Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ3825

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-06-2009
Datum publicatie
27-07-2009
Zaaknummer
08/00144
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanslag verontreinigingsheffing oppervlaktewateren terecht opgelegd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009, 1692
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Derde meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 08/00144

Uitspraak op het hoger beroep van

X B.V.,

gevestigd te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 12 december 2007, nummer AWB 07/1646, in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van het waterschap Z, hierna: verweerder

betreffende na te noemen aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2003 een aanslag in de verontreinigingsheffing oppervlaktewateren opgelegd onder nummer 000.000.000, ten bedrage van € 22.160,50, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de verweerder is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 285.

Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 428.

De verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 3 april 2009 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de verweerder.

1.6. Belanghebbende en de verweerder hebben te dezer zitting beide een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De verweerder heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij de pleitnota van belanghebbende behorende bijlage.

2. Feiten

2.1. De heffingsverordening verontreinigingsheffing oppervlaktewateren Hoogheemraadschap van West-Brabant 2001 zoals deze gold voor 2003, luidt, voorzover te dezen relevant, als volgt:

(...)

Artikel 2

Bij deze verordening behoren de volgende bijlagen:

-Bijlage I: voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en berekening;

-Bijlage II: tabel afvalwatercoëfficiënten zoals opgenomen in artikel 22 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren;

Artikel 3

1 Onder de naam verontreinigingsheffing oppervlaktewateren wordt, ter bestrijding van de kosten van maatregelen tot het tegengaan en voorkomen van verontreiniging van oppervlaktewateren, een directe belasting geheven ter zake van het direct of indirect brengen van stoffen in oppervlaktewater waarvoor het waterschap bevoegd is, of op een zuiveringstechnisch werk dat bij het waterschap in beheer is.

2 Aan de heffing worden onderworpen:

a terzake van het afvoeren van stoffen vanuit een bedrijfsruimte of een woonruimte: degene die het gebruik heeft van die ruimte;

(...)

Artikel 5

Het heffingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 6

1 Voor de heffing bedoeld in artikel 3 geldt als grondslag de hoeveelheid en de hoedanigheid van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd.

2 Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd. De vervuilingswaarde wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden.

(...)

Artikel 7

1 Het aantal vervuilingseenheden van zuurstofbindende en andere stoffen wordt berekend met behulp van door meting, bemonstering en analyse verkregen gegevens. De meting, bemonstering, analyse en berekening geschieden met in achtneming van de in Bijlage I opgenomen voorschriften.

2 De in het eerste lid bedoelde meting, bemonstering en analyse geschieden ieder etmaal van het heffingsjaar, behoudens het bepaalde in artikel 8.

(...)

Artikel 8

Op aanvraag van de heffingsplichtige (...) besluit de ambtenaar belast met de heffing dat meting en bemonstering geschieden in afwijking van het bepaalde in artikel 7, tweede lid.

(...)

Artikel 10

1 In afwijking van het bepaalde in artikel 7, eerste lid, kan het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan worden vastgesteld met behulp van de in Bijlage II van deze verordening opgenomen tabel afvalwatercoëfficiënten, indien door de heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat het aantal vervuilingseenheden (...) 1.000 of minder bedraagt (...)

(...)

4 Indien het aantal vervuilingseenheden (...) meer dan 1.000 bedraagt en de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat de berekening van het aantal vervuilingseenheden met toepassing van de (...) tabel tot geen lagere uitkomst leidt dan die welke wordt verkregen bij berekening op de voet van artikel 7, eerste lid, beslist de ambtenaar (...) op aanvraag van de heffingsplichtige dat het aantal vervuilingseenheden wordt berekend met toepassing van de tabel.

(...)

Artikel 17

De ambtenaar belast met de heffing kan het aantal vervuilingseenheden in een kalenderjaar geheel of gedeeltelijk door middel van schatting vaststellen, indien door de heffingsplichtige:

(...)

d niet is voldaan aan de in artikel 7, eerste lid, eerste volzin, opgenomen verplichting en bepaling van de vervuilingswaarde overeenkomstig artikel 10, eerste en vierde lid (...) niet mogelijk is dan wel bepaling van de vervuilingswaarde op basis van artikel 10, vierde lid, wel mogelijk is en door de heffingsplichtige gedurende het heffingsjaar geen aanvraag als bedoeld in artikel 10, vierde lid, is ingediend.

