Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ3814

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-05-2009
Datum publicatie
27-07-2009
Zaaknummer
08/00075
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diverse werknemers van A BV zijn in 1999 met de moedermaatschappij B BV overeengekomen tegen vergoeding afstand te doen van hun optierechten tot verkrijging van certificaten aandelen in de BV. Eind 2001 wordt op grond van deze overeenkomst ƒ 800.000 plus ƒ 52.611 aan rente over de jaren 2000 en 2001 aan belanghebbende uitbetaald. De inspecteur heeft voor het jaar 2001 een navorderingsaanslag opgelegd omdat belanghebbende de rente betrekking hebbende op het jaar 2000 niet heeft aangegeven en tevens is de rendementsgrondslag per 1 januari 2001 verhoogd met de nominale waarde van de vordering. Het hof beslist dat sprake is van een nieuw feit, ondanks dat een ambtgenoot van de inspecteur op de hoogte was van de overeenkomst met B BV. Er werd destijds nog civiel en fiscaal geprocedeerd door de werknemers over de tegenprestatie. De ambtgenoot had derhalve goede reden nog te wachten met het versturen van renseignementen. Van enig ambtelijk verzuim is volgens het hof dan ook geen sprake. Voorts oordeelt het hof dat de inspecteur de vordering op 1 januari 2001 terecht op 100% heeft gewaardeerd. Met de inspecteur is het hof van oordeel dat belanghebbende grove schuld kan worden verweten zodat de boete van 25% terecht is opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/45.1.1
FutD 2009-1607
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

tweede meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 08/00075

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X, wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 7 december 2007, nummer AWB 06/5340, in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer 000.00.000.H17 over het jaar 2001 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 143.643, uit aanmerkelijk belang van € 263.192 en uit sparen en beleggen van € 25.457, alsmede bij beschikking een boete van € 2.101.

De navorderingsaanslag en de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 38.

Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd en de navorderingsaanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 143.643, uit aanmerkelijk belang van € 263.192 en uit sparen en beleggen van € 21.826, de boete verminderd tot een bedrag van € 1.829, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 644, gelast dat de Staat aan belanghebbende het griffierecht van € 38 vergoedt en de Staat aangewezen als de rechtspersoon die de proceskosten en het griffierecht aan belanghebbende vergoedt.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 106.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 20 maart 2009 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De Inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de twee bij deze pleitnota behorende bijlagen.

1.6. Belanghebbende heeft ter zitting, zonder bezwaar van de wederpartij, een kopie overgelegd van zijn aangifte inkomstenbelasting 2001 (hierna: de aangifte IB 2001).

1.7. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende, in onderhavig jaar directeur van A B.V. (hierna: de B.V.), heeft op 10 december 1998 2.500 optierechten tot het verkrijgen van even zoveel certificaten van aandelen B in de B.V. verkregen. Eind 1999 komt belanghebbende met B B.V., de moedermaatschappij van de B.V., overeen dat hij tegen een vergoeding van € 363.024 (ƒ 800.000), plus rente, geen gebruik zal maken van zijn optierechten. In december 2001 wordt op grond van deze overeenkomst (hierna: de overeenkomst met B B.V.) voormelde € 363.024 aan belanghebbende uitbetaald, alsmede een bedrag van € 23.873 (ƒ 52.611), zijnde rente over de jaren 2000 en 2001. Middels onderhavige navorderingsaanslag heeft de Inspecteur de niet aangegeven rente over het jaar 2000 ad € 11.978 (ƒ 26.396) gecorrigeerd en het belastbaar inkomen uit woning en werk met dat bedrag verhoogd. Tevens heeft hij de niet in de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar begrepen nominale waarde van de vordering in verband met het geen gebruik maken van de optierechten gecorrigeerd door het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen te verhogen met € 7.260 (4% van € 363.024, gedeeld door 2). In verband met voornoemde correcties heeft de Inspecteur op grond van het bepaalde in artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) een vergrijpboete opgelegd van 25%.

2.2. De ambtgenoot van de Inspecteur te C beschikte reeds op 12 maart 2002 over een ordner met informatie verkregen van de B.V. in het kader van een door de Belastingdienst aldaar ingesteld deelonderzoek loonbelasting naar de personeelsopties 1997-2001 (hierna: de ordner). De ordner bevatte onder meer de overeenkomst met B B.V.. Belanghebbendes primitieve aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2001 is met dagtekening 14 november 2002 door de Inspecteur vastgesteld conform de ingediende aangifte, zonder dat hij door zijn ambtgenoot te C geïnformeerd was over de overeenkomst met B B.V..

