de lijn had gehad. Volgens [verdachte] en zijn familie is het geen kwestie meer tussen de familie [verdachte] en de gemeente, maar een persoonlijke kwestie tussen [verdachte] en burgemeester [aangever]. Volgens [verdachte] is het aan [aangever] te danken dat hij in deze situatie verzeild is geraakt.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Van de zijde van de verdachte is aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de bedreiging zoals ten laste gelegd onder het eerste gedachtestreepje, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt:

Voor bedreiging met één der in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht genoemde misdrijven is vereist dat de bedreiging is geschied onder zodanige omstandigheden dat bij het slachtoffer de redelijke vrees kon ontstaan dat aan de bedreiging uitvoering zou kunnen worden gegeven, dat het opzet van verdachte op het teweegbrengen van zulk een indruk was gericht en dat het slachtoffer van de bedreiging kennis heeft genomen.

Gelet op de aard en inhoud van de door verdachte terzake gebezigde bewoordingen en de omstandigheden waaronder deze zijn geuit, zoals van een en ander blijkt uit hetgeen daaromtrent uit de bewijsmiddelen naar voren komt, is het hof van oordeel dat aan genoemde vereisten is voldaan en dat hier geen sprake is van een uiting van woede welke uitsluitend vanwege de laakbare woordkeus wordt aangemerkt als bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht, waarop door de raadsman wordt gedoeld.

Het hof voegt daar nog aan toe dat verdachte, door de bewoordingen “Ik weet waar [aangever] woont en zal hem van zijn flat naar beneden gooien" te uiten tegenover een agent van politie, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze agent de heer [aangever] op de hoogte zou brengen van hetgeen verdachte had gezegd. Verdachtes opzet was er derhalve naar ’s hofs oordeel op gericht dat de genoemde bewoordingen de heer [aangever] zouden bereiken. Dat verdachte de bedreiging niet rechtstreeks tegen het slachtoffer heeft geuit, doet daaraan niet af.

Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Het hof overweegt als volgt:

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het feit, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de genoemde duur met zich brengt. Eén en ander brengt tevens met zich mee dat het hof geen ruimte aanwezig acht voor toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Als strafverzwarende omstandigheden merkt het hof aan:

- de bedreigende bewoordingen zijn geuit tegen een ambtsdrager, te weten de burgemeester van Eindhoven;

- verdachte is reeds eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten veroordeeld.

Anderzijds weegt het hof evenwel in strafverminderende zin mee:

- dat na het tijdstip waarop het bewezen verklaarde heeft plaatsgevonden inmiddels geruime tijd is verstreken;

- de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Alles overziend acht het hof na te noemen straf passend.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr. H. Eijsenga, voorzitter,

mr. M. van Zinnen en mr. F.L. Muskens,

in tegenwoordigheid van mr. R.J. Gras, griffier,

en op 17 juli 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.