Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ3811

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-05-2009
Datum publicatie
27-07-2009
Zaaknummer
07/00314
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende exploiteert een gemeenschapshuis. De inspecteur heeft belanghebbende ingedeeld in de sector met code 17: Detailhandel en ambachten. Reden hiervoor is volgens de inspecteur dat belanghebbende zich bezighoudt met het exploiteren van een gebouw middels het verhuren en ter beschikking stellen van ruimten aan instellingen en particulieren en in soortgelijke zaken in het verleden steeds het standpunt ingenomen is dat dan aansluiting bij sector 17 plaatsvindt. Het hof is dat niet met hem eens. De exploitatie van de zaalruimten is in het onderhavige geval slechts een middel om te komen tot het doel van belanghebbende, te weten de behartiging van maatschappelijke belangen. De inspecteur maakt volgens het hof niet aannemelijk dat de ware aard van belanghebbendes werkzaamheden en de kernfunctie van belanghebbende in het maatschappelijk verkeer iets anders is dan het behartigen van maatschappelijke belangen. De door belanghebbende verrichte werkzaamheden moeten worden gerangschikt onder de sector met code 35: Gezondheid, geestelijke en maatschappelijke belangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/62.19 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 07/00314

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van Stichting X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst Z van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst Q van de rijksbelastingdienst, die thans ten aanzien van belanghebbende bevoegd is, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden beschikking.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Bij beschikking van 25 januari 2007 met kenmerk 0000.00.000.XXX.07.AAA, is belanghebbende voor de werknemersverzekeringen vanaf de datum, waarop de eerste verzekeringsplichtige werknemer in dienst is getreden, aangesloten bij de sector met code 17, met omschrijving Detailhandel en ambachten, welke beschikking, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur van 21 mei 2007 is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak tijdig in beroep gekomen bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 285.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 16 mei 2008 te 's-Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen en gehoord belanghebbende.

De Inspecteur is met bericht niet verschenen.

1.4. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

1.5. Het Hof heeft met toepassing van artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het Hof met toepassing van artikel 8:45 van de Awb partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of onder hen berustende stukken in te zenden. Deze met partijen gevoerde correspondentie behoort tot de stukken van het geding.

1.6. Het nader onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 12 februari 2009 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.7. Belanghebbende heeft, zonder bezwaar van de wederpartij, ter zitting een tweetal arbeidsovereenkomsten, de verzamelloonstaten 2007 en 2008 en het jaarverslag 2007 overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze stukken tot de stukken van het geding.

1.8. Van het verhandelde ter nader onderzoek ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

1.9. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten en aangekondigd schriftelijk uitspraak te doen.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en de onderzoeken ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende is opgericht op 24 januari 1984. Blijkens de statutenwijziging van 28 december 1998 heeft belanghebbende ten doel het beheer, de exploitatie en de instandhouding van een gemeenschapshuis in de wijk A te Y (hierna: het gemeenschapshuis) om op deze wijze medewerking te verlenen aan een verantwoorde ontplooiing van het sociale en culturele leven ter plaatse. Belanghebbende tracht haar doel onder andere te verwezenlijken door het stichten en beheren van het gemeenschapshuis opdat dit naar aard, omvang en inrichting gebruikt kan worden voor intensief, efficiënt, regelmatig, veelzijdig en bestendig werk van een vormend en recreatief karakter.

2.2. De gemeente Y is eigenaar van het gebouw waarin belanghebbende is gehuisvest. Het gebouw bevat zeven zalen, een foyer met daarin een bar en een aangrenzende keuken waarin koffie en thee worden gezet en kleine snacks en soep kunnen worden gemaakt. De keuken is alleen geopend als er zaalruimte in gebruik is.

Twee van de zalen van het gebouw worden permanent verhuurd aan een kinderdagverblijf. Het beheer van deze zaalruimten en activiteit vallen buiten de (beheers)activiteiten van belanghebbende.