2.3. De geconsolideerde omzet van B B.V. is van € 160 miljoen in 1999 gestegen naar € 290 miljoen in 2000.

Begin 2001 kreeg een merchant bank (D) opdracht een koper te vinden voor B B.V.'s voornaamste bezit, de aandelen in de B.V.. Aan D zou een succesfee worden betaald, wanneer de opbrengst € 320 miljoen of hoger zou zijn.

De aandelen in de B.V. zijn op 15 mei 2001 voor € 260 miljoen verkocht naar tussentijdse cijfers per 30 juni 2001.

Een aantal van die cijfers leidde tot een geschil tussen de koper en B B.V.. De arbitrage daarover bracht echter uiteindelijk geen verandering in de koopprijs.

2.4. Belanghebbende was niet de enige die in 1999 afstand van optierechten deed. Ook de daaruit ontstane vorderingen (in totaal circa. € 22,5 miljoen) van de andere werknemers werden eind 2001 afgelost. Sommigen kregen meer dan anderen. Daarover werd civiel geprocedeerd. Er werd en wordt ook fiscaal

geprocedeerd over de vraag of de opbrengst bij afstand van de opties via de hier bewandelde weg onbelast kon worden getoucheerd.

2.5. Ter zitting van het Hof is de aangifte IB 2001 van belanghebbende overgelegd, die naar belanghebbendes verklaring door een adviseur is gedaan.

Uit de aangifte IB 2001 blijkt niet wie die belastingadviseur was.

Er is in Box 1 onder het hoofd 'Box 1: rente-inkomsten' een rentebate over de periode voor 2001 aangegeven van € 4.787. Deze rentebate had geen betrekking op de vordering op B B.V.

2.6. De werknemers van de B.V. zijn collectief en ook individueel vanwege de werkgever ingelicht over de bij de afstand van de opties bewandelde weg.

2.7. Belanghebbende heeft een financiële opleiding genoten en was financieel directeur bij de B.V.

2.8. Bij de overeenkomst met B B.V. is overeengekomen, dat brutering van eventuele nageheven loonbelasting op belanghebbende zal worden verhaald. Het gaat hierbij om een bedrag van € 98.162 (hierna: de verhaalsvordering).

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Is sprake van een nieuw feit dat navordering

rechtvaardigt, dan wel van kwade trouw?

2. Dient de vordering van belanghebbende op B B.V. per 1 januari 2001 op het nominale bedrag te worden gewaardeerd?

3. Vormt de eventuele verhaalsvordering van € 98.162 een van aftrek in Box 3 uitgesloten belastingschuld?

4. Is de boete terecht en tot een juist bedrag opgelegd?

Belanghebbende is van mening dat deze vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke gedingstukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt

verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de navorderingsaanslag wegens ontbreken van een nieuw feit als bedoeld in artikel 16 van de AWR, subsidiair tot een verlaging daarvan tot een aanslag waarbij

- de waarde van de vordering van belanghebbende op B B.V. wordt gesteld op 10% van de nominale waarde verminderd met de verhaalsvordering,

- de boete ter zake van het niet aangeven daarvan vervalt,

- de boete ter zake van het niet aangeven van de rente 2000 over die vordering op 10% wordt gesteld en

- naar het Hof verstaat nog een verlaging wordt verleend wegens undue delay.

De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot bevestiging in hoger beroep van zijn door de Rechtbank vernietigde uitspraak.

4. Gronden

4.1. Naar het oordeel van het Hof is er sprake van een voor de Inspecteur nieuw feit dat navordering rechtvaardigde. De Rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de Inspecteur mocht afgaan op de aangifte. Deze behoefde hem geen aanleiding te geven een vraag te stellen over de vermogensstijging tussen 1 januari 2001 en 31 december 2001. Die kan immers vele verschillende oorzaken hebben. Belanghebbende had bijvoorbeeld een aanmerkelijk belang, waaruit in 2001 een groot bedrag aan dividend werd genoten. Belanghebbende heeft in de aangifte IB 2001 onder het hoofd rente-inkomsten ook een bedrag aan rente over 2000 aangegeven in Box 1, welke rente geen betrekking had op zijn vordering op B B.V., waaruit de Inspecteur mocht afleiden dat belanghebbende onderdeel AK van artikel I van Hoofdstuk 2 van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 in aanmerking had genomen. De Inspecteur mocht ervan uitgaan dat dat rentebedrag juist was.

