Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ3631

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-07-2009
Datum publicatie
24-07-2009
Zaaknummer
20-001376-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kan verdachte (een BV) als opvolgend rechtspersoon van bedrijf X worden beschouwd en uit dien hoofde in strafrechtelijke zin op grond van art. 51 Sr aansprakelijk kan worden gehouden voor de ten laste gelegde feiten?

Hof: Vooropgesteld dient te worden dat, indien een rechtspersoon is ontbonden en dit voor derden kenbaar is via de inschrijving in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel, deze omstandigheid zich verzet tegen een strafvervolging van die ontbonden rechtspersoon. Indien in zo’n geval een nieuwe rechtspersoon de ontbonden rechtspersoon -door voortzetting of omzetting- heeft opgevolgd, kan strafvervolging tegen de nieuwe rechtspersoon plaatsvinden indien de activiteiten van beide rechtspersonen, gelet op de maatschappelijke realiteit, aan elkaar gelijkgesteld kunnen worden.

Is daarentegen geen sprake van een ontbinding van de ‘oude’ rechtspersoon en zijn gelet op de maatschappelijke realiteit ook de activiteiten niet door de ander voortgezet, dan is (nog) geen sprake van rechtsopvolging en kan de nieuwe rechtspersoon niet worden vervolgd ter zake van feiten door de andere (nog bestaande) rechtspersoon begaan. Een strafvervolging tegen die andere rechtpersoon is vóór de ontbinding immers nog altijd opportuun. Dat zulks in een later stadium tot eventuele executieproblemen kan leiden, doet hier niet aan af.

In casu is bedrijf X wel failliet is verklaard, maar (nog) niet is ontbonden. Naar het oordeel van het hof levert dit een belangrijke aanwijzing op dat verdachte niet kan worden beschouwd als de opvolgend rechtspersoon van bedrijf X en om die reden niet kan worden vervolgd ter zake van feiten door bedrijf X begaan. Naar het oordeel van het hof is geen sprake van een maatschappelijke realiteit inhoudende dat verdachte het bedrijf van bedrijf X – dat stil is komen te liggen – heeft voortgezet.

Wetsverwijzingen
Wet op de economische delicten, geldigheid: 2009-07-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 20-001376-08

Uitspraak : 7 juli 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

economische kamer

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Maastricht van 25 maart 2008 in de strafzaak met parketnummer 03-994316-07 tegen:

de besloten vennootschap [verdachte],

statutair gevestigd te [vestigingsplaats], [adres].

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het beroepen vonnis zal worden vernietigd en dat het hof, opnieuw rechtdoende, verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal veroordelen tot een geldboete van EUR 30.000,-, waarvan EUR 15.000,- voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal de voorwaardelijke stillegging van de onderneming gevorderd, zulk voor de tijd van 6 maanden, met een proeftijd van twee jaren.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, onder verbetering van de gronden waarop dit berust. De hierna opgenomen motivering van de vrijspraak van verdachte komt in de plaats van de motivering die voornoemde politierechter heeft gegeven.

De feiten en omstandigheden

A.

Het hof gaat bij de beoordeling van de vraag of ‘[verdachte] de ten laste gelegde strafbare feiten heeft begaan uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

B1.

Aan verdachte zijn twee feiten tenlastegelegd, die zij (als rechtsopvolger van [naam bedrijf]) zou hebben gepleegd. Het onder 1 tenlastegelegde feit ziet op de periode van 1 januari 2005 tot en met 29 november 2005. Het onder 2 tenlastegelegde feit ziet op de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005. Op de inleidende dagvaarding, gericht aan ‘[verdachte] te [plaatsnaam], staat vermeld de handgeschreven aantekening “Voorheen: [naam bedrijf]”.

B2.

Het uittreksel van 6 maart 2008 uit het Handelsregister van de Kamers van Koophandel, dossiernummer [nummer], betreffende ‘[verdachte] houdt in dat verdachte is opgericht op 14 juni 2005 en is ingeschreven in het handelsregister op 15 juni 2005.

B3

Het uittreksel van 6 maart 2008 uit het Handelsregister van de Kamers van Koophandel, dossiernummer [nummer], betreffende [naam bedrijf] (hierna:[naam bedrijf]) houdt in dat [naam bedrijf] is opgericht op 23 oktober 1974, alsmede dat de ondernemingsactiviteiten van die rechtspersoon zijn gestaakt per 1 augustus 2007, de datum waarop de rechtspersoon per rechterlijke uitspraak failliet is verklaard.

B4

Met alle overige procesdeelnemers stelt het hof vast dat de rechtspersoon [naam bedrijf] (nog) niet is ontbonden. Uit de verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte, [vertegenwoordiger 1], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep volgt dat [naam bedrijf] per 1 augustus 2007 failliet is verklaard, doch nimmer is ontbonden. Dat zulks anders zou zijn, blijkt niet uit het dossier.

B5

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft [vertegenwoordiger 1] verklaard dat [naam bedrijf] ten opzichte van ’[verdachte] andere leidinggevenden en een ander adres had, alsmede dat deze B.V. in 2005 behoudens [vertegenwoordiger 2] en hemzelf, geen personeel in dienst had. Verder waren in het jaar 2005 de werkzaamheden van ’[verdachte] beperkt tot het verhuren van een (graaf)machine aan [naam bedrijf], aldus voornoemde [vertegenwoordiger 1].

Het hof acht voornoemde verklaring geloofwaardig en neemt deze (mede) als uitgangspunt voor de beoordeling van de zaak.

Beoordeling door het hof

C.

Artikel 51, tweede lid, aanhef en onder 1 Sr, bepaalt dat indien een strafbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon, de strafvervolging kan worden ingesteld en de in de wet voorziene straffen en maatregelen kunnen worden uitgesproken tegen (onder andere) die rechtspersoon.

D.

Noch uit het verhandelde ter terechtzitting noch uit het dossier blijkt van bewijs dat verdachte zelf, en dus niet als rechtsopvolger van [naam bedrijf], de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zou hebben gepleegd.

E.

Resteert de vraag of verdachte als opvolgend rechtspersoon van [naam bedrijf] kan worden beschouwd en uit dien hoofde in strafrechtelijke zin op grond van art. 51 Sr aansprakelijk kan worden gehouden voor de ten laste gelegde feiten.

E1.

Vooropgesteld dient te worden dat, indien een rechtspersoon is ontbonden en dit voor derden kenbaar is via de inschrijving in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel, deze omstandigheid zich verzet tegen een strafvervolging van die ontbonden rechtspersoon. Indien in zo’n geval een nieuwe rechtspersoon de ontbonden rechtspersoon -door voortzetting of omzetting- heeft opgevolgd, kan strafvervolging tegen de nieuwe rechtspersoon plaatsvinden indien de activiteiten van beide rechtspersonen, gelet op de maatschappelijke realiteit, aan elkaar gelijkgesteld kunnen worden.

Is daarentegen geen sprake van een ontbinding van de ‘oude’ rechtspersoon en zijn gelet op de maatschappelijke realiteit ook de activiteiten niet door de ander voortgezet, dan is (nog) geen sprake van rechtsopvolging en kan de nieuwe rechtspersoon niet worden vervolgd ter zake van feiten door de andere (nog bestaande) rechtspersoon begaan. Een strafvervolging tegen die andere rechtpersoon is vóór de ontbinding immers nog altijd opportuun. Dat zulks in een later stadium tot eventuele executieproblemen kan leiden, doet hier niet aan af.

E2.

In de onderhavige zaak staat vast dat de rechtspersoon [naam bedrijf] per 1 augustus 2007 failliet is verklaard, maar (nog) niet is ontbonden. Naar het oordeel van het hof levert dit een belangrijke aanwijzing op dat verdachte niet kan worden beschouwd als de opvolgend rechtspersoon van [naam bedrijf] en om die reden niet kan worden vervolgd ter zake van feiten door [naam bedrijf] begaan.

E3.

Voorts overweegt het hof dat daarenboven niet is gebleken van een maatschappelijke realiteit op grond waarvan verdachte zou kunnen worden geduid als degene die het bedrijf [naam bedrijf] voortzet. Immers blijkt niet dat – in doorslaggevende mate – de werkzaamheden van [naam bedrijf] door verdachte worden voortgezet noch dat er sprake is van overname van activa.

E4

Anders dan betoogd door de advocaat-generaal is er derhalve naar het oordeel van het hof geen sprake van een maatschappelijke realiteit inhoudende dat verdachte het bedrijf van [naam bedrijf] – dat stil is komen te liggen – heeft voortgezet.

Daaraan doet niet af dat zowel [vertegenwoordiger 1] (p. 157 van proces-verbaal [nummer]) als [vertegenwoordiger 2] (p. 246 van proces-verbaal [nummer]) verklaren dat verdachte is opgericht om ingeval van faillissement van [naam bedrijf] het bedrijf te kunnen voortzetten, nu niet is gebleken dat overeenkomstig dit voornemen is gehandeld.

E5.

Gelet op al het vorenstaande onder E, kan naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan als rechtsopvolger van [naam bedrijf].

F.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit overweegt het hof als volgt.

Daargelaten de vraag of de onder 2 tenlastegelegde gedragingen, gepleegd door een natuurlijke persoon, wel kunnen worden toegerekend aan de verdachte of aan [naam bedrijf], kan ter zake van het onder 2 ten laste gelegde op de hiervoor onder E genoemde gronden evenmin wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte als rechtsopvolger van [naam bedrijf] het onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis, waarvan beroep.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. R.J. Koopman en mr. E.S.G.N.A.I. van de Griend,

in tegenwoordigheid van mr. H.J.A. van Ham, griffier,

en op 7 juli 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.