Artikel 18

Het tarief bedraagt per vervuilingseenheid € 41,00.

Artikel 19

1 De heffing wordt geheven bij wege van aanslag.

(...)

2.2. Belanghebbende voert een bedrijf in de grafische sector en is gevestigd te Y aan de A-straat 5. Belanghebbende loost vanuit dat bedrijf afvalwater op de gemeentelijke riolering. Dit afvalwater is gezuiverd op een zuiveringstechnisch werk in beheer bij het Hoogheemraadschap van West Brabant.

2.3. Het Hoogheemraadschap van West Brabant is op 1 januari 2004 gefuseerd met vier andere waterschappen in West Brabant. Het waterschap Z is de rechtsopvolger van deze vijf waterschappen.

2.4. Aan belanghebbende is - onder meer - voor 2003 een meetbeschikking afgegeven ex artikel 8 van de heffingsverordening waarbij de meetfrequentie is bepaald op 8 etmalen per jaar. Die beschikking heeft betrekking op het afvalwater dat via de meetput wordt geloosd. Voor het koelwater is bij brief meegedeeld dat de vervuilingswaarde wordt vastgesteld met behulp van de afvalwatercoëfficiënt 0,001 tenzij het koelwater apart wordt gemeten, bemonsterd en geanalyseerd.

2.5. Belanghebbende heeft voor 2003 aangifte gedaan waarvoor het bedrijfsafvalwater conform de meetbeschikking is gemeten, bemonsterd en geanalyseerd, en voorts onder meer een hoeveelheid koelwater (lozing op schoonwaterriool) werd aangegeven.

2.6. In 2003 zijn bij controlebemonsteringen van het schoonwaterriool zware metalen aangetroffen welke op het bedrijf van belanghebbende zijn teruggevoerd. Daaraanvolgend is vastgesteld dat buiten de afvalwatermeting om onder meer gespuid ketelwater en spoelwater van de ontijzeringsinstallatie zijn geloosd welke niet als zodanig waren opgenomen in de aangifte doch onder de noemer koelwater.

2.7. Alvorens de aanslag voor 2003 op te leggen heeft het waterschap meermalen schriftelijk om verbetering van de ingediende aangifte gevraagd. Belanghebbende heeft die vragen beantwoord met een verwijzing naar de ingediende aangifte.

2.8. Het waterschap heeft daarop het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het evenbedoelde buiten de afvalwatering om geloosde water (hierna: spoel- en spuiwater) geschat aan de hand van de waterbalans 2004 en de tabel afvalwatercoëfficiënten, waarbij het waterschap is uitgegaan van de voor grafische bedrijven geldende coëfficiënt klasse 8 (0,023). De berekening van het aantal van de aldus geschatte vervuilingseenheden is niet in geding.

2.9. De aanslag is daarop vastgesteld op basis van:

Bedrijfsafvalwater gemeten 8 v.e.

Koelwater 56,4 v.e.

Overig water 476,1 v.e.

totaal 540,5 v.e.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

3.1.1. Is een deel van de bedrijfsafvalwaterstromen niet gemeten, bemonsterd en geanalyseerd, doch buiten de meetput om geloosd waardoor geen vaststelling van de vervuilingswaarde van het betreffende water heeft kunnen plaatsvinden?

3.1.2. Is in de aangifte voor 2003 het buiten de meetput om geloosde water ten onrechte gekwalificeerd als koelwater op het schoonwaterriool?

3.1.3. Is de vereiste aangifte gedaan?

3.1.4. Heeft de verweerder met inachtneming van de gereconstrueerde waterbalans en met behulp van de tabel afvalwatercoëfficiënten de betwiste aanslag op redelijke en inzichtelijke wijze vastgesteld?

3.1.5. Doet het rapport van B van 4 juli 2007 af aan de betwiste aanslag?

3.1.6. Mocht belanghebbende erop vertrouwen dat de verweerder de aangifte voor 2003 met name voor wat betreft de behandeling van het spoel- en spuiwater zou volgen nu hij dat met betrekking tot voorgaande jaren ook had gedaan?

