Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ3820

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-05-2009
Datum publicatie
27-07-2009
Zaaknummer
08/00444
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft een aanmerkelijk belang in A BV. In 2004 heeft de BV een dividend van € 400.000 aan belanghebbende uitgekeerd en ter zake daarvan € 100.000 dividendbelasting inhouden en afgedragen. Belanghebbende heeft een en ander correct verwerkt in haar elektronisch gedane aangifte inkomstenbelasting. Bij de haar opgelegde elektronisch gegenereerde aanslag is echter alleen de dividendbelasting verrekend maar is het dividend niet in de aanslag betrokken. Belanghebbende heeft de inspecteur hierop gewezen, waarna een navorderingsaanslag werd opgelegd. Anders dan de inspecteur en de rechtbank acht het hof een ambtelijk verzuim aanwezig dat navordering in de weg staat en is geen sprake van een met een schrijf- of tikfout te vergelijken vergissing. Vaststaat dat het om een relatief en absoluut groot bedrag gaat. De fout had volgens het hof makkelijk ontdekt kunnen worden wanneer er enige controle was toegepast. Wanneer de inspecteur ervoor kiest een aangifte niet diepgaand te beoordelen, dan kan hij, aldus HR 25 oktober 1995, nr. 30 122, BNB 1996/35, wanneer de primitieve aanslag later te laag blijkt, niet meer zeggen dat hij die uitkomst niet heeft gewild. De gevolgen dienen voor rekening van de inspecteur te blijven. Dat daarmee ook in gevallen dat de fout direct kenbaar is voor de belastingplichtige geen navordering mogelijk is, is een gevolg van de keuzen gemaakt door de wetgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-1600 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

tweede meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 08/00444

Uitspraak op het hoger beroep van

mevrouw X wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 13 mei 2008, nummer AWB 07/3430 in het geding tussen

belanghebbende en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen navorderingsaanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is onder nummer 0000.00.000.H.47 over het jaar 2004 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 49.369 en uit aanmerkelijk belang van € 400.000.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak de navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39.

Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 107.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 10 april 2009 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.6. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

1.7. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende had in 2004 alle aandelen en daarmee een aanmerkelijk belang in A BV, hierna de BV.

De BV heeft in 2004 een dividend van € 400.000 uitgekeerd en ter zake daarvan € 100.000 dividendbelasting ingehouden en afgedragen.

2.2. Belanghebbende heeft dividend en dividendbelasting correct in haar aangifte inkomstenbelasting over 2004 verwerkt. Bij de haar opgelegde aanslag inkomstenbelasting 2004 is alleen de dividendbelasting verrekend. Het dividend is niet in die aanslag betrokken.

2.3. Belanghebbende heeft de Inspecteur hierop gewezen. De Inspecteur heeft daarop nagevorderd over het dividend.

Belanghebbende heeft vervolgens bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag en beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Inspecteur. De Inspecteur en de Rechtbank hebben het bezwaar respectievelijk het beroep ongegrond verklaard.

De fout is volgens de Inspecteur en de Rechtbank gelijk te stellen met een schrijf- en tikfout.

2.4. Onderzoek door de Inspecteur naar de vraag, waarom het dividend niet bij de primitieve aanslag werd belast, heeft niets opgeleverd. Belanghebbende heeft de aangifte inkomstenbelasting 2004 elektronisch gedaan. De aanslag is elektronisch gegenereerd.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

Mag de Inspecteur onder deze omstandigheden navorderen?

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Volgens haar is sprake van een onzorgvuldigheid die voor de rekening van de Inspecteur dient te komen. De Inspecteur had immers zo kunnen zien dat de aanslag niet aansloot op de aangifte.

Deze onzorgvuldigheid is meer dan een vergissing.

Volgens belanghebbende komt dit blijkens berichten in kranten en vakbladen vaker voor.

De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

Volgens de Inspecteur is sprake van een vergissing.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en van de Inspecteur en vernietiging van de navorderingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak en die van de Rechtbank.

4. Gronden

4.1. Niet in geschil is dat de Inspecteur op de hoogte was of had moeten zijn van het dividend. Dat stond duidelijk in de aangifte. De Inspecteur kan dan in dit geval alleen navorderen, wanneer er sprake is van een met een schrijf- of tikfout te vergelijken vergissing. Zo niet dan is sprake van een ambtelijk verzuim, dat aan navordering in de weg staat.

Volgens belanghebbende heeft de Inspecteur zich niet vergist, maar zijn onderzoeksplicht verzaakt. Van een inspecteur mag volgens belanghebbende worden verwacht, dat hij de aangifte nauwgezet onderzoekt en de aanslag zorgvuldig vaststelt.

De Inspecteur kan niet zeggen, wat de oorzaak is, dat het dividend bij de primitieve aanslag niet is belast. Hoewel het dividend in de - langs de elektronische weg ingediende - aangifte correct was vermeld, is het door de systemen van de Belastingdienst niet overgenomen bij de vaststelling van de aanslag. Volgens hem is dit geval (oorzaak onbekend) op een lijn te stellen met de vergissingen, door de rechter gesauveerd in de zogenaamde 'tikfoutenjurisprudentie'.

Belanghebbende heeft in haar pleitnota weersproken, dat het een incidenteel geval is geweest.

De Inspecteur heeft ter zitting desgevraagd aangegeven geen heil te zien in nader onderzoek naar de oorzaak van de omissie bij de primitieve aanslagregeling.

Naar het oordeel van het Hof is in dit geschil dan niets komen vast te staan omtrent de oorzaak en frequentie van misslagen als de onderhavige. Een en ander is kennelijk niet te achterhalen.

Vaststaat daarom in dit geval slechts, dat belanghebbende haar aangifte inkomstenbelasting 2004 juist heeft gedaan en dat de aanslag daar uiteindelijk vanaf week, zodat een tweede aanslag nodig was om dat recht te trekken.

Vaststaat ook dat het om een relatief en absoluut groot bedrag gaat. De fout had makkelijk ontdekt kunnen worden, wanneer er enige controle was toegepast. Vaststaat ook dat van diepgaande beoordeling van de aangifte door de Inspecteur geen sprake is geweest.

4.2. Naar het oordeel van het Hof is onder de specifieke omstandigheden van dit geval sprake van een ambtelijk verzuim.

De Inspecteur kan wel zeggen, dat hij de hier ontstane uitkomst niet heeft gewild, maar dan gaat hij voorbij aan het feit, dat hij hier de beslissende keuze heeft gemaakt. Wat daarvan het gevolg is blijkt uit hetgeen is beslist in Hoge Raad 25 oktober 1995, nr. 30 122, BNB 1996/35. Wanneer de Inspecteur ervoor kiest een aangifte niet (diepgaand) te beoordelen, dan kan hij volgens de Hoge Raad in dat arrest, wanneer de primitieve aanslag later te laag blijkt, niet meer zeggen, dat hij die uitkomst niet heeft gewild. De Inspecteur bepaalt de werkwijze en maakte dus hier de beslissende keuze. De Hoge Raad heeft, naar belanghebbende terecht stelt, ook na het arrest BNB 1996/35 regelmatig beslist, dat de gevolgen van dit soort keuzes voor rekening van de Inspecteur blijven.

4.3. Dat daarmee ook in gevallen, dat de fout meteen voor de belastingplichtige kenbaar is en er aldus beschouwd dus weinig reden is voor rechtsbescherming, geen navordering mogelijk is, is een gevolg van de keuzen gemaakt door de wetgever, aldus de Hoge Raad in zijn arrest van 7 december 2007, nr. 44 096, BNB 2008/178.

Het is aan de wetgever de Belastingdienst op dit punt wat meer ruimte te geven.

4.4. Anders dan de Rechtbank is het Hof van oordeel, dat onvoldoende vaststaat, dat dit een uniek incident betreft.

Anders dan de Rechtbank is het Hof van oordeel, dat het hier niet om een vergissing maar om een verzuim van de Inspecteur gaat en navorderen dus niet is toegestaan. De uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur moeten worden vernietigd.

Het hoger beroep van belanghebbende is derhalve gegrond.

4.5. Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Staat aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 39 respectievelijk € 107 te vergoeden.

4.6. Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op in totaal 4 (punten) x € 322 (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) is € 1.932.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

- verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

- vernietigt de navorderingsaanslag;

- gelast dat de Staat aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 39 respectievelijk € 107, derhalve in totaal € 146 vergoedt;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 1.932; en

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op 29 mei 2009 door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, J. Swinkels, en prof. K.L.H. van Mens, in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.