2.3. In het gemeenschapshuis vinden de volgende activiteiten plaats:

- St. Nicolaas-, carnavals- en Nieuwjaarsviering voor de wijk,

- ouderenactiviteiten, waaronder kaarten, koersballen, biljarten en bewegingsactiviteiten,

- dansactiviteiten voor gehandicapten,

- vergaderingen van de wijkraad en van verschillende verenigingen van eigenaren,

- zittingen van patiëntenverenigingen, bloedprikken, en dergelijke, - bijeenkomsten van een postzegelclub,

- toneelrepetities en -uitvoeringen van een aantal basisscholen.

Deze opsomming is niet limitatief.

Belanghebbende verzorgt zelf de organisatie van de Nieuwjaarsviering. De overige activiteiten worden door diverse groeperingen ten behoeve van de wijk A te Y georganiseerd. Daarbij worden voor de activiteiten vrijwilligers ingezet.

Belanghebbende mag van de gemeente alleen op de wijk gerichte activiteiten laten plaatsvinden in het gemeenschapshuis en mag geen commerciële functie vervullen noch in concurrentie treden met commerciële instellingen.

2.4.1. De financiering van belanghebbende geschiedt in belangrijke mate door de gemeente Y middels het om niet ter beschikking stellen van het gebouw waarin belanghebbende gehuisvest is en het subsidiëren van de personeelskosten van beheer. Verder bestaat de mogelijkheid van overige subsidies en worden huurinkomsten genoten.

2.4.2. De gemeente Y ( hierna: de gemeente) heeft in november 2005 de Nota Welzijnsaccommodaties vastgesteld (hierna: de Nota).

In de Nota is vermeld in onderdeel 3.3. "De subsidiëring" dat de gemeenschapshuizen een vast subsidiebedrag ontvangen voor ieder dagdeel dat zij een ruimte van hun accommodatie gratis beschikbaar stellen aan door de gemeente erkende en gesubsidieerde activiteiten. De gemeente geeft aan dat hierdoor feitelijk sprake is van "inkoop" van huisvesting ten behoeve van gesubsidieerde activiteiten. De gemeente betaalt daarbij een vergoeding van € 45 per dagdeel, voor een ruimte groter dan 100 m2, en zij betaalt de helft voor een kleinere ruimte. De maximumsubsidie per erkende gebruiker heeft de gemeente gesteld op € 15.000 per jaar.

2.4.3. In onderdeel 3.5 "Beheer en schoonmaak" van de Nota is opgenomen dat de gemeente onder andere bij belanghebbende de subsidiëring van het beheer geleidelijk gaat afbouwen. Hierdoor zal belanghebbende haar exploitatie moeten aanpassen. In de Nota wordt hiervoor een aantal mogelijkheden genoemd, zoals het binnenhalen van meer "erkende" huurders, het aantrekken van meer niet erkende huurders, waaraan een kostendekkende huur kan worden gevraagd, het vragen van kostendekkende huur van huidige niet erkende huurders, het adequaat regelen van de openingstijden en aan vertrouwde huurders sleutels ter beschikking stellen, zogenoemd sleutelbeheer. De gemeente beperkt de bemoeienis met een gemeenschapshuis (onderdeel 3.7 van de Nota) tot het erop toezien dat de accommodatie verantwoord wordt bestuurd en dat gesubsidieerde activiteiten en andere buurtgerichte activiteiten in een gemeenschapshuis terecht kunnen.

2.5. Tot en met het jaar 2006 werden de twee medewerkers, die bij belanghebbende voor beheer en schoonmaak werkzaam waren en binnen het normale maatschappelijke arbeidsverkeer weinig perspectief hadden, ter beschikking gesteld door de stichting B, een door de gemeente Y gesubsidieerde stichting voor samenlevingsopbouw. Vanaf het jaar 2007 zijn deze medewerkers als beheerder en assistent-beheerder een arbeidsverhouding met belanghebbende aangegaan.

2.6. De werkzaamheden van deze werknemers omvatten het volgende. De beheerder heeft een coördinerende functie, hij regelt de inkoop en is gastheer, hij draagt zorg voor de boekingsformulieren voor het gebruik van de zalen en verder dat de zalen gereed zijn voor gebruik. De assistent-beheerder is hierbij ondersteunend werkzaam en zorgt ook voor het schoonhouden van de toiletten. De werknemers zijn geschoold op het gebied van EHBO en BHV.

Schoonmaak en onderhoud van het gebouw besteedt belanghebbende uit.

2.7. Belanghebbende heeft zich op 19 december 2006 middels een formulier "Aanmelding werkgever" bij de Inspecteur gemeld voor de loonheffingen. Bij beschikking van 25 januari 2007 heeft de Inspecteur belanghebbende als exploitant van een gemeenschapshuis ingedeeld in sector met code 17: Detailhandel en ambachten.

2.8. Belanghebbende heeft tegen deze sectorindeling bezwaar gemaakt en verzocht om aansluiting bij sector 35:, Gezondheid, geestelijke en maatschappelijke belangen. In verband met de behandeling van dit bezwaarschrift heeft de Inspecteur bij belanghebbende op 10 mei 2007 een bedrijfsbezoek ingesteld. In het rapport van dit bedrijfsbezoek van 15 mei 2007 is in onderdeel 6 "Beoordeling" het volgende opgenomen. Belanghebbende houdt zich bezig met het exploiteren van een gebouw middels het verhuren en ter beschikking stellen van ruimten aan instellingen en particulieren. In het verleden is in soortgelijke zaken steeds het standpunt ingenomen dat dan aansluiting bij sector 17, Detailhandel en ambachten, plaatsvindt. Conform dit beleid is belanghebbende aangesloten bij sector 17.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen.

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende terecht is ingedeeld in sector 17: Detailhandel en ambachten.

Belanghebbende is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegengestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Van hetgeen ter beider zittingen naar voren is gebracht zijn processen-verbaal opgemaakt waarvan de inhoud eveneens als hier ingelast moet worden beschouwd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en indeling in sector 35: Gezondheid, geestelijke en maatschappelijke belangen.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1.1. Belanghebbende heeft het volgende gesteld:

Zij exploiteert een gemeenschapshuis met een belangrijke maatschappelijke en sociale functie in de wijk A. Het overgrote deel van haar werkzaamheden wordt verricht door vrijwilligers. De feitelijke werkzaamheden van haar beide werknemers hebben een sociaal en verzorgend karakter. Deze werknemers zijn geschoold op het gebied van EHBO en BHV. De Inspecteur heeft dit een en ander niet weersproken.

Belanghebbende verbindt aan deze feiten de conclusie dat de verhuur van zaalruimten geen kernactiviteit is, maar slechts een middel om te komen tot haar doel. Mede gelet op het voorschrift dat concurrentievervalsing dient te worden voorkomen bij het gebruik van de zalen van het gemeenschapshuis, meent belanghebbende dat bij haar dan ook geen sprake kan zijn van de door de Inspecteur gestelde detailhandel. Voorts beroept belanghebbende zich op het gelijkheidsbeginsel. Bij de inzet van de medewerkers door de stichting B gold aansluiting bij sector 35. Aangezien de werkzaamheden van deze medewerkers, thans werknemers van belanghebbende, niet zijn gewijzigd, dient de aansluiting ten hunnen aanzien volgens belanghebbende gelijk te blijven.

4.1.2. De Inspecteur heeft van de onder 4.1.1 vermelde stellingen van belanghebbende de feitelijke elementen niet weersproken.

4.2. De Inspecteur hanteert als vaste lijn dat gemeenschapshuizen en buurthuizen worden ingedeeld in sector 17 (detailhandel). Hij stelt zich daarbij op het standpunt dat de kernactiviteit zalenverhuur is en dat de werknemers feitelijk vooral als beheerder en schoonmaakster werkzaam zijn ten behoeve van de verhuur van zalen. Dat is volgens hem ook zo bij belanghebbende.

De Inspecteur betoogt in dat verband dat de doelstelling die belanghebbende nastreeft niet doorslaggevend is voor de sectorindeling. Voorts is de Inspecteur van mening dat de werkzaamheden, die belanghebbende doet verrichten, tot één sector behoren.

4.3. Gelet op de aard en de structuur van de toepasselijke regelgeving en in overeenstemming met de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, de tot 1 januari 2006 bevoegde rechter inzake geschillen over de sectorindeling, gaat het Hof ervan uit dat de indeling van een werkgever in een sector dient plaats te hebben op basis van de werkelijke aard van de verrichte werkzaamheden en de kernfunctie die de (onderneming van de) werkgever in het maatschappelijke verkeer vervult.

Het Hof toetst daaraan zonodig het vaste beleid van de Inspecteur, zoals vermeld onder 2.8. Is dat beleid daarmee niet in overeenstemming dan gaat het Hof daaraan voorbij.

De aard en wijze van financiering van de werkzaamheden is naar het oordeel van het Hof geen zelfstandig onderdeel van het toetsingskader. Daarin kan eventueel wel een aanwijzing besloten liggen wat de werkelijke aard en functie van de werkzaamheden zijn.

4.4. Het Hof stelt vast dat belanghebbendes activiteiten weliswaar plaatsvinden door middel van exploitatie van de zaalruimten van het gemeenschapshuis, maar tevens dat die exploitatie slechts een middel was en is.

De ware aard van haar werkzaamheden was gezien hetgeen feitelijk is komen vast te staan in onderdeel 4.1 van deze uitspraak naar het oordeel van het Hof de behartiging van "maatschappelijke belangen".

De kernfunctie die belanghebbende als werkgever heeft, is daarmee naar het oordeel van het Hof volledig in overeenstemming.

Dat verzelfstandiging van de maatschappelijke dienstverlening van de gemeente door middel van (uiteindelijk) belanghebbende, voor de gemeente wellicht en in zekere zin betekende dat zij bij belanghebbende nog slechts ruimte inkocht, doet daaraan niet af.

Beslissend is immers de betekenis die belanghebbende (als werkgever) in het maatschappelijk verkeer heeft. Bovendien stelde de gemeente voorwaarden aan het gebruik van de ruimte. Gebruik van zaalruimten door niet door de gemeente erkende gebruikers was en is beperkt tot op de wijk gerichte activiteiten.

Verder doet daaraan niet af dat de beide werknemers zich mogelijk aanvankelijk beperkten tot eenvoudig werk, zoals schoonmaak en sleutelbeheer. Die twee bepalen de kernfunctie niet.

Die kernfunctie krijgt naar het oordeel van het Hof nog verder gestalte door het feit dat vele vrijwilligers het bestuur belangeloos ondersteuning geven bij allerlei maatschappelijk werk binnen door de gemeente aangegeven kaders. Voor de toepassing van de indeling moet naar het oordeel van het Hof in dit geval de niet in gezagsverhouding verrichte werkzaamheden op een lijn worden gesteld met wel in loondienstverhouding verrichte werkzaamheden.

4.5. De Inspecteur heeft gezien het hiervoor overwogene naar het oordeel van het Hof onvoldoende waargemaakt dat de ware aard van belanghebbendes werkzaamheden en de kernfunctie van belanghebbende in het maatschappelijk verkeer iets anders is dan het behartigen van maatschappelijke belangen.

4.6. Het Hof komt op basis van de in onderdeel 4.3 gegeven maatstaf, en bij beide in onderdeel 4.4 en 4.5 gevelde feitelijke oordelen tot de conclusie dat de door belanghebbende verrichte werkzaamheden moeten worden gerangschikt onder Gezondheid, geestelijke en maatschappelijke belangen, sector met code 35.

4.7 Gelet op vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van belanghebbende en behoeven haar overige stellingen geen behandeling meer.

5. Griffierecht

Gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dient aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 285 te worden vergoed.

6. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten op 3 (punten voor proceshandelingen) x € 322,= (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) is € 1.449.

7. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak op bezwaar,

- beslist dat belanghebbende wordt aangesloten bij de sector met code 35, met omschrijving Gezondheid, geestelijke en maatschappelijke belangen,

- gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door haar ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.449, en

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die het griffierecht en de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op 8 mei 2009 door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, J. Swinkels en F. Sonneveldt, in tegenwoordigheid van M.J.G. Letschert, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.