Belanghebbende is van mening dat de vragen 3.1.1 en 3.1.4 ontkennend en de overige vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De verweerder is telkens de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

Niet al het afvalwater ging langs vuilwaterriool 14, waar het bedrijfsafvalwater doorheen ging. Het spoelwater betreft water dat gebruikt werd om de filters van de ontijzeringsinstallatie te reinigen, welke installatie op haar beurt gebruikt werd om opgepomt grondwater te reinigen zodat het geschikt werd gemaakt voor gebruik in de stoomketels. Het ingedikte water dat achterbleef in de stoomketels werd gekwalificeerd als spuiwater. Wij gebruiken drie bronnen die drinkbaar water opleveren.

Ter zake van de coëfficiënten merk ik op dat die slaan op het gemiddelde van alle drukkerijen in Nederland. Wij gebruiken een procedé dat minder vervuilt dan het gemiddelde. Er zijn maar drie drukkerijen in Nederland die dat procedé gebruiken.

Het echte bedrijfsafvalwater wordt gemeten, bemonsterd en geanalyseerd.

De verweerder

Weliswaar is het spoelwater niet sterk verontreinigd, maar helemaal schoon is het ook niet. Naar aanleiding van onverwachte meetresultaten in het schoonwaterriool, opeens werden er zware metalen in aangetroffen, zijn wij vragen gaan stellen. Er werd tot 2005 vanuit gegaan dat alles werd bemonsterd via put 14. Dat bleek onjuist. Ook het koelwater moest volgens de meetbeschikking worden bemonsterd. Het dikt in en kan ook door de leidingen verontreinigd worden. Voor dat koelwater hebben wij een coëfficiënt van slechts 0,001 gebruikt. Niet zeker is dat het opgepompte water een constante kwaliteit heeft gehad. Zonder meting kan daarover slechts worden gegist. Als het opgepompte water vervuiling bevatte, is die vervuiling ook geloosd, de bedrijfsprocessen van belanghebbende staan daar los van.

De coëfficiënten zijn gebaseerd op het geheel van de bedrijfstak. Zij zijn van toepassing tenzij het bedrijf zelf meet, bemonstert en analyseert. Het koelwater is feitelijk niet bemonsterd. Voor wat betreft het afvalwater waarop 0,023 is toegepast merk ik nog op dat ook sommige andere grafische bedrijven zelf demiwater maken.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondheid van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en van die op bezwaar, en, naar het Hof aanneemt, tot vaststelling van de aanslag conform de ingediende aangifte. De verweerder concludeert tot ongegrondheid van het beroep.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

De vereiste aangifte

4.1. Nu door belanghebbende is erkend dat het door haar geloosde spoel- en spuiwater in de aangifte is begrepen als koelwater en niet als bedrijfsafvalwater, en voorts dat dit spoel- en spuiwater niet is gemeten, bemonsterd noch geanalyseerd, zodat geen vaststelling van de vervuilingswaarde van het betreffende water heeft kunnen plaatsvinden, moet worden geoordeeld dat door belanghebbende voor 2003 niet de vereiste aangifte is gedaan. Het spoel- en spuiwater diende immers niet ter koeling en kon daarom in redelijkheid niet als koelwater worden aangemerkt. Op grond van het bepaalde in artikel 123, lid 2, van de Waterschapswet (tekst 2003), in verbinding met het bepaalde in artikel 25, lid 6, onderdeel a, AWR (tekst 2003) is de verweerder derhalve terecht ervan uitgegaan dat het bezwaar moest worden afgewezen tenzij zou blijken dat en in hoeverre de aanslag onjuist was. Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat zij het spoel- en spuiwater niet als bedrijfsafvalwater behoefde aan te geven, omdat dit spoel- en spuiwater niet afkomstig is van het primaire bedrijfsproces, kan haar dat niet baten. Het begrip bedrijfsafvalwater zoals gebezigd in het aangifteformulier moet immers, naar belanghebbende redelijkerwijs kon begrijpen, in die zin worden verstaan dat daaronder al het afvalwater afkomstig van het bedrijf moet worden begrepen.

