Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ3329

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-07-2009
Datum publicatie
22-07-2009
Zaaknummer
20-011397-05 OWV
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 36e Sv: ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel; zie ook ljn: BJ3331

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 20-011397-05 OWV

Uitspraak : 17 juli 2009

TEGENSPRAAK

ONTNEMINGSZAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van

9 september 2005 op de vordering ex artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 02-004126-97 tegen:

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [1961],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De veroordeelde heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de veroordeelde naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof zal bepalen dat de veroordeelde een wederrechtelijk voordeel heeft genoten van EUR 4.411.767,-- en aan hem de betalingsverplichting op zal leggen dit bedrag aan de Staat te voldoen.

Vonnis waarvan beroep

De beroepen beslissing zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.

Redelijke termijn en ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Met het oog op de berechting van de veroordeelde binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden overweegt het hof dat, gelet op de uitspraken van de Hoge Raad van

17 juni 2008 (NJ 2008,358; LJN BD2578) en van 9 december 2008 (LJN BF3196) als uitgangspunt heeft te gelden dat overschrijding van de redelijke termijn niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Voorts overweegt het hof het navolgende.

De onderhavige ontnemingszaak kent het volgende verloop:

1. Uit het schriftelijke requisitoir (pg. 52) dat gehecht is aan het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 5 december 2002 in het kader van de onderliggende strafzaak tegen de veroordeelde, blijkt dat het voornemen van de officier van justitie tot het instellen van een ontnemingvordering op deze terechtzitting is aangekondigd.

2. De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is gedateerd

26 april 2004. Deze vordering is voor het eerst behandeld ter terechtzitting van de rechtbank van 11 mei 2004.

3. De rechtbank heeft op 9 september 2005 in de ontnemingszaak vonnis gewezen.

4. Door de veroordeelde is op 23 september 2005 hoger beroep tegen dit vonnis ingesteld, waarna de stukken op 24 oktober 2005 bij het hof zijn ingekomen.

5. De vordering is voor de eerste maal ter terechtzitting van het hof behandeld op

12 september 2006 voor een inventarisatie van de onderzoekswensen. Op deze terechtzitting is het onderzoek, op verzoek van de verdediging, geschorst tot de terechtzitting van 22 december 2006.

6. Op de terechtzitting van 22 december 2006 heeft het hof de zaak verwezen naar de rechter-commissaris voor het horen van de veroordeelde en van getuigen op verzoek van de verdediging, waaronder de medeveroordeelde in deze zaak, [medeveroordeelde 1], die gedetineerd zat (en zit) in Griekenland. [medeveroordeelde 1] is op 24 oktober 2007 door de Griekse rechter-commissaris gehoord. Het proces-verbaal van dat verhoor is op 4 december 2007 ingekomen bij het hof.

7. Op 9 maart 2007, 29 juni 2007, 5 oktober 2007 en 25 januari 2008 zijn er (pro forma) terechtzittingen geweest ter controle van de voortgang in het onderzoek.

8. Op de terechtzitting van 15 februari 2008 is er, naar aanleiding van namens de verdediging ingediende nadere onderzoekswensen, een tweede inventarisatie geweest van de onderzoekswensen, waarna het hof (na een pro forma terechtzitting op 22 april 2008) op de terechtzitting van 29 mei 2008 heeft beslist. Op verzoek van de verdediging (zie brieven

13 februari 2008 en 30 maart 2008) heeft het hof vervolgens een schriftelijke procedure ingelast.

9. Op 4 november 2008 is er een terechtzitting geweest ter controle van de voortgang in de schriftelijke procedure, waarbij bleek dat de raadsman in de zaak tegen de medeveroordeelde [medeveroordeelde 2] pas op 31 oktober 2008 zijn conclusie van antwoord had ingediend, zulks terwijl de termijn op 30 september 2008 reeds verstreken was. De raadsman in de onderhavige zaak had in het geheel nog geen conclusie van antwoord geformuleerd. De inhoudelijke behandeling is alstoen bepaald op 10 maart 2009.

10. Op de terechtzitting van 10 maart 2009 heeft het hof het onderzoek in de onderhavige ontnemingzaak gesloten en bepaald dat op 28 mei 2009 arrest zal worden gewezen.

