Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ3813

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
27-07-2009
Zaaknummer
08/00008
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op proceskostenvergoeding voor andere procedures

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-1616
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Eerste meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 08/00008

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X, wonende te Y

hierna: belanghebbende

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 29 november 2007, nummer AWB 07/1939 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

met betrekking tot de hierna te noemen aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2003 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.189 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.325, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.914 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.325, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 15,64 en de Staat gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht aan deze te vergoeden.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 106. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4 Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5. De zitting heeft plaatsgehad op 26 februari 2009 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.6. Ter zitting heeft belanghebbende enkele stukken ter inzage aan het Hof en de Inspecteur verstrekt. Deze stukken zijn niet door hem ingebracht.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast:

2.1. Belanghebbende, geboren 5 oktober 1943, is gehuwd met mevrouw A en is woonachtig op het adres B-straat 72 te Y.

2.2. Belanghebbendes echtgenote heeft aangifte gedaan van een verzamelinkomen van € 400. In haar aangifte heeft zij als voordeel uit eigen woning € 400 aangegeven, zijnde 0,8% van

€ 100.000. Haar definitieve aanslag is op 1 december 2006 vastgesteld op een verzamelinkomen van € 400.

2.3. Voor de woning van belanghebbende is een WOZ-beschikking afgegeven voor de periode 2001-2004 met een waarde van € 104.369. Hiertegen is geen bezwaar en beroep ingesteld. De beschikking is niet herzien.

2.4. Belanghebbende exploiteerde in 1993 een onderneming, deze is in of omstreeks 1998 beëindigd.

2.5. Tijdens de behandeling van het onder 1.1 genoemde bezwaar heeft de Inspecteur met dagtekening 21 maart 2007 een brief aan belanghebbende verzonden waarin onder andere is vermeld:

"Omdat u nog niet inhoudelijk heeft gereageerd, kan ik geen rekening houden met uw antwoorden."

En:

"Mondelinge toelichting

Ik ben voornemens het bewaarschrift af te wijzen. Voordat ik dat doe, wil ik u nog in de gelegenheid stellen uw bezwaarschrift mondeling toe te lichten. U kunt daarvoor een afspraak met mij maken. Mijn doorkiesnummer staat in het briefhoofd."

En:

"Graag ontvang ik uw schriftelijke reactie vóór 4 april 2007."

2.6. Belanghebbende heeft de onder 2.5 genoemde brief voorzien van opmerkingen geretourneerd, maar daarin niet verzocht om te worden gehoord.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft in hoger beroep het antwoord op de volgende vragen:

1. Had belanghebbende in de bezwaarfase gehoord moeten worden?

2. Moet het eigenwoningforfait op nihil worden gesteld?

3. Heeft belanghebbende recht op aftrek van proceskosten ten bedrage van € 20.455 betrekking hebbende op inning van huurpenningen van verhuur van onroerende zaken?

4. Heeft belanghebbende recht op een vergoeding van proceskosten van eerdere procedures?

5. Heeft belanghebbende recht op een schadevergoeding van € 1.849.079, dan wel een door het Hof in goede justitie vast te stellen redelijke vergoeding?

Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

4. Beoordeling van het geschil

Ten aanzien van het horen

4.1. Op grond van artikel 7:2 van de Awb en artikel 25, vierde lid, van de Algemene Wet inzake rijksbelastingen dient de belanghebbende in de bezwaarfase gehoord te worden op diens verzoek.

4.2. In zijn brief van 21 maart 2007 heeft de Inspecteur belanghebbende expliciet in de gelegenheid gesteld een afspraak te maken om het bezwaarschrift met betrekking tot de onderhavige aanslag mondeling toe te lichten. Hierop heeft belanghebbende niet gereageerd. Hij heeft volstaan met zijn opmerkingen op de betreffende brief te noteren en deze aan de Inspecteur te retourneren, maar daarbij niet verzocht te worden gehoord. Om deze reden faalt belanghebbendes klacht dat de Inspecteur de hoorplicht zou hebben geschonden. Belanghebbendes verweer, dat hij de Inspecteur in het verleden al wel 60 keer heeft uitgenodigd om langs te komen, en dat de Inspecteur daarop nooit heeft gereageerd, maakt dat niet anders.

Ten aanzien van het eigenwoningforfait

4.3. Ingevolge artikel 3.112, lid 2, Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) is de eigenwoningwaarde de volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor die woning vastgestelde waarde. Niet in geschil is dat die waarde met betrekking tot het onderhavige jaar is vastgesteld op € 104.369.

4.4. In hoger beroep stelt belanghebbende dat het eigenwoningforfait voor het jaar 2003 op nihil moet worden gesteld omdat de Inspecteur deze voor het jaar 2006 op nihil heeft gesteld.

4.5. Uit de door belanghebbende ingebrachte brief van de Inspecteur aangaande de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2006 blijkt dat de Inspecteur over dat jaar de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld (per saldo resulterend in een bijtelling van nihil) heeft toegepast omdat belanghebbende over dat jaar geen aftrekbare kosten eigen woning heeft. De Inspecteur baseert zich daarmee op artikel 3.123a Wet IB 2001, hetwelk eerst in werking is getreden op 1 januari 2005. Een beroep van belanghebbende op toepassing van deze bepaling voor het jaar 2003 kan dan ook niet worden gehonoreerd.

4.6. Voor zover belanghebbende met zijn stelling een beroep doet op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder opgewekt vertrouwen, heeft de Rechtbank ter zake op goede gronden een juiste beslissing genomen.

4.7. Belanghebbende stelt verder nog dat de waarde van de woning € 100.000 bedraagt omdat de bij de woning behorende garage is afgebrand. Nu de eigenwoningwaarde is vastgesteld op € 104.369 is het eigenwoningforfait, gelet op de door belanghebbende gehanteerde verdeling tussen hem en zijn echtgenote (aan wie € 400 is toegerekend), eerder op een te laag dan te hoog bedrag vastgesteld, namelijk € 417 (zijnde: € 834:2).

Ten aanzien van de proceskosten inning huurpenningen

4.8. In hoger beroep stelt belanghebbende dat de kosten voor inning huurpenningen betrekking hebben op zijn onderneming. Het ligt dan op zijn weg om tegenover de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur dit aannemelijk te maken.

4.9. Met hetgeen belanghebbende heeft aangedragen, heeft hij op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat in het jaar 2003 uitgaven zijn gedaan die betrekking hebben op een door hem (eerder) gedreven onderneming.

4.10. Ten eerste heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de uitgaven betrekking hebben op het jaar 2003. De door belanghebbende overgelegde nota van griffierecht van de Raad van State heeft betrekking op het jaar 2008. Ook de door belanghebbende overgelegde nota's van taxateurs en advocaten zijn niet in het jaar 2003 gedateerd. Belanghebbende heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat de nota's geheel of gedeeltelijk in het jaar 2003 zijn betaald.

4.11. Belanghebbende heeft daarnaast niet aannemelijk gemaakt dat de betreffende procedure voor de Raad van State, alsmede de andere gestelde uitgaven, betrekking hebben op een (eerder door hem gedreven) onderneming.

4.12. Nu het er derhalve voor moet worden gehouden dat de betreffende uitgaven betrekking hebben op vermogensbestanddelen die onderdeel uitmaken van het voordeel uit sparen en beleggen van hoofdstuk 5 Wet IB 2001 (box 3) heeft de Rechtbank te dezer zake op goede gronden de juiste beslissing genomen.

Ten aanzien van de proceskosten

4.13. Belanghebbende verzoekt teruggave van proceskosten ten bedrage van € 3.036, wegens 11 eerder gevoerde procedures.

4.14. De Rechtbank heeft overwogen dat artikel 8:75 Awb niet de mogelijkheid biedt om de Inspecteur te veroordelen om de kosten te vergoeden die een partij in andere beroepen heeft moeten maken.

4.15. De Rechtbank heeft te dezen op goede gronden een juiste beslissing genomen. Voor een vergoeding van proceskosten is de rechter die uitspraak doet in het betreffende geding de aangewezen instantie om hierover te oordelen. Indien in de door belanghebbende genoemde 11 andere procedures de desbetreffende rechterlijke colleges geen aanleiding hebben gevonden om de Inspecteur te veroordelen tot het vergoeden van griffierecht en proceskosten had het belanghebbende vrij gestaan om tegen die oordelen nieuwe rechtsmiddelen aan te wenden. In een andere procedure, zoals de onderhavige, bestaat voor de rechter niet de mogelijkheid om hierover opnieuw een oordeel te geven.

Ten aanzien van de schadevergoeding

4.16. Belanghebbende is in hoger beroep van oordeel dat de Inspecteur veroordeeld dient te worden tot een aan belanghebbende te betalen schadevergoeding. Hij verzoekt een vergoeding van € 1.435.445, later aangevuld met € 413.634, dan wel een naar het oordeel van het Hof vast te stellen redelijke vergoeding.

4.17. De Rechtbank heeft het door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard. In het geding in eerste aanleg heeft belanghebbende geen verzoek om schadevergoeding ingediend.

4.18. Ingevolge artikel 8:73 Awb kan het Hof aan belanghebbende een schadevergoeding toekennen indien het (bij de Rechtbank ingediende) beroep gegrond is.

4.20. Het Hof begrijpt belanghebbende ter zake aldus dat met de in eerste aanleg gevoerde procedure en de uitspraak van de Rechtbank vast is komen te staan dat rechterlijke uitspraken over eerdere jaren het gevolg zijn van rechterlijke dwalingen die door de Inspecteur zijn veroorzaakt.

4.21. Het Hof kan belanghebbende in die stelling niet volgen. In de litigieuze uitspraak heeft de Rechtbank belanghebbende - nadat de Inspecteur ter zitting reeds tot die aftrek had geconcludeerd - aftrek levensonderhoud toegekend voor het eerste en tweede kwartaal van het jaar 2003. De Rechtbank heeft niet geoordeeld over voorgaande jaren. Door de uitspraak van de Rechtbank is daarmee dan ook niet komen vast te staan dat eerdere uitspraken onjuist zijn; gelet hierop is er (nu) geen reden schade toe te kennen op de grond dat eerdere rechterlijke uitspraken onjuist zouden zijn.

4.21. De gegrondverklaring door de Rechtbank van het door belanghebbende ingestelde beroep inzake het jaar 2003 geeft naar het oordeel van het Hof geen aanleiding voor het vergoeden van schade als bedoeld in artikel 8:73 Awb, omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem gestelde schade ook maar enig verband heeft met de beslissing van de Rechtbank voor het jaar 2003 alsnog rekening te houden met een aftrek voor kosten levensonderhoud en bovendien deze beslissing mede een gevolg is van door belanghebbende voor de Rechtbank aangevoerd (nader) bewijs.

Slot

4.22. Met betrekking tot de grief van belanghebbende dat hij - naar het Hof begrijpt - in zijn bewijspositie is geschaad, omdat de Inspecteur allerlei originele stukken van belanghebbende bij brief van 3 februari 1998 aan het Hof zou hebben gestuurd in het kader van de toen bij het Hof lopende procedures 96/01327 en 96/01326 overweegt het Hof als volgt. Belanghebbende is bij brief van de griffier van 10 april 2009 separaat bericht dat deze dossiers - overeenkomstig de van toepassing zijnde regels - zijn geschoond en dat de door belanghebbende bedoelde stukken niet zijn aangetroffen, daargelaten of die stukken eerder tot de dossiers behoorden. Voor zover belanghebbende hierdoor in bewijsnood zou zijn gekomen voor het onderhavige jaar dient dit voor zijn rekening en risico te blijven, omdat hij toentertijd heeft nagelaten kopieën van de stukken achter te houden.

5. Griffierecht

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

7. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op: 20 mei 2009 door P. Fortuin, voorzitter, N. van Beelen en W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.