Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ3812

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-05-2009
Datum publicatie
27-07-2009
Zaaknummer
07/00550
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BO4363, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende ontvangt van zijn zakenpartner een vergoeding van € 2.042.000. In geschil is de vraag hoe de vergoeding dient te worden gekwalificeerd. De rechtbank (NTFR 2007/2283) heeft geoordeeld dat de vergoeding moet worden aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden. Uit de stukken blijkt dat het aangaan van het samenwerkingsverband vooral was geïnspireerd door de reputatie die belanghebbende genoot door zijn fysieke overtuigingskracht en zijn hoedanigheid van woonwagenbewoner, die het betaalgedrag van de schuldeisers van zijn zakenpartner positief kon beïnvloeden. De stelling van belanghebbende dat sprake is van winst uit aanmerkelijk belang wordt verworpen aangezien belanghebbende nooit aandeelhouder is geweest. In hoger beroep oordeelt het hof dat de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft gegeven. De door belanghebbende in hoger beroep overgelegde verklaring van zijn zakenpartner acht het hof op essentiële punten zo vaag dat daaraan niet de gevolgtrekking kan worden verbonden dat belanghebbende recht had op levering van aandelen in de BV van zijn zakenpartner.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/43.1.2
FutD 2009-1615
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Derde meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 07/00550

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X

te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 12 november 2007, nummer AWB 06/2478, in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 2.063.155, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 38.

Bij uitspraak van 12 november 2007, nr. AWB 06/2478, heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 106.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 27 maart 2009 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota met bijlagen toegezonden aan het Hof en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. De Inspecteur heeft verklaard bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota gevoegde verklaring onder ede, doch geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij de pleitnota gevoegde foto's.

1.6. De Inspecteur heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2. Feiten

De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

2.1. Belanghebbende is geboren op 22 mei 1962, is autosloper van beroep en is woonachtig in een woonwagenkamp.

2.2. In zijn aangiften voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 1998 tot en met 2002 heeft belanghebbende de navolgende belastbare inkomens en vermogens, respectievelijk belastbare bedragen, aangegeven:

1998 1999 2000 2001 2002

belastbaar inkomen ? 70.379 ? 19.567 -/-? 6.089

inkomen uit werk en woning € 25.750 € 21.145

belastbaar vermogen nihil nihil nihil

inkomsten uit sparen en beleggen nihil nihil

inkomsten uit

aanmerkelijk

belang

nihil

nihil

2.3. Met dagtekening 1 januari 1998 is door belanghebbende en de heer A ('A') een intentieverklaring ('de intentieverklaring') getekend welke, voor zover hier van belang, luidt als volgt:

" X en A gaan per onmiddellijk een partnership aan in de verhouding 50%/50%. De ondernemingsvorm die wordt gekozen is de besloten vennootschap die de naam zal dragen B BV. A zal in deze structuur de direktie vormen met volledige bevoegdheid. De in de toekomst nieuw te vormen dochterondernemingen zullen aan deze overeenkomst onderhavig zijn."

2.4. B B.V. ('de B.V.') heette aanvankelijk "C voor strategische communicatie B.V." Doel was "het exploiteren van een adviesbureau en dienstverlening op het gebied van strategische communicatie." Aandeelhouder was D B.V., waarvan A aandeelhouder was. Bij de naamswijziging is de doelstelling niet aangepast. Terzake van de intentieverklaring zijn aan belanghebbende geen aandelen uitgereikt.

2.5. Feitelijk hield de B.V. zich bezig met het aanhouden van deelnemingen in andere vennootschappen.

2.6. Met tijdsaanduiding "februari 1998" heeft A een schriftelijke verklaring('de verklaring') ondertekend welke luidt als volgt:

" De ondergetekende, de heer A, verklaart dat de heer X recht heeft op de helft van de waarde en de inkomsten uit de onderneming(en) van ondergetekende (ook de BV's).

Aldus verklaard en getekend te Y, februari 1998".

Ook deze verklaring is niet gevolgd door de verkrijging, door belanghebbende, van aandelen in de B.V. of enige andere onderneming als in de verklaring bedoeld.

2.7. Bij brief van 27 augustus 2001 bevestigt mr. E, namens belanghebbende, tegenover A het bestaan van een overeenkomst, krachtens welke één derde van de geplaatste aandelen in de B.V. zou worden verkocht aan belanghebbende en eist hij de levering van de desbetreffende aandelen.

2.8. Daarop is een uitvoerige correspondentie gevolgd met zowel A als zijn advocaten. (...)

Een en ander heeft geleid tot een op 13 juni 2002 gesloten vaststellingsovereenkomst ('de vaststellingsovereenkomst'), krachtens welke A belanghebbende een vergoeding toekende van € 2.042.010,90 ('de vergoeding'). Dit bedrag - de tegenwaarde van fl. 4.500.000 - bleek later te zijn samengesteld als volgt:

- 'aanspraak X 31 december 2000' fl. 1.000.000

- 'aanspraak X 2001 + jan.-juni 2002' fl. 300.000

- 'inbreng X' fl. 327.000

- '1/3 in waarde ondernemingen A' fl. 2.873.000.

2.9. De "inbreng X", ad fl. 327.000 betreft, volgens een brief van de gemachtigde van 4 oktober 2004, de vergoeding die aan belanghebbende is toegekend terzake van zijn activiteiten in het kader van de handel in kokosbrood, een activiteit waarmee de B.V. zich enige tijd op de Duitse markt zou hebben beziggehouden, maar die geen succes bleek. Dat, anders dan de verklaring van februari 1998 behelsde, aan belanghebbende niet de helft maar slechts een derde van de ondernemingen van A toekwam, wordt verklaard doordat, nadat de afspraak was gemaakt, een derde ('F') bij de ondernemingen van A betrokken is geraakt.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of, en zo ja, tot welk bedrag, het bij de vaststellingsovereenkomst overeengekomen bedrag tot belanghebbendes belastbare inkomen is te rekenen. Bij bevestigende beantwoording van deze vraag is tevens in geschil het antwoord op de vraag of, en in hoeverre, het aldus in aanmerking te nemen voordeel is te rekenen tot het belastbare inkomen uit werk en woning (hierna: box 1) dan wel tot het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang (hierna: box 2).

3.2. Belanghebbende is van mening dat slechts sprake kan zijn van belastingheffing in box 2 en dan nog slechts in zoverre als de vergoeding inbaar is. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat voor het volledige bedrag van de vergoeding sprake is van opbrengst van overige werkzaamheden, te belasten in box 1.

3.3. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.4. Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot:

- gegrondverklaring van het hoger beroep en het beroep bij de

Rechtbank;

- vernietiging van de uitspraak op bezwaar;

- primair tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.145, en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil;

- subsidiair tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.145, en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 723.210;

- meer subsidiair tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 744.355 (te weten € 723.145 plus € 21.145) en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil;

- meest subsidiair tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.145 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 2.042.010,

- steeds met een vergoeding van de kosten van de bezwaarfase en de beroeps- en hoger beroepsprocedure, alsmede een vergoeding van de door belanghebbende geleden en te lijden schade.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1. Belanghebbende herhaalt in hoger beroep de door hem voor de Rechtbank aangevoerde grieven. Hij heeft daaraan in hoger beroep geen nieuwe feitelijke stellingen toegevoegd. Ten aanzien van die grieven heeft de Rechtbank naar het oordeel van het Hof op goede gronden een juiste beslissing gegeven.

4.2. In hoger beroep heeft belanghebbende een verklaring overgelegd van de heer A. Uit deze verklaring moet volgens belanghebbende de conclusie worden getrokken dat hij in 1998 een aanmerkelijk belang in de BV heeft verkregen. Deze verklaring werpt naar het oordeel van het Hof echter geen nieuw licht op de zaak. Weliswaar verklaart de heer A: "Ik sprak met de heer X af dat hij deel zou kunnen gaan nemen in mijn vennootschaps(structuur), dat wil zeggen dat hij recht had op levering van aandelen", maar naar het oordeel van het Hof is deze verklaring zo vaag omtrent het moment van de afspraak, de vraag welke aandelen het betreft, de hoeveelheid aandelen, de tegenprestatie en de vraag wat er precies bedoeld wordt met de woorden "dat wil zeggen", die immers kunnen duiden op een conclusie die achteraf door de heer A is getrokken, dat daaraan niet de door belanghebbende voorgestane gevolgtrekking kan worden verbonden. Ook bezien in samenhang met het overige door belanghebbende voor zijn standpunt aangevoerde bewijs, leidt deze verklaring niet tot het oordeel dat belanghebbende zijn standpunt aangaande het beweerdelijke recht op levering van aandelen in de BV aannemelijk heeft gemaakt.

4.3. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen gaat het Hof om proceseconomische redenen voorbij aan het bezwaar dat de Inspecteur heeft gemaakt tegen overlegging van de verklaring van de heer A.

4.4. Het voorgaande brengt mee dat het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is. Het hoger beroep moet worden verworpen.

Ten aanzien van het griffierecht

4.5. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de schadevergoeding

4.6. Nu het hoger beroep ongegrond wordt verklaard komt een schadevergoeding op de voet van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht niet aan de orde.

Ten aanzien van de proceskosten

4.7. Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep ongegrond is, acht het Hof geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

5. Beslissing

Het Hof verklaart het hoger beroep ongegrond

Aldus gedaan op 8 mei 2009 door R.J. Koopman, voorzitter, J.C.K.W. Bartel en J.W. Zwemmer, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.