11. Op de terechtzitting van 28 mei 2009 heeft het hof de uitspraak aangehouden tot heden.

Voorts is uit de stukken het volgende gebleken:

a. De vordering tot het instellen van het strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO) is op

13 juni 1997 gedateerd en de beschikking sluiting SFO op 15 juli 2003.

b. De sluiting SFO alsmede de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht d.d. 26 april 2004 zijn op 28 april 2004 betekend aan de griffier en verzonden als gewone brief naar het detentieadres van de veroordeelde in België.

c. Het eerste conservatoir beslag in de onderhavige zaak is gelegd op 28 oktober 1997 op een bankrekening.

d. In de strafzaak tegen de veroordeelde waarop de vordering tot ontneming betrekking heeft is door de Hoge Raad een strafkorting toegepast van 7 maanden op een gevangenisstraf van 30 maanden (circa 23%).

redelijke termijn

De redelijke termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens veroordeelde een handeling is verricht waaraan de veroordeelde in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt.

In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend vanaf de datum waarop het eerste conservatoire beslag is gelegd, te weten op 28 oktober 1997. Nu op de vordering in eerste aanleg eerst op 9 september 2005 (bijna 8 jaar later) is beslist, is het hof van oordeel dat in die fase de redelijke termijn in beginsel is overschreden, waarbij met name de termijn tot aan de betekening van de ontnemingsvordering op 28 april 2004 (6,5 jaar) uitermate lang is geweest.

Bij de verdere beoordeling van de redelijke termijn van berechting in deze procedure dient tevens rekening te worden gehouden met de omstandigheden:

- dat de afdoening van de zaak als gevolg van het bepaalde in art. 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht mede afhankelijk is van de termijn die met de behandeling van de strafzaak is gemoeid, en

- dat de ontnemingszaak, naar volgt uit art. 511b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, zo spoedig mogelijk doch in elk geval binnen twee jaren na de uitspraak in eerste aanleg in de strafzaak nog aanhangig kan worden gemaakt.

Vast staat dat in de hoofdzaak tegen de veroordeelde de rechtbank op 24 december 2002 vonnis heeft gewezen en dat de ontnemingsvordering op 26 april 2004 is uitgebracht.

Het onderzoek ter terechtzitting in de ontnemingszaak is in eerste aanleg binnen een maand na het uitbrengen van deze vordering aangevangen en de rechtbank heeft binnen 17 maanden uitspraak gedaan, terwijl in die tussentijd door de verdediging diverse onderzoekswensen zijn ingediend, die tot schorsing van het onderzoek hebben geleid. Gezien de ingewikkeldheid en de omvang van de zaak en het procesverloop heeft het onderzoek in de ontnemingsprocedure in eerste aanleg derhalve met de nodige voortvarendheid plaatsgehad.

Ook na het instellen van het hoger beroep heeft het onderzoek met voldoende voortvarendheid plaatsgevonden. Weliswaar zijn er 3 jaren en bijna 10 maanden verstreken vanaf het moment waarop het hoger beroep is ingesteld tot aan de datum van dit arrest, maar gelet op de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de invloed van de betrokkene op het procesverloop (waarbij het hof mede wijst op de door het hof gehonoreerde onderzoekswensen van de verdediging, waaronder het verhoor van [medeveroordeelde 1] in Griekenland), de vertraging bij het indienen van de conclusie van antwoord in de onderhavige zaak en de ingewikkeldheid en de omvang van de zaak (mede omvattend het gelijktijdig dienende onderzoek in de zaken tegen de medeveroordeelden) kan niet gezegd worden dat de procedure in hoger beroep onredelijk veel tijd heeft gevergd.

Concluderend is met name de periode die gemoeid is geweest met de behandeling van de hoofdzaak tot aan het uitbrengen van de ontnemingsvordering oorzaak voor het overschrijden van de redelijke termijn in deze ontnemingszaak.

artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering

Het hof stelt vast dat het SFO op 15 juli 2003 is gesloten. Deze sluiting is op 28 april 2004, gelijktijdig met de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aan de veroordeelde betekend.

