Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ3627

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-07-2009
Datum publicatie
24-07-2009
Zaaknummer
20-001694-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen van overtreding van artikel 10.37 Wet milieubeheer. Verdachte bemiddelt in de stort van bedrijfsafvalstoffen tussen "houder(s)", een gemeente en een aannemingsbedrijf, en de "afnemer". De enkele omstandigheid dat verdachte de stof niet fysiek onder zich heeft gehad staat er niet aan in de weg dat verdachte, als medepleger, zich heeft ontdaan van de bedrijfsafvalstoffen.

Verwerping beroep op AVAS (verontschuldigbare dwaling ten aanzien van de feiten: partijkeuringen aangeleverd door "houder(s)")

Op verdachte rustte in het onderhavige geval een bijzondere onderzoeksplicht naar de kwaliteit van die stoffen, waarvoor zij bij de afzet ervan bemiddelde.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer 10.37
Wet milieubeheer 1.1
Wet op de economische delicten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-001694-08

Uitspraak : 7 juli 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

economische kamer

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Breda van 21 april 2008 in de strafzaak met parketnummer 02-994637-07 tegen:

de besloten vennootschap [bedrijf 1],

statutair gevestigd te [woonplaats][plaatsnaam] [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het beroepen vonnis zal worden bevestigd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode 22 september 2005 tot en met 5 oktober 2005, in elk geval in de periode september 2005 tot en met oktober 2005 in de gemeente [gemeente], samen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen opzettelijk zich door afgifte aan een ander van bedrijfsafvalstoffen, te weten puin met grond en zand en/of grind van een funderingslaag van de[dijk 1]en/of de [dijk 2], heeft ontdaan;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

Gemeente [gemeente] en/of [aannemer]in of omstreeks de periode 22 september 2005 tot en met 5 oktober 2005, in elk geval in de periode september 2005 tot en met oktober 2005 in de gemeente [gemeente], samen en in vereniging, althans alleen al dan niet opzettelijk, zich door afgifte aan een ander van bedrijfsafvalstoffen te weten puin met grond en zand en/of grind van een funderingslaag van de [dijk 1] en/of de [dijk 2], heeft / hebben ontdaan, welk(e) feit(en) zij, verdachte, in de periode 1 tot en met 22 september 2005 te [plaatsnaam] in elk geval in Nederland door het verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt,hebbende zij toen daar opzettelijk een afnemer voor die afvalstoffen gezocht en/of de afvoer naar die afnemer geregeld, althans de Gemeente [gemeente] en/of [aannemer] in contact gebracht met die afnemer;

tweede subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

Gemeente [gemeente] en/of [aannemer] in of omstreeks de periode 22 september 2005 tot en met 5 oktober 2005, in elk geval in de periode september 2005 tot en met oktober 2005 in de gemeente [gemeente], samen en in vereniging, althans alleen opzettelijk, zich door afgifte aan een ander van bedrijfsafvalstoffen te weten puin met grond en zand en/of grind van een funderingslaag van de [dijk 1] en/of de [dijk 2], heeft / hebben ontdaan, zijnde zij, verdachte, in de periode 1 september 2005 tot en met 05 oktober 2005 te [plaatsnaam] in elk geval in Nederland opzettelijk behulpzaam geweest bij het plegen van dat/die misdrijf/misdrijven, althans hebbende zij toen daar opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen verschaft tot het plegen van dat/die misdrijf/misdrijven, hebbende zij toen daar opzettelijk een afnemer voor die afvalstoffen gezocht en/of de afvoer naar die afnemer geregeld, althans de Gemeente [gemeente] en/of [aannemer] in contact gebracht met die afnemer.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.

De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in de periode september 2005 tot en met oktober 2005 in de gemeente [gemeente], samen en in vereniging met anderen, opzettelijk zich door afgifte aan een ander van bedrijfsafvalstoffen, te weten puin met grond en zand en grind van een funderingslaag van de [dijk 1] en de [dijk 2], heeft ontdaan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

A.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

B.

Van de zijde van de verdediging is ter zitting in hoger beroep, op de gronden als verwoord in de overgelegde schriftelijke pleitnotities, betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken.

Hiertoe heeft de raadsman – kort samengevat - aangevoerd dat verdachte niet opzettelijk heeft gehandeld en dat verdachte niet degene is geweest die zich van het funderingsmateriaal heeft ontdaan. Verdachte heeft louter bemiddeld bij het ontdoen van het funderingsmateriaal. Dit funderingsmateriaal was vrijgekomen bij de in opdracht van de gemeente [gemeente] door [aannemer] uitgevoerde werkzaamheden.

Verdachte heeft niet meer gedaan dan het bemiddelen tussen de ontdoener en de ontvanger [afnemer] De verdachte mocht er, op grond van de bijgeleverde rapporten, van uit gaan dat de onderhavige partij funderingsmateriaal een categorie 1-bouwstof betrof.

Het hof overweegt als volgt.

C.

Ten aanzien van de feitelijke gang van zaken stelt het hof het volgende vast.

C1

De gemeente [gemeente] heeft de renovatie van twee dijken, te weten de [dijk 1]en de [dijk 2], gegund aan [aannemer] (hierna: [aannemer]). Bij de renovatie diende onder meer de funderingslaag van de wegen te worden vervangen, die volgens het bestek bestond uit ongebonden grind en puin. In dat bestek is het volgende opgenomen:

- Met betrekking tot het verwijderen van de funderingslaag, situering [dijk 2] “vrijgekomen materialen worden geacht voor de opdrachtgever geen waarde te hebben” (bestekspostnummer 120020);

- Met betrekking tot het verwijderen van de funderingslaag, situering [dijk 1] “vrijgekomen materialen worden geacht voor de opdrachtgever geen waarde te hebben” (bestekspostnummer 220020)

[aannemer] heeft een onderzoek laten instellen naar de fundering op deze locaties. Op basis van dit onderzoek, waarvan de onderzoeksresultaten - zo begrijpt het hof uit de brief van 15 september 2005 van [aannemer] aan de gemeente [gemeente] - op 20 juli 2005 naar de gemeente [gemeente] zijn gestuurd, oordeelde [aannemer] dat de vrijkomende funderingslaag niet (meer) kon worden hergebruikt in een funderingslaag, aangezien de samenstelling van dit materiaal te veel zand en grond zou bevatten .

Hierop is een geschil met de opdrachtgever, de gemeente [gemeente], ontstaan over de eigendom van het materiaal en de verantwoordelijkheid voor afvoer ervan. Uit het verhandelde ter terechtzitting komt naar voren dat tussen [aannemer] en de gemeente [gemeente] overleg is geweest met betrekking tot de afvoer van het vrijgekomen materiaal.

C2

Op 29 augustus 2005 heeft [bedrijf 4] een tweetal rapporten uitgebracht over respectievelijk een uitgevoerde partijkeuring volgens het Bouwstoffenbesluit, betreffende een partij puinfundering, afkomstig van de [dijk 1] en een uitgevoerde partijkeuring volgens het Bouwstoffenbesluit, betreffende een partij puinfundering, afkomstig van de [gemeente] . In die rapporten staat het doel omschreven van het onderzoek, te weten het bepalen van de ‘chemische kwaliteit’ van puinfundering en op basis hiervan na te gaan of de puinfundering geschikt is voor hergebruik. De conclusie van de rapporten luidt onder meer dat de onderzochte partij in de wegfundering aan de [dijk 1] voldoet aan de samenstellings- en immissie-eisen voor een categorie 1-bouwstof bij een toepassingshoogte van 1000 m en dat de onderzochte partij in de wegfundering aan de [gemeente] voldoet aan de samenstellings- en immissie-eisen voor een categorie 1-bouwstof bij een toepassingshoogte van 2,07 m.

C3

Het aannemingsbedrijf [aannemer] heeft, op aanraden van de toezichthouder van de gemeente [gemeente] contact opgenomen met de heer [naam] van [verdachte] . [aannemer] heeft verdachte benaderd om een locatie te vinden waar de (beweerdelijke) categorie 1-bouwstof naar toe zou kunnen. Verdachte heeft de firma [afnemer] benaderd met de vraag of dit bedrijf het funderingsmateriaal wilde gebruiken. [afnemer] kon dit funderingsmateriaal gebruiken voor de verharding van een aanstaande uitbreiding, waarop is besloten dat het funderingsmateriaal op het terrein van [afnemer] te storten. Voor de bemiddeling ontving verdachte van [aannemer] een commissiebedrag van in totaal EUR 1378,-. [naam], projectleider bij [aannemer], heeft verklaard dat dit een bedrag van EUR 1,- per ton was en dat er een fictieve hoeveelheid van 1378 ton is opgevoerd . Het vervoer van de plaats waar het materiaal vrij kwam naar het terrein van [afnemer] kwam voor rekening en kosten van [aannemer]. [afnemer] heeft het funderingsmateriaal ‘om niet’ gekregen.

C4

Achteraf is vastgesteld dat het bij [afnemer] gestorte funderingsmateriaal niet als categorie 1-bouwstof kon worden aangemerkt .

D.

Wie is de ontdoener?

D1

Het hof is op grond van wat onder C is vastgesteld van oordeel dat het gestorte funderingsmateriaal moet worden aangemerkt als “bedrijfsafvalstoffen”.

D2

Op grond van artikel 10.37, eerste lid, Wet milieubeheer, zoals dat artikel luidde ten tijde van het bewezen verklaarde, is het verboden zich door afgifte aan een ander van bedrijfsafvalstoffen te ontdoen.

Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer zoals dat artikel luidde ten tijde van het bewezen verklaarde, moeten onder "afvalstoffen", waaronder ook “bedrijfsafvalstoffen” als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, Wet milieubeheer, worden verstaan:

“alle stoffen, preparaten of producten die behoren tot de categorieën die zijn

genoemd in bijlage I bij richtlijn nr. 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van

5 april 2006 betreffende afvalstoffen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te

ontdoen of zich moet ontdoen.”

De richtlijn nr. 2006/12/EG is inmiddels vervangen door de richtlijn 2008/98/EG van 19 november 2008. Bij de beoordeling van de onderhavige zaak zal evenwel het recht worden toegepast zoals dat luidde ten tijde van het bewezen verklaarde feit.

Artikel 1, onder a, van voormelde richtlijn nr. 2006/12/EG luidt als volgt:

“1. In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a) „afvalstof”: elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen;

b) „producent”: elke persoon wiens activiteit afvalstoffen heeft voortgebracht („eerste producent”) en/of elke persoon die voorbehandelingen, vermengingen of andere bewerkingen heeft verricht die leiden tot wijziging in de aard of de samenstelling van die afvalstoffen;

c) „houder”: de producent van de afvalstoffen of de natuurlijke of rechtspersoon die de afvalstoffen in bezit heeft.

D3

Het hof stelt voorop dat er sprake is van het ontdoen van afvalstoffen als de “houder” zich hiervan ontdoet. Als “houder” kunnen zowel de producent van afvalstoffen als de natuurlijke of rechtspersoon die de afvalstoffen in bezit heeft worden beschouwd. Bij de invulling van het strafrechtelijke begrip “houder’ in concreto is naar het oordeel van het hof de onderlinge (civielrechtelijke) eigendomsverhouding tussen verschillende partijen niet beslissend. Het begrip “houder” kan bijgevolg naar het oordeel van het hof niet zo restrictief worden uitgelegd als door de verdediging is betoogd.

D4

Op grond van de feiten en omstandigheden, zoals die volgen uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen, zijn zowel de gemeente [gemeente], als [aannemer], “houder” van de stof. Tevens hebben zij zich (als medepleger) ontdaan van de stof.

Voor de gemeente geldt immers dat zij de betreffende wegdelen en daarbij behorende funderingslaag beheerde. De gemeente bepaalde dat er aan de weg zou worden gewerkt en de gemeente heeft opdracht heeft gegeven om het materiaal, dat vrijkwam bij bedoelde werkzaamheden, te verwijderen. Voor [aannemer] heeft te gelden dat door [aannemer]’s feitelijke activiteiten de stof is vrijgekomen, [aannemer] tevens de stof feitelijk onder zich had en [aannemer] zich feitelijk van die bedrijfsafvalstoffen heeft ontdaan door deze afvalstoffen te (doen) vervoeren naar, en te (doen) storten op het terrein van [afnemer] Beide partijen hebben zich dan ook van de bedrijfsafvalstoffen ontdaan.

D5

In het midden kan blijven of verdachte als houder in de hiervoor bedoelde zin kan worden aangemerkt. Immers, de enkele omstandigheid dat verdachte de stof niet fysiek onder zich heeft gehad staat er niet aan in de weg dat verdachte, als medepleger, zich heeft ontdaan van die stof. Het hof heeft, zoals onder C weergegeven, daartoe reeds vastgesteld dat de bedrijfsafvalstoffen/funderingslaag door aannemingsbedrijf [aannemer], in directe samenspraak met verdachte, op het perceel van [afnemer] zijn gestort. Verdachte heeft een bemiddelende rol in het bewezen verklaarde ingenomen door in nauwe en bewuste samenwerking met [aannemer] – en de gemeente [gemeente] - te handelen. Namens hen heeft verdachte een afzetmogelijkheid gevonden voor de bedrijfsafvalstoffen, zodat verdachte als medepleger in de zin van artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht kan worden aangemerkt.

E.

Is er bij verdachte sprake van opzet?

Door de verdediging is betoogd dat bij verdachte opzet – in het bijzonder op het ontdoen van bedrijfsafvalstoffen - zou hebben ontbroken.

Naar het oordeel van het hof blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen dat verdachte samen met de gemeente [gemeente] en [aannemer] willens en weten de funderingslaag die vrijkwam bij de meergenoemde werkzaamheden aan de [dijk 1] en de [gemeente] heeft gestort op het terrein van [bedrijf 3] Daarmee is de opzet gegeven.

Dat verdachte – beweerdelijk – op dat moment niet bekend was met het feit dat de vrijgekomen funderingslaag niet als een categorie 1-bouwstof kon worden aangemerkt, doet daar niet aan af.

Het hof verwerpt het verweer.

F.

Het hof verwerpt derhalve de bewijsverweren in al hun facetten.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer juncto artikel 1a aanhef en onder 1° van de Wet op de economische delicten juncto artikel 2, eerste lid, van de Wet op de economische delicten, junctis de artikelen 47 en 51 van het Wetboek van Strafrecht, en strafbaar gesteld bij artikel 6, eerste lid, aanhef en onder 1º van de Wet op de economische delicten, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Namens verdachte is ter zitting in hoger beroep door de raadsman, op de gronden als verwoord in de overgelegde schriftelijke pleitnotities, betoogd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft ondermeer aangevoerd dat verdachte uit mocht gaan van de juistheid van de verstrekte informatie door [aannemer], een gerenommeerd aannemingsbedrijf, en door diens opdrachtgever de gemeente [gemeente], nota bene een overheidslichaam. Deze informatie, onder meer ondersteund door een bijgeleverd rapport, hield in dat sprake was van een categorie 1-bouwstof.

Het hof verwerpt het verweer.

Naar het oordeel van het hof is er geen sprake van een verontschuldigbare dwaling ten aanzien van de feiten, te weten de samenstelling van de stof waarop de bewezenverklaring ziet.

Vooropgesteld dient te worden dat verdachte, als professionele deelnemer aan de afvalstoffen-markt op de hoogte dient te zijn van de op dit terrein geldende wet- en regelgeving, evenals van de kwaliteit van de stoffen waarmee zij te maken heeft. Op verdachte rustte in het onderhavige geval een bijzondere onderzoeksplicht naar de kwaliteit van die stoffen, waarvoor zij bij de afzet ervan bemiddelde. Verdachte had zich ervan dienen te verzekeren dat de stof qua samenstelling van het materiaal – niet alleen chemisch maar ook fysiek, in het dossier wel aangeduid als “de civieltechnische samenstelling” - voldeed aan de eisen voor een

categorie 1-bouwstof als bedoeld in het destijds geldende Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming.

Nu het onderzoek zoals weergegeven in de hiervoor onder C genoemde twee rapporten van [bedrijf 4] d.d. 29 augustus 2005 beperkt is tot de ‘chemische kwaliteit’ van de partij puinfundering en niet tevens ziet op andere aspecten zoals de algehele fysieke samenstelling van die partij, had verdachte bij de waardering van de stof en bij zijn op die stof betrekking hebbende handelingen, niet mogen volstaan met de enkele kennisneming van deze rapporten. Op hem rustte een nadere onderzoeksplicht. Van een verontschuldigbare dwaling met betrekking tot de feiten is reeds daarom geen sprake.

Voorts overweegt het hof dat een categorie 1-bouwstof over het algemeen economisch gezien een stof van waarde is. Ook tegen die achtergrond bezien had het op de weg van verdachte gelegen om nader onderzoek uit te voeren naar de aard en samenstelling van de stof nu, zoals verdachte bekend was, [afnemer]de stof “om niet” kreeg (dossierpagina 118) terwijl verdachte een – relatief lage – commissie betaald kreeg. Voorts had verdachte begrepen dat [aannemer] van het materiaal af moest en dat [aannemer] het materiaal zelf voor eigen rekening naar de ontvanger zou vervoeren.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Namens verdachte is door de raadsman, op de gronden als verwoord in de overgelegde schriftelijke pleitnotities, bepleit dat bij een eventuele strafoplegging verdachte ingevolge artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel. De raadsman heeft ter onderbouwing van dit verweer gewezen op het blanco strafblad van verdachte, haar geringe rol in het geheel en de hoogte van de ontvangen commissie, waarbij de verdediging aanvoert dat het milieu door het handelen van verdachte niet is geschaad.

Anders dan de raadsman acht het hof het niet raadzaam om te bepalen dat ingevolge dat artikel 9a aan verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd. Bij dit oordeel heeft het hof met name acht gelagen op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, tevens in aanmerking nemende de aard en de hoedanigheid van de verdachte rechtspersoon.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

In strafmatigende zin heeft het hof acht geslagen op het (geringe) aandeel van verdachte in het bewezen verklaarde. Ook heeft het hof als strafverminderend laten meewegen dat het bewezen verklaarde noch tot gebleken schade voor het milieu, noch tot fors financieel gewin voor de verdachte heeft geleid.

Op grond van het vorenstaande acht het hof oplegging van een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden. Bij de bepaling van de hoogte van de geldboete heeft het hof in het bijzonder aansluiting gezocht bij de hoogte van de door verdachte van [aannemer] ontvangen commissie (ten bedrage van EUR 1.378,-). Naar het oordeel van het hof dient het onvoorwaardelijk deel van de thans op te leggen geldboete gelijk te zijn aan voornoemd bedrag aan ontvangen commissie.

Naast deze onvoorwaardelijke geldboete ziet het hof voorts aanleiding om aan de op te leggen geldboete een voorwaardelijk gedeelte te koppelen. Met oplegging van een voorwaardelijke geldboete wordt de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht, maar de strafoplegging anderzijds dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Het hof heeft bij de bepaling van de hoogte van de geldboete acht geslagen op de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 47 en 51 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 10.37 van de Wet milieubeheer, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het primair bewezen verklaarde oplevert:

Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 2.378,00 (tweeduizend driehonderd achtenzeventig euro).

Bepaalt, dat een gedeelte van de geldboete, groot EUR 1.000,00 (duizend euro), niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. R.J. Koopman en mr. E.S.G.N.A.I. van de Griend,

in tegenwoordigheid van mr. H.J.A. van Ham, griffier,

en op 7 juli 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.