Aan een en ander doet niet af dat aan belanghebbende een vergunning tot lozing van het betreffende water was afgegeven noch de omstandigheid dat het betreffende water slechts in verhoudingsgewijs geringe mate was vervuild.

De vragen 3.1.1, 3.1.2 en 3.1.3 moeten dan ook worden beantwoord in de door de verweerder voorgestane zin.

Het vertrouwensbeginsel

4.2. In zoverre belanghebbende zich beroept op een rechtens te honoreren vertrouwen dat, nu de verweerder aangiften met betrekking tot vorige jaren gevolgd heeft in welke aangiften eenzelfde standpunt ter zake van de behandeling van het spoel- en spuiwater was ingenomen als in de aangifte voor 2003, faalt dat beroep. Het enkele volgen van een aangifte leidt niet tot het rechtens te honoreren vertrouwen dat een op gelijke wijze gedane aangifte over een volgend jaar ook zal worden gevolgd. Gesteld noch gebleken is dat jegens belanghebbende de indruk is gewekt dat de verweerder ter zake van de behandeling van het spoel- en spuiwater bewust het standpunt heeft ingenomen dat het als koelwater in aanmerking kon worden genomen. Vraag 3.1.6 moet dan ook eveneens worden beantwoord in de door de verweerder voorgestane zin.

De redelijkheid en inzichtelijkeid van de opgelegde aanslag

4.3. De verweerder heeft, uitgaande van de aan de hand van de waterbalans over 2004 en de hoeveelheid in 2003 ingenomen water, met inachtneming van de verschillen tussen deze twee jaren, de afvalstromen over 2003 gereconstrueerd en aan de hand daarvan de ten onrechte niet gemeten, bemonsterde en geanalyseerde waterstroom vastgesteld. Daarop heeft de verweerder de vervuiling van die waterstroom bepaald aan de hand van de tabel afvalwatercoëfficiënten. Aldus heeft de verweerder naar het oordeel van het Hof te dezen de aanslag op redelijke en inzichtelijke wijze vastgesteld, waarbij het Hof in overweging neemt dat bedoelde afvalwatercoëfficiënten zijn vastgesteld uitgaande van de gemiddelde vervuiling opgekomen uit het geheel van de grafische industrie in Nederland, en dat door de verweerder onweersproken is gesteld dat niet alleen in belanghebbendes bedrijf doch ook in andere Nederlandse grafische bedrijven zogeheten demiwater in eigen beheer wordt vervaardigd. Vraag 3.1.4 moet worden beantwoord in de door de verweerder voorgestane zin.

Het rapport van B

4.4. Het Hof stelt voorop dat meting, bemonstering en analyse van het litigieuze spoel- en spuiwater in 2003 achterwege is gebleven, en voorts dat op belanghebbende de last rust te doen blijken dat en in hoeverre de aanslag onjuist is. Het rapport van B heeft betrekking op 2007. Uit dat rapport vloeit een lagere vervuilingswaarde voort dan die welke heeft geleid tot die waarop de onderhavige aanslag is gebaseerd. Zijdens belanghebbende is gesteld dat de bedrijfsprocessen in 2007 niet wezenlijk anders waren dan die in 2003. Hoewel dat rapport en die stelling gezamenlijk beschouwd wellicht een aanwijzing behelzen dat de vervuiling gepaard gaande met het onderwerpelijke spoel- en spuiwater kleiner van omvang is dan de vervuiling waarmee ter zake in de aanslag voor 2003 rekening is gehouden, heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof aldus niet doen blijken dat of in hoeverre de aanslag onjuist is. Onduidelijk is bijvoorbeeld in hoeverre de kwaliteit van het ingenomen water door de jaren heen constant is gebleven. Ook vraag 3.1.5 moet worden beantwoord in de door de verweerder voorgestane zin.

Slotsom

4.5. Nu alle vragen moeten worden beantwoord in de door de verweerder voorgestane zin, is de slotsom dat het hoger beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Ten aanzien van het griffierecht

4.6. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat het Waterschap Z aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.7. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep ongegrond

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank

Aldus gedaan op 12 juni 2009 door R.J. Koopman, voorzitter, N. van Beelen en S. Bosma, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.