Het hof overweegt dat, hoewel in het eerste lid van artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering is bepaald dat de vordering van het openbaar ministerie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht uiterlijk twee jaren na de uitspraak in eerste aanleg bij de rechtbank aanhangig kan worden gemaakt, de ratio van dat artikel is dat de vordering zo spoedig mogelijk wordt betekend. Naar het oordeel van het hof is dit in deze zaak niet gebeurd, zodat het eerste lid van artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering is geschonden.

Op grond van het arrest van de Hoge Raad d.d. 26 november 2002 (LJN AE5591) stelt het hof vast dat aan de enkele omstandigheid dat de vordering niet "zo spoedig mogelijk" in de zin van artikel 511b Sv aanhangig is gemaakt, maar nog wel binnen de termijn van twee jaren, niet het gevolg van niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in die vordering dient te worden verbonden. Mede gelet op het arrest van de Hoge Raad d.d. 1 juni 2004 (LJN: AO3438) overweegt het hof dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken dat het openbaar ministerie doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van veroordeelde aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak heeft gehandeld. Derhalve is er geen sprake van een ernstige inbreuk op de beginselen van een goede procesorde, die tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zou moeten leiden.

conclusie

Het hof is van oordeel dat er sprake is van schending van de redelijke termijn en schending van artikel 511b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en zal daarmee rekening houden in die zin dat het op te leggen bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal worden verminderd zoals hierna bij de vaststelling van het te betalen bedrag nader wordt omschreven.

het Belgische strafvonnis ter zake de wisselingen in Poppel (België)

Het hof stelt vast dat de veroordeelde bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg

van het gerechtelijk arrondissement Turnhout (België) op 27 november 2002 is veroordeeld wegens – kort gezegd – het omzetten of overdragen van vreemde valuta met de bedoeling de illegale herkomst ervan te verbergen of te verdoezelen – gepleegd in de periode van

22 september 1996 t/m 3 februari 1997 te Poppel in België. Dit betreffen deels dezelfde wisseltransacties als die thans in de ontnemingszaak aan de orde zijn. Bij genoemd vonnis zijn ten laste van beklaagde verbeurd verklaard de vermogensvoordelen voortgevloeid uit het misdrijf. Dit vonnis werd bij arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen d.d. 4 juni 2003 bevestigd met wijziging van het bedrag van de verbeurd te verklaren vermogensvoordelen tot een bedrag van € 8.892.747,26. Het tegen dit arrest ingesteld cassatieberoep werd op

21 oktober 2003 verworpen door het Hof van Cassatie van België.

de verweren

Door de verdediging is een beroep gedaan op, naar het hof begrijpt naar analogie, artikel 68, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Daartoe is aangevoerd dat de in België opgelegde verbeurdverklaring van vermogensvoordelen voortgevloeid uit het bewezen verklaarde misdrijf dezelfde vermogensvoordelen behelzen als waarop de valutawisselingen door de veroordeelde in de onderhavige ontnemingszaak betrekking hebben. De verdediging is primair van mening dat de veroordeelde dubbel dreigt te worden “geplukt” en dat het openbaar ministerie daarom niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

Subsidiair is de verdediging van mening dat ingevolge artikel 36e, lid 7, van het Wetboek van Strafrecht bij de oplegging van de maatregel rekening dient te worden gehouden met de uit hoofde van de eerdere beslissing in België opgelegde verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en dat het in België aan hem opgelegde bedrag in mindering dient te worden gebracht op het thans vast te stellen bedrag van wederrechtelijk verkregen voordeel. Door de verdediging wordt daarbij tevens verwezen naar met name artikel 56 van de Uitvoeringsovereenkomst Schengen (SUO).

het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verbeurdverklaring in België op zich kan worden gelijkgesteld met de Nederlandse maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, maar dat in de Nederlandse ontnemingszaak wordt ontnomen ter zake van veel meer feiten, waarbij de geldwisselingen in hoofdzaak een middel zijn om de criminele winsten te berekenen, althans te schatten. Indien de veroordeelde aan de Belgische staat zou hebben betaald zou er met het oog op de draagkracht rekening mee kunnen worden gehouden bij de oplegging van de ontnemingsmaatregel.

de beoordeling

Het hof is van oordeel dat, voor zover betrekking hebbende op dezelfde wisseltransakties, naar analogie kan worden gesteld dat op grond van het tweede lid van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht geen ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel plaatsvindt indien het in België gewezen vonnis gevolgd is door gehele uitvoering. Dat de verbeurdverklaring reeds ten uitvoer is gelegd is gesteld noch gebleken, te meer niet nu de veroordeelde ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij nooit geld heeft betaald in verband met zijn veroordeling in België. Evenmin is gebleken dat de verbeurdverklaring in het kader van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) is overgenomen.

Nu ook overigens niet is gebleken van omstandigheden die tot een ander oordeel dienen te leiden, wordt het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie verworpen.

Met betrekking tot het beroep op artikel 36e, lid 7, van het Wetboek van Strafrecht verwijst het hof naar hetgeen hierna wordt overwogen bij de vaststelling van het te betalen bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Beslissing op het verzoek van de verdediging tot het horen van getuigen

Ter beoordeling van het hof ligt voor het verzoek van de verdediging tot het horen van getuigen. Dit verzoek is verwoord in punt 26 van de zogenaamde “conclusie van antwoord” van veroordeelde van 23 december 2008 (waarin wordt verwezen naar de conclusie van antwoord in de ontnemingszaak tegen de medeveroordeelde [medeveroordeelde 1]) en is herhaald bij gelegenheid van het pleidooi op 10 maart 2009 en aangevuld. De advocaat- generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van voornoemd verzoek.

Het hof overweegt als volgt.

Uitgangspunt is dat bij onherroepelijk arrest van 9 december 2005 bewezen is verklaard dat veroordeelde heeft deelgenomen aan een criminele organisatie (hierna: de groep Slagwerk) die tot oogmerk had het plegen van de misdrijven van in- en uitvoer van hasj en heling in de periode 1 januari 1995 tot en met 16 oktober 1997 en dat veroordeelde zich heeft schuldig gemaakt aan – kort samengevat - in de Opiumwet omschreven misdrijven omstreeks de periode 23 tot en met 26 juni 1997 respectievelijk 1 januari 1997 tot en met 1 augustus 1997. De ontnemingsvordering van het Openbaar Ministerie is gebaseerd op de in het kader van het strafrechtelijk financieel onderzoek vervaardigde financiële rapportage “onderzoek Slagwerk”, rapportnr. 59 – 1976/96. De rechtbank heeft deze financiële rapportage in de beslissing, waarvan beroep, gevolgd.

Tegen de achtergrond van het karakter van een ontnemingsprocedure (waarbij op de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel het in de hoofdprocedure geldende bewijsrecht niet van toepassing is en waarbij de schatting weliswaar dient te worden ontleend aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen, maar voor de vaststelling van het uiteindelijk bedrag het aannemelijksvereiste geldt) en in het licht van de ontnemingsvordering en de daarop in eerste aanleg gegeven uitspraak en de door de rechtbank daaraan ten grondslag gelegde – in het kader van het strafrechtelijk onderzoek vervaardigde – financiële rapportage, mag van de verdediging die in hoger beroep getuigen wil doen horen, gevergd worden dat zij concreet en gemotiveerd aanvoert dat en waarom (kort gezegd) de inkomsten uit de handel in verdovende middelen beperkter van omvang moeten zijn geweest dan de rechtbank uit de stukken heeft afgeleid en dat en waarom de aannames en de berekeningsmethodes die de rechtbank heeft gehanteerd naar haar oordeel onjuist zijn, onder opgave van de wijze waarop zij telkens door getuigen bewijs van haar stellingen denkt te kunnen leveren.

Het hof stelt vast dat de veroordeelde ter terechtzitting van 10 maart 2009 heeft ontkend dat hij in de bewezenverklaarde periode heeft deelgenomen aan de groep Slagwerk. Ook heeft veroordeelde verklaard dat hij niet in hasj heeft gehandeld en geen inkomsten uit de handel in hasj heeft gehad. Tegen de achtergrond van de bewezenverklaring in het arrest van dit hof van 9 december 2005 en de inhoud van de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat de veroordeelde dan ook niet concreet en gemotiveerd aannemelijk heeft gemaakt dat en waarom (kort gezegd) de inkomsten uit de handel in verdovende middelen beperkter van omvang moeten zijn geweest dan de rechtbank uit de stukken heeft afgeleid. Het hof neemt daarbij in aanmerking de omstandigheid dat het een feit van algemene bekendheid is dat de handel in verdovende middelen met hoge winsten gepaard gaat. Dit brengt met zich dat het verzoek tot het horen van getuigen ter onderbouwing van – kort samengevat - het door veroordeelde wél wederrechtelijk verkregen voordeel, de omvang van de opbrengsten van de groep Slagwerk, de wijze van verdeling van de opbrengsten binnen die groep en de vermogenspositie van de medeveroordeelde, [medeveroordeelde 3], feitelijke onderbouwing mist. Het daaromtrent horen van [getuige 4], [getuige 5] en [getuige 6] wordt om die reden afgewezen. Dit geldt ook ten aanzien van hetgeen zij zouden kunnen verklaren omtrent de financiële positie van veroordeelde, nu niet is aangegeven wat zij hieromtrent zouden kunnen verklaren.

De verdediging heeft daarnaast verzocht om het horen van getuigen met betrekking tot de aannames en de berekeningsmethodes die de rechtbank (in navolging van het onderzoeksrapport Slagwerk) heeft gehanteerd. Deze zijn, zo stelt de verdediging (vooralsnog) niet aannemelijk geworden. Het hof acht hetgeen namens de veroordeelde ter onderbouwing van voornoemd verzoek is aangevoerd onvoldoende concreet om tot toewijzing van dat verzoek te komen, dit mede tegen de achtergrond van de bewezenverklaring in het arrest van dit hof van 9 december 2005, de inhoud van de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen en de verklaring van de veroordeelde ter terechtzitting van 10 maart 2009 dát hij bedragen van grote omvang (hij noemt een bedrag van in totaal 11 à 12 miljoen gulden) bij het wisselkantoor van [betrokkene 1] in Poppel, België, heeft gewisseld. Het horen van de deswege verzochte getuigen wordt om die reden afgewezen.

In aanvulling op vorenstaande overweegt het hof nog als volgt.

Het verzoek tot het horen van [getuige 7], [getuige 8], [getuige 9], [getuige 10], [betrokkene 1], [getuige 11] en [getuige 12] als getuigen, berust op de stelling dat de administratie van wisselkantoor [betrokkene 1] ondeugdelijk is en derhalve niet ten grondslag kan liggen aan de in deze te hanteren aannames en berekeningsmethodes. De daartoe aangevoerde feiten en/of omstandigheden kunnen evenwel die conclusie niet dragen. Anders dan de verdediging aanvoert is het hof niet gebleken dat [betrokkene 1] is veroordeeld wegens valsheid in geschrifte. Uit het dossier volgt dat [betrokkene 1] is vervolgd voor zogenaamde “witwaspraktijken” (zie de tenlastelegging en de pleitnotitie van diens raadsman). Evenmin staat vast dat uit een observatie van het wisselkantoor van [betrokkene 1] door de politie op

10 december 1996 blijkt dat [getuige 1] (hof: broer van veroordeelde) daar die dag niet is geweest, terwijl op zijn naam in de administratie van het wisselkantoor wel een wisseltransactie is geadministreerd. In het proces-verbaal ter zake is gerelateerd: “(…) De auto wordt voor het wisselkantoor geparkeerd en 2 personen stappen uit. Beide mannen, waarvan er een vermoedelijk [veroordeelde] (hof: veroordeelde) is, gaan het genoemde wisselkantoor binnen”. Vorenstaande leidt niet tot de door de verdediging aangenomen conclusie dat [getuige 1] die dag niet bij het wisselkantoor is geweest, te meer niet nu veroordeelde en zijn broer een grote gelijkenis vertonen (eigen waarneming hof ter terechtzitting 15 februari 2008 en verklaring veroordeelde terechtzitting 10 maart 2009). Het gegeven dat [betrokkene 1] eerst na verloop van tijd de veroordeelde om zijn legitimatiebewijs heeft gevraagd leidt niet tot een ander oordeel.

Hetgeen door de verdediging ter onderbouwing van het verzoek tot het horen van [getuige 2], [getuige 13] en van [getuige 3] als getuigen wordt aangevoerd vindt weerlegging in de aan de bewezenverklaring ten grondslag liggende bewijsmiddelen. Daarbij merkt het hof nog op dat uit de tot de bewijsmiddelen behorende verklaringen van [getuige 2] volgt dat hij een schuld had aan de groep Slagwerk, dat [medeveroordeelde 3] en de [medeveroordeelde 1] ter inning daarvan naar Denemarken zijn gereisd om hem thuis op te zoeken, waarna hij ter aflossing van deze schuld – onder meer – geld is gaan wisselen voor de groep. Mede in dit licht acht het hof de verklaring van veroordeelde dat juist hij – veroordeelde – gelden voor [getuige 2] wisselde in plaats van andersom, volstrekt ongeloofwaardig. In de tot de bewijsmiddelen behorende verklaringen van [getuige 3] vindt het hof evenmin een begin voor het aannemen van de juistheid van de stelling van veroordeelde dat hij – veroordeelde – gelden voor [getuige 3] wisselde in plaats van andersom. Ten aanzien van [getuige 13] is niet aangegeven dat en hoe deze uit eigen wetenschap zou kunnen verklaren omtrent de herkomst van de door [getuige 3] gewisselde gelden.

Het verzoek tot het horen van de getuige [getuige 1] wordt afgewezen nu zijn verklaring – gelet op na te melden beslissing van het hof – niet relevant kan zijn voor enige in deze te nemen beslissing.

Ter terechtzitting van 10 maart 2009 heeft veroordeelde zelf opgegeven een aantal getuigen te willen horen betreffende hun verklaringen met betrekking tot de kasopstelling. Het hof wijst het verzoek af omdat hun verklaringen niet relevant kunnen zijn voor enige in deze te nemen beslissing. Het hof gaat bij zijn beslissing in deze immers niet uit van de kasopstelling.

Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 9 december 2005 (parketnummer 20-001376-03), ter zake van onder meer deelneming aan een criminele organisatie welke - kort gezegd - tot oogmerk had het handelen in strijd met artikel 3 van de Opiumwet (in- en uitvoer van hasj) en het medeplegen van heling van door misdrijf verkregen geldbedragen, gepleegd in de periode van 1 januari 1995 tot en met 16 oktober 1997 veroordeeld tot straf. Dit arrest is bij arrest van de Hoge Raad d.d. 19 februari 2008 bevestigd met uitzondering van de opgelegde straf.

Het hof ontleent aan de inhoud van na te melden bewijsmiddelen het oordeel, dat de veroordeelde door middel van het begaan van voormelde feiten een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten en dat dit voordeel moet worden geschat op netto EUR € 2.626.131,--.

Alle als bewijsmiddel gebezigde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt.

Uit deze bewijsmiddelen is het hof gebleken dat er in de periode van 6 januari 1995 tot en met 24 april 1997 door [getuige 3], [getuige 2] en de veroordeelde voor de groep Slagwerk grote bedragen in vreemde valuta, met name Engelse ponden, gewisseld zijn in Nederlandse guldens. Het hof zal hieronder aangeven welke wisseltransacties bij de berekening worden betrokken. Het ging hierbij hoofdzakelijk om kleine coupures.

Voorts is er na een verzoek van [getuige 14] aan [medeveroordeelde 3] en [medeveroordeelde 2] aan [getuige 14] een lening verstrekt, wederom in Britse ponden en, in ieder geval deels, in kleine coupures.

Op grond van de verklaringen van [getuige 2] (dat het geld afkomstig was van (hasj)transporten naar Engeland) en [getuige 3] (dat hij heeft gewisseld voor de Tilburgse groepering en wist dat het hasjhandelaren waren) en op basis van het feit van algemene bekendheid dat in de hasjhandel grote winsten worden gemaakt en dat in die handel veel geld in kleine coupures omgaat, alsmede op basis van de veroordeling in de strafzaak, waaruit blijkt dat de veroordeelde zich in de betreffende periode schuldig heeft gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie welke – onder meer – tot oogmerk had handelen in strijd met artikel 3 van de Opiumwet, acht het hof aannemelijk dat de buitenlandse valuta van de wisseltransacties en van de geldlening aan [getuige 14] wederrechtelijk verkregen voordeel betreft dat afkomstig is uit de handel in hasj door de criminele organisatie, waartoe de veroordeelde behoorde, te meer nu de veroordeelde ter terechtzitting heeft verklaard dat hij in de periode waarop de ontneming betrekking heeft geen legale inkomsten had.

Bespreking van de verweren met betrekking tot de bewijsmiddelen

Met betrekking tot de door het hof gebezigde bewijsmiddelen heeft de verdediging aangevoerd dat het hof niet zonder meer af kan gaan op de bewijsmiddelen uit het strafvonnis, nu de veroordeelde, [medeveroordeelde 2] en [medeveroordeelde 1] tijdens de behandeling van de ontnemingszaak in hoger beroep, anders dan in de strafzaak, verklaringen hebben afgelegd over hun aandeel in de gehele zaak en daarbij openheid van zaken hebben gegeven. Naar het oordeel van de verdediging dient het hof in de ontnemingszaak uit te gaan van deze verklaringen en kan het voordeel dat de veroordeelde heeft genoten slechts worden vastgesteld op de provisie die hij voor de wisseltransacties ontving.

Het hof verwerpt dit verweer en stelt daartoe vast, evenals bij de overwegingen omtrent het verzoek van de verdediging tot het horen van getuigen, dat de veroordeelde ter terechtzitting van 10 maart 2009 heeft ontkend dat hij in de bewezenverklaarde periode heeft deelgenomen aan de groep Slagwerk. Ook heeft de veroordeelde verklaard dat hij niet in hasj heeft gehandeld en geen inkomsten uit de handel in hasj heeft gehad. Tegen de achtergrond van de bewezenverklaring in het arrest van dit hof van 9 december 2005 en de inhoud van de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat de veroordeelde dan ook niet concreet en gemotiveerd aannemelijk heeft gemaakt dat en waarom (kort gezegd) de inkomsten uit de handel in verdovende middelen beperkter van omvang moeten zijn geweest dan hierna door het hof wordt vastgesteld. Het hof neemt daarbij andermaal in aanmerking de omstandigheid dat het een feit van algemene bekendheid is dat de handel in verdovende middelen met hoge winsten gepaard gaat. De stelling van de verdediging dat [medeveroordeelde 2] en [medeveroordeelde 1] opening van zaken hebben gegeven mist feitelijke grondslag.

Met betrekking tot de overige door de verdediging aangevoerde inhoudelijke verweren verwijst het hof naar hetgeen hiervoor is overwogen bij de afwijzing van het verzoek tot het horen van getuigen, voor zover relevant, en naar hetgeen hierna bij de afzonderlijke bewijsmiddelen wordt overwogen. Voor het overige vinden de verweren hun weerlegging in de bewijsmiddelen.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat het hof uit van de inhoud van:

- het onherroepelijke arrest tegen de veroordeelde d.d. 9 december 2005 in de strafzaak waarop de vordering betrekking heeft, nu de daarin vastgestelde feiten in rechte vaststaan. Voor zover in de navolgende overwegingen en bewijsmiddelen wordt verwezen naar bewijsmiddelen, betreffen dit bewijsmiddelen uit dit arrest.

- het ontnemingsdossier, samengesteld door de politie Midden en West Brabant, gekenmerkt PV.PL2005-59-SFO Onderzoek Slagwerk, bestaande uit 39 ordners (pg. 4000 t/m 53727 alsmede een ongenummerde ordner), waaronder de ontnemingsrapportage van de politie Midden en West Brabant, nummer 59 – 1976/96, d.d. 9 april 2001 opgemaakt door [getuige 7], inspecteur van politie (pg. 40012 t/m 40087). Voor zover in de navolgende overwegingen en bewijsmiddelen wordt verwezen naar paginanummers betreffen dit pