Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ3817

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-05-2009
Datum publicatie
27-07-2009
Zaaknummer
08/00219
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BL6455, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft in 2006 een auto uit België ingevoerd en heeft met een beroep op de zogenaamde tegenbewijsregeling aangifte voor de BPM gedaan, waarbij de belasting is berekend op € 15.371. Aangezien de inspecteur vraagtekens plaatste bij een aantal elementen van het bij de aangifte gevoegde taxatierapport heeft de inspecteur een hertaxatie laten uitvoeren. De verschuldigde BPM bedraagt op grond van de hertaxatie € 23.727. De inspecteur heeft daarop de aangifte van belanghebbende gecorrigeerd door een streep te plaatsen door het bedrag van € 15.371 dat belanghebbende heeft vermeld en heeft vervolgens een bedrag van € 23.727 opgenomen. Na betaling van dit bedrag heeft de inspecteur het kenteken op naam gesteld. Het hof overweegt dat op belanghebbende de verplichting rust de door haar op aangifte aangegeven belasting te voldoen en dat het wettelijk systeem de inspecteur geen ruimte laat om reeds voordat de belasting op aangifte is voldaan een correctie op de aangifte aan te brengen. De inspecteur was derhalve niet bevoegd om bij het achterwege laten van betaling van het op de aangifte verhoogde bedrag, een kenteken voor de auto te weigeren. Het bedrag van de correctie dat belanghebbende bovenop het bedrag vermeld in de aangifte heeft voldaan zonder dat ter zake een naheffingsaanslag was opgelegd, is dan ook onverschuldigd betaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/56.20 met annotatie van Redactie
FutD 2009-1623
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Eerste meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 08/00219

Uitspraak op het hoger beroep van

X VOF,

gevestigd te Y

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 5 februari 2008, nummer 06/5586 in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Belanghebbende heeft op 7 april 2006 met een beroep op de tegenbewijsregeling als bedoeld in het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën, nr. CP2006/788, VN 2006/25.22 aangifte gedaan van de door haar ter zake van de invoer van een uit België afkomstige personenauto van het merk Volkwagen, Type Pheaton, identificatienummer -------------, bouwjaar 2005 (hierna: de auto) verschuldigde belasting voor personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM) ten bedrage van € 15.371. De Inspecteur heeft dit bedrag op de aangifte verhoogd tot € 23.727. Naar aanleiding van het door belanghebbende bij schrijven van 17 mei 2006 tegen laatstbedoeld bedrag gemaakte bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak van 17 oktober 2006 besloten van dit bedrag teruggaaf te verlenen tot een bedrag van € 19.130.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 281.

Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, een teruggaaf verleend van € 2.440 en gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 281 aan belanghebbende vergoedt.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 433.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 5 maart 2009 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord F, vennoot van belanghebbende, tot bijstand vergezeld van G en H, alsmede, namens de Inspecteur, mr. J en K.

1.5. Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen.

1.6. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

1.8. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende heeft op 7 april 2006 met een beroep op de tegenbewijsregeling als bedoeld in het Besluit van de staatssecretaris van Financiën, nr. CP2006/788 (onder meer gepubliceerd in VN 2006/25.22) voor de auto aangifte in de BPM gedaan. De belasting is berekend op € 15.371, uitgaande van een cataloguswaarde inclusief BPM en omzetbelasting van € 97.120 en een vermindering op grond van de tegenbewijsregeling van 40%.

2.2. Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd van de heer A, beëdigd taxateur te B. De taxatie vermeldt naast een kilometerstand van 228 en een datum eerste toelating van 29 maart 2006, een uitvoerige beschrijving van de auto alsmede van de aanwezige extra's en accessoires ten tijde van de opname op 31 maart 2006. De "verkoopwaarde aan particulier in huidige staat" van de auto is getaxeerd op € 58.272.

2.3. Vrijwel direct nadat belanghebbende aangifte heeft gedaan ter zake van de invoer van de auto, heeft de Inspecteur de aangifte gecontroleerd. Daarbij heeft de Inspecteur vraagtekens geplaatst bij een aantal elementen vermeld in het bij de aangifte gevoegde taxatierapport. De Inspecteur heeft vervolgens in het kader van de tegenbewijsregeling een hertaxatie laten uitvoeren door C, geregistreerd schade-expert te D. In afwachting van de uitkomst van deze hertaxatie heeft de Inspecteur het op naam stellen van het kenteken uitgesteld.

2.4. Het door C uitgebrachte taxatierapport vermeldt naast een kilometerstand van 408 en een datum eerste toelating 29 maart 2006, een summiere beschrijving van de auto op 10 april 2006 en de aanwezige meeruitvoeringen en accessoires. De "particuliere verkoopwaarde" is getaxeerd op € 90.000. De verschuldigde BPM bedraagt op grond van dit taxatierapport € 23.727.

2.5. Naar aanleiding van laatstbedoeld rapport heeft de Inspecteur de aangifte van belanghebbende gecorrigeerd. Daarbij heeft hij een streep geplaatst door het bedrag van

€ 15.371 dat belanghebbende in het aangiftebiljet heeft vermeld bij "Te betalen BPM", daarbij heeft hij vermeld "Taxatie + Hertaxatierapport" en op de eerste pagina onder "Ruimte voor de Belastingdienst" de ter zake van registratie verschuldigde belasting vastgesteld op € 23.727. De door de Inspecteur aangebrachte correctie op de aangegeven te betalen BPM bedraagt aldus € 8.356.

2.6. Na betaling door belanghebbende van het in 2.5. vermelde bedrag van € 23.727 heeft de Inspecteur het kenteken op naam gesteld.

2.7. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar, naar aanleiding van een aangepast taxatierapport van E, taxateur te D, uitgaande van een cataloguswaarde inclusief BPM en omzetbelasting van € 97.740 en een vermindering op grond van de tegenbewijsregeling van 25,82%, de ter zake van de registratie verschuldigde belasting nader vastgesteld op € 19.130.

2.8. De Rechtbank heeft in haar uitspraak van 5 februari 2008 de ter zake van de registratie verschuldigde belasting vastgesteld op € 16.690. De Inspecteur heeft zich in hoger beroep nader op het standpunt gesteld dat de verschuldigde belasting € 16.690 bedraagt.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de navolgende vragen:

3.1.1. Dient de verschuldigde belasting te worden gesteld op het door de Inspecteur nader verdedigde bedrag van € 16.690 of dient dit bedrag ten hoogste te worden gesteld op het bedrag van € 15.371, dat door belanghebbende in de aangifte is vermeld?

3.1.2. Dient heffing van BPM in dit geval achterwege te blijven omdat artikel 10 van de Wet in verbinding met het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën, nr. CP2006/788, in strijd is met artikel 90 van het EG-verdrag, zoals belanghebbende verdedigt. De Inspecteur is de tegengestelde opvatting toegedaan.

3.1.3. Dient de waarde van de auto bij registratie te worden vastgesteld op € 58.272, zoals belanghebbende stelt, dan wel op € 63.272, hetgeen de Inspecteur verdedigt?

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak van de Inspecteur, tot teruggaaf van de op aangifte voldane belasting tot een bedrag van € 15.371 en tot vergoeding van de door haar geleden schade en de werkelijke door haar gemaakte proceskosten. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4. Gronden

4.1. Belanghebbende heeft aangifte gedaan van verschuldigde belasting ten bedrage van € 15.371. De belasting die belanghebbende heeft voldaan bedraagt € 23.727. Bij de uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur van dit bedrag teruggaaf verleend tot € 19.130. Bij de rechtbank en in hoger beroep heeft de Inspecteur zich nader op het standpunt gesteld dat de verschuldigde belasting € 16.690 bedraagt. Vaststaat dat het verschil tussen het bedrag van de door belanghebbende aangegeven belasting en het bedrag dat door belanghebbende is voldaan voortvloeit uit de door de Inspecteur op de aangifte aangebrachte correctie. Belanghebbende heeft zich uitdrukkelijk verzet tegen deze handelwijze van de Inspecteur.

4.2. Ingevolge artikel 6, lid 1, van de BPM moet de belasting op aangifte worden voldaan. Ingevolge het tweede lid, onder a, sub 1 van artikel 6 van de BPM moet in afwijking van artikel 10, tweede lid, en artikel 19, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) de belasting ter zake van de registratie, indien deze verschuldigd is, worden betaald voor het tijdstip waarop het kenteken op naam wordt gesteld.

4.3. In het wettelijk systeem van heffing door middel van voldoening of afdracht op aangifte (hierna: het wettelijk systeem) rust op belanghebbende de verplichting de door haar op de aangifte aangegeven belasting te voldoen. Belanghebbende was derhalve gehouden een bedrag van € 15.371 op aangifte te voldoen.

4.4. Indien de Inspecteur de hoogte van de op aangifte voldane belasting betwist kan hij de te weinig betaalde belasting op grond van het bepaalde in artikel 20 AWR naheffen. Er bestaat in het wettelijke systeem geen ruimte voor de Inspecteur om (reeds voordat de belasting op aangifte is voldaan) een correctie op de aangifte aan te brengen. Daarbij merkt het Hof op, dat de door de Inspecteur geplaatste streep door het bedrag dat belanghebbende in het aangiftebiljet heeft vermeld bij "Te betalen BPM" en de daarbij door hem vermelde opmerking "Taxatie + Hertaxatierapport", niet als een naheffingsaanslag zoals bedoeld in artikel 20 AWR kan worden opgevat. Evenmin kan de door de Inspecteur aangebrachte correctie, zoals vermeld in 2.5, worden aangemerkt als een verbetering door belanghebbende van de eigen aangifte.

4.5. Hoewel het wettelijke systeem een extra betaling boven het bedrag van de aangifte niet uitsluit (HR 22 februari 1984, nr 21 979, BNB 1984/233 en HR 22 februari 1984, nr 22 238, BNB 1984/234), volgt uit dit wettelijke systeem niet dat belanghebbende tot een dergelijke - niet in de aangifte aangegeven - betaling verplicht is, zoals de Inspecteur stelt. Hieraan doet niet af dat de door de Inspecteur gevolgde werkwijze, naar de Inspecteur ter zitting heeft toegelicht, voortvloeide uit fraudegevoeligheid van het wettelijke systeem bij import van gebruikte auto's. De Inspecteur was derhalve niet bevoegd om in het geval van het achterwege laten van betaling van het op de aangifte verhoogde bedrag, zoals vermeld in 2.5, de gevolgtrekking te verbinden dat een kenteken voor de auto moet worden geweigerd. Dat in artikel 49, lid 1, sub b van de Wegenverkeerswet is bepaald dat de afgifte van een kentekenbewijs wordt geweigerd indien blijkt dat de ter zake van het voertuig verschuldigde belastingen en rechten niet zijn voldaan, maakt dit niet anders. Belanghebbende heeft immers reeds bij betaling van het door haar op basis van die aangifte aangeven bedrag aan haar in artikel 49, lid 1, sub b van de Wegenverkeerswet ter zake vermelde fiscale verplichtingen voldaan.

4.6. Het bedrag van de correctie ad € 8.356 dat belanghebbende bovenop het bedrag vermeld op de aangifte heeft voldaan, zonder dat ter zake van dit bedrag een naheffingsaanslag was opgelegd, is naar het oordeel van het Hof niet op grond van enige wettelijke bepaling verschuldigd geworden en door belanghebbende derhalve onverschuldigd betaald. Het Hof stelt vast dat hiervan uiteindelijk nog een bedrag van € 1.319 resteert.

4.7. Nu het Hof tot de slotsom komt dat belanghebbende het bestreden bedrag onverschuldigd betaald heeft, ziet het zich gesteld voor de vraag of het belanghebbende naar de civiele rechter dient te verwijzen. Het Hof beantwoordt die vraag ontkennend. Artikel 26, tweede lid, AWR bepaalt in samenhang met artikel 7:1 Algemene wet bestuursrecht, dat de voldoening op aangifte van een bedrag als belasting voor de mogelijkheid van beroep wordt gelijkgesteld met een voor bezwaar vatbare beschikking van de Inspecteur. Zou belanghebbende een te hoog bedrag aan belasting hebben aangegeven en voldaan, dan zou hij op grond van de zojuist genoemde bepalingen tegen die (te hoge) voldoening bezwaar en beroep kunnen aantekenen. Deze bepalingen zijn naar de letter in het onderhavige geval niet van toepassing, omdat belanghebbende het teveel niet op aangifte heeft voldaan. Hij heeft immers slechts € 15.371 aangegeven. Naar het oordeel van het Hof gelijkt de onderhavige situatie echter zozeer op die genoemd in artikel 26, tweede lid AWR, dat het geschil met het oog op een effectieve rechtsbescherming thuis hoort bij de fiscale rechter. Het Hof stelt de onderhavige situatie op één lijn met die omschreven in artikel 26, lid 2, AWR nu de aard van de door de Inspecteur afgedwongen voldoening of afdracht zich daartegen niet verzet.

4.8. Gelet op het bovenstaande concludeert het Hof dat de verschuldigde belasting niet meer kan bedragen dan het bij de aangifte aangegeven bedrag van € 15.371. Het gelijk met betrekking tot de eerste in geschil zijnde vraag is aan belanghebbende.

4.9. Met betrekking tot de tweede in geschil zijnde vraag overweegt het Hof als volgt. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 22 september 2006, nr. 41 178, VN 2006/50.17, geoordeeld dat de afschrijvingstabel van artikel 10, tweede lid, van de Wet niet in overeenstemming is met het Europese recht. In punt 3.4 van het vorengenoemde arrest heeft de Hoge Raad voorts zijn oordeel uit het arrest van 6 december 2002, nr. 37.666, BNB 2003/122 herhaald, dat uit het gemeenschapsrecht niet volgt dat de strijdigheid van de verminderingsregeling met artikel 90 EG noodzakelijkerwijs meebrengt dat in het geheel geen BPM kan worden geheven. De met toepassing van de verminderingsregeling berekende BPM is alleen niet verschuldigd indien en voor zover deze het bedrag van de BPM die nog rust op vergelijkbare auto's s die reeds in Nederland waren geregistreerd, overschrijdt (vergelijk punt 3.6 van het laatstgenoemde arrest van de Hoge Raad). Belanghebbendes andersluidende standpunt dient derhalve te worden verworpen.

4.10. Het Hof gaat voorbij aan de stellingen van belanghebbende dat niet de inkoopwaarde, maar de verkoopwaarde van de auto bij de waardering het uitgangspunt moet vormen en dat de waarde van de auto niet meer kan bedragen dan 55% van de nieuwprijs, nu in het door belanghebbende zelf overgelegde taxatierapport is uitgegaan van de inkoopwaarde van de auto terwijl de waarde van de auto is gesteld op 60% van de nieuwprijs. Belanghebbende heeft geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet geoordeeld dat het door zijn taxateur gehanteerde uitgangspunt en het gehanteerde verminderingspercentage onjuist zouden zijn.

4.11. Het gelijk is ten dele aan de zijde van belanghebbende, zodat het hoger beroep gegrond is. De verschuldigde belasting bedraagt gelet op het voorgaande het bij de aangifte aangegeven bedrag van € 15.371.

4.12. Heffingsrente wordt vergoed in het geval de verschuldigde belasting minder bedraagt dan is aangegeven. Nu naar het oordeel van het Hof, gelet op het in 4.8 overwogene, de voorliggende situatie behandeld dient te worden alsof sprake is van teruggave van een aangegeven bedrag, ligt het in de rede dat de Inspecteur over het bedrag van de teruggave heffingsrente zal vergoeden.

Ten aanzien van het griffierecht

4.13. Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Staat aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 433 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.14. Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.14.1. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat het verzoek tot vergoeding van de werkelijke proceskosten uitsluitend ziet op de in de bezwaarfase gemaakte proceskosten. Ingevolge artikel 2, lid 1, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) wordt, voor zover hier van belang, het bedrag ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel a (kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand), vastgesteld overeenkomstig het in de bijlage opgenomen tarief (tarief volgens het puntenstelsel). Lid 3 van artikel 2 van het Besluit bepaalt dat in bijzondere omstandigheden van het eerste lid kan worden afgeweken. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende geen bijzondere omstandigheden aangevoerd welke toepassing van artikel 2, lid 3, van het Besluit rechtvaardigen. De Inspecteur heeft derhalve terecht en tot het juiste bedrag, met inachtneming van het puntenstelsel, een vergoeding van in de bezwaarfase gemaakt proceskosten toegekend.

4.14.2. Het Hof stelt de kosten voor de behandeling van het beroep in goede justitie op een bedrag aan reis- en verletkosten van F voor het bijwonen van de zitting van € 200, vermeerderd met een bedrag aan reiskosten van L en H voor het bijwonen van de zitting van respectievelijk € 14,50 en € 17,50, is in totaal € 232,00.

4.14.3. Het Hof stelt de kosten voor de behandeling van het hoger beroep in goede justitie op een bedrag aan reis- en verletkosten van F voor het bijwonen van de zitting van € 200, vermeerderd met een bedrag aan reiskosten van G en H voor het bijwonen van de zitting van respectievelijk € 14 en € 17,50, is in totaal € 231,50.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht;

- verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur, behoudens de beslissing omtrent de proceskosten;

- stelt het bedrag van de verschuldigde belasting vast op een bedrag van € 15.371;

- gelast dat de Staat aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 433 vergoedt;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij de rechtbank en bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 463,50, en

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op 29 mei 2009 door J.W.J. Huige, voorzitter, W.E.M. van Nispen tot Sevenaer en G.W.B. van Westen, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.