Dat wordt niet anders doordat zijn ambtgenoot te C reeds vanaf maart 2002 de ordner onder zich had met gegevens van alle werknemers van de B.V., inclusief belanghebbende, die de overeenkomst met B B.V. hebben gesloten. Over de omvang en de aard van de tegenprestatie bij de afstand van optierechten werd civiel en fiscaal geprocedeerd. De ambtgenoot te C had naar het oordeel van het Hof goede redenen te wachten met het versturen van renseignementen naar de eenheden van de Belastingdienst, waaronder de werknemers vielen. Daarmee wachten leidde daarom niet tot enig ambtelijk verzuim.

4.2. De waarde waarnaar de vordering van belanghebbende moet worden gewaardeerd dient objectief te worden bepaald naar de verkeerswaarde op 1 januari 2001. Die waarde is naar het oordeel van het Hof op die datum, naar de Inspecteur terecht stelt, te stellen op 100%.

Op of kort na 1 januari 2001 zocht B B.V. door inschakeling van een merchant bank (D) immers een koper voor meer dan 300 miljoen. De geconsolideerde omzet was ultimo 2000 gestegen naar € 290 miljoen. Dat was de situatie op 1 januari 2001. De B.V. is bovendien in mei 2001 voor € 260 miljoen verkocht.

Die situatie per 1 januari 2001 werd niet beïnvloed door de omstandigheid dat de markt in het najaar 2001 verslechterde. Dat was op 1 januari 2001 niet te voorzien.

Het zichtbaar negatief vermogen van B B.V. was met € 22,5 miljoen niet groter dan het bedrag te vorderen door de gezamenlijke werknemers, die afstand hadden gedaan van hun opties. Voor de beoordeling van de vordering van belanghebbende per 1 januari 2001 moet de balans per ultimo 2000 na herwaardering als maatstaf worden genomen. Daarbij mag de verwachting van A B.V. ten aanzien van de verkoopopbrengst van haar aandelen B B.V. in aanmerking worden genomen.

Belanghebbende heeft daarom met wat hij stelt het Hof er niet van kunnen overtuigen dat de vordering op minder dan 100% moest worden gewaardeerd voor Box 3 per 1 januari 2001.

4.3. Belanghebbende en B B.V. zijn overeengekomen, dat brutering van eventuele loonbelasting ter zake van de afstand van opties op belanghebbende zal kunnen worden verhaald. Nu niet is gekozen voor eindheffing bij de werkgever is belanghebbende degene die ter zake van de opbrengst bij die afstand als belastingplichtige voor de loonbelasting moet worden aangemerkt. Een verhaalsschuld als deze is dan naar het oordeel van het Hof een uitdrukkelijk van aftrek in Box 3 uitgesloten belastingschuld als bedoeld in artikel 5.3, lid 3, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

4.4. Belanghebbende was financieel directeur. De aangifte IB 2001 is gedaan op 4 augustus 2002.

Hij had op dat tijdstip 'alles in huis' om in de aangifte de waarde van de vordering per 1 januari 2001 in Box 3 op te nemen en vervolgens - naast de reeds uit anderen hoofde aangeven rente over 2000 - ook de op die vordering in december 2001 ontvangen rente te splitsen over de jaren 2000 en 2001 en de rente betrekking hebbende op het jaar 2000 in Box 1 aan te geven. Naar het oordeel van het Hof is een en ander voldoende reden om met de Inspecteur hier van een geval van grove schuld te spreken ter zake van beide correcties. De boete van 25% is naar het oordeel van het Hof terecht opgelegd ter zake van deze beide correcties.

Er is naar het oordeel van het Hof geen reden een aftrek wegens undue delay toe te passen.

De daarvoor gestelde termijnen zijn noch bij de Rechtbank noch bij het Hof overschreden.

De in 1999 bewandelde weg leidde tot complexiteit en bood belanghebbende daarom bij het inslaan van die weg reeds uitzicht op veel vertraging. Het deelonderzoek loonbelasting is stilgelegd in afwachting van de uitkomst van civiele procedures. De navorderingsaanslag is tot behoud van rechten opgelegd op 23 november 2005. Dat heeft naar het oordeel van het Hof gezien de complexiteit ook niet te lang geduurd.

4.5. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, dienen alle in geschil zijnde vragen bevestigend te worden beantwoord. Het gelijk is aan de zijde van de Inspecteur.

Ten aanzien van het griffierecht

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond,

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, en

- verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 8 mei 2009 door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, J. Swinkels en A.C.J. Viersen, leden, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier.

De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.