Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ3637

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-07-2009
Datum publicatie
24-07-2009
Zaaknummer
20-003745-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 5 Wet vervoer gevaarlijke stoffen, voorschriften ADNR (waarschuwingsborden). Verdachte is schipper op een binnenvaartschip.

Hof: als gevolg van een schadevaring geen waarschuwingsborden met het toegangsverbod - “verboden voor onbevoegden” - op de daarvoor geschikte plaats aan boord aanwezig. Partiele vrijspraak: geen opzettelijk handelen verdachte. Veroordeling overtredingsvariant.

Beroep op AVAS slaagt. Aannemelijk dat het/de bord(en) door medewerkers van de hulpdiensten uit de bevestiging is/zijn gelopen en dat verdachte in de commotie rond de aanvaring geen gelegenheid had om dat op te merken. Volgt OVAR.

Wetsverwijzingen
Wet op de economische delicten, geldigheid: 2009-07-07
Wet vervoer gevaarlijke stoffen 5, geldigheid: 2009-07-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 20-003745-08

Uitspraak : 7 juli 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

economische kamer

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Roermond van 28 augustus 2008 in de strafzaak met parketnummer

04-994791-07 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [plaatsnaam], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het beroepen vonnis zal worden vernietigd en dat het hof, opnieuw rechtdoende, verdachte ter zake van de tenlastegelegde misdrijfvariant zal veroordelen tot een geldboete van EUR 1.150,-, subsidiair 23 dagen hechtenis, waarvan

EUR 575,-, subsidiair 11 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 27 april 2007 in de gemeente Echt-Susteren, al dan niet opzettelijk, handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen heeft verricht ten aanzien van gevaarlijke stoffen en/of met vervoermiddelen, die zijn aangewezen ingevolge artikel 3, onderdeel b van genoemde wet, anders dan met inachtneming van de in dat

onderdeel bedoelde regels, immers heeft hij, verdachte, met een schip zwavelzuur vervoerd over het Julianakanaal terwijl het verbod tot toegang tot het schip voor onbevoegden, niet door middel van waarschuwingsborden op geschikte plaatsen was bekend gemaakt.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.

De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak ten aanzien van het impliciet primair ten laste gelegde

Op 27 april 2007 werd door verbalisanten op het binnenwater het Julianakanaal binnen de gemeente Echt-Susteren waargenomen dat het met zwavelzuur geladen motortankschip [naam schip] aldaar gemeerd lag. Eén van de verbalisanten, [verbalisant 1], nam waar dat aan boord de waarschuwingsborden met het toegangsverbod - “verboden voor onbevoegden” - niet op geschikte plaatsen op het schip duidelijk leesbaar geplaatst waren.

De schipper [verdachte], verdachte, heeft hierover op 27 april 2007 te 13.10 uur tegenover de politie het volgende verklaard:

“Ik ben de vaste schipper van motorschip [naam schip]. U zegt mij dat het bord “verboden te betreden” niet aanwezig en zichtbaar aan boord is. Tijdens de storm van februari is dit bord uit haar bevestiging gewaaid. Dit bord moet nog teruggezet worden.”

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 23 juni 2009 heeft verdachte een andersluidende verklaring over de afwezigheid van het/de waarschuwingsbord(en) afgelegd. Deze verklaring van verdachte houdt in:

“Ik was op 27 april 2007 schipper van motorschip [naam schip]. Op die dag heeft het motorschip een aanvaring gehad. Het schip heeft de oever geraakt en heeft veel water gemaakt. De hulpverlenende diensten, zoals de brandweer, hebben geholpen met het leegpompen van het schip. Het klopt dat het waarschuwingsbord op 27 april 2007 op enig moment niet in de daarvoor bestemde plaats was bevestigd. Ik was daar echter geheel niet van op de hoogte. Dit is mij ter plaatse door de verbalisanten verteld. Het waarschuwingsbord lag toen hooguit 5 meter van de bevestigingsplaats. Bij de hulpverlening na de aanvaring waren ongeveer 10 tot 15 personen aan boord aanwezig. Deze hulpdiensten hebben zeer waarschijnlijk op 27 april 2007 het bord uit de bevestiging gelopen. Door alle commotie heb ik dit niet opgemerkt. Het bord lag naast de bevestigingsplaats. Ik heb het bord vijf minuten na de constatering van de verbalisanten met tape direct weer teruggeplakt.”

Het dossier houdt voorts in dat het schip [naam schip] eerder die nacht betrokken was bij een schadevaring (proces-verbaal verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] d.d. 3 mei 2007).

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat door de hectiek op het moment dat zijn verklaring op 27 april 2007 werd opgenomen, hij ofwel zelf niet helemaal duidelijk was ofwel de verbalisanten zijn verklaring niet helemaal goed hebben begrepen. Verdachte heeft tevens ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat het klopt dat tijdens de februari-storm borden uit hun bevestigingen zijn gewaaid maar dat hij met behulp van speciaal daarvoor geschikte tape deze weer had bevestigd.

Nu het hof geen – voldoende – aanwijzingen heeft van het tegendeel zal het hof ten gunste van verdachte zijn lezing volgen met betrekking tot de reden waarom de borden niet aanwezig waren, zoals verwoord ter terechtzitting in hoger beroep.

Uitgaande van die lezing kan naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte het bewezen verklaarde opzettelijk heeft begaan.

Wel kan de overtredingsvariant, kort gezegd het ontbreken van het waarschuwingsbord op 27 april 2007, hetgeen in strijd is met de daarvoor geldende wettelijke regels, wettig en overtuigend worden bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 27 april 2007 in de gemeente Echt-Susteren, handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen heeft verricht ten aanzien van gevaarlijke stoffen en met vervoermiddelen, die zijn aangewezen ingevolge artikel 3, onderdeel b van genoemde wet, anders dan met inachtneming van de in dat onderdeel bedoelde regels, immers heeft hij, verdachte, met een schip zwavelzuur vervoerd over het Julianakanaal, terwijl het verbod tot toegang tot het schip voor onbevoegden, niet door middel van waarschuwingsborden op geschikte plaatsen was bekend gemaakt.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is als overtreding voorzien bij artikel 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen juncto artikel 1a aanhef en onder 1° juncto artikel 2, eerste lid, van de Wet op de economische delicten en strafbaar gesteld bij artikel 6, eerste lid, aanhef en onder 3º van de Wet op de economische delicten, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Van de zijde van de verdachte is ten aanzien van de strafbaarheid van het feit aangevoerd – zoals hiervoor ook weergegeven onder “Vrijspraak van het primair ten laste gelegde” - dat hij zich, door alle commotie die als gevolg van de aanvaring op 27 april 2007 is ontstaan, volledig onbewust is geweest dat het waarschuwingsbord met het toegangsverbod op de daarvoor bestemde plaats ontbrak. Door de commotie na de aanvaring op 27 april 2007 moet het bord door hulpdiensten uit de bevestiging zijn gelopen, aldus verdachte.

Het hof verstaat dit verweer aldus, dat verdachte heeft willen betogen dat hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging in verband met afwezigheid van alle schuld.

Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.

Naar het oordeel van het hof is door hetgeen verdachte heeft aangevoerd voldoende aannemelijk geworden dat het/de bord(en) op 27 april 2007 door medewerkers van de hulpdiensten uit de bevestiging is/zijn gelopen en dat hij in de commotie rond de aanvaring geen gelegenheid had om dat op te merken. Dit levert een verontschuldigbare onbewustheid van zijn kant ten aanzien van het ontbreken van de waarschuwingsborden.

Onder deze omstandigheden kan het bewezen verklaarde in redelijkheid niet aan verdachte worden toegerekend. Verdachte is daarom niet strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde en dient van alle rechtsvervolging te worden ontslagen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het impliciet subsidiair bewezen verklaarde oplevert:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen

Verklaart verdachte niet strafbaar.

Ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. R.J. Koopman en mr. E.S.G.N.A.I. van de Griend,

in tegenwoordigheid van mr. H.J.A. van Ham, griffier,

en op 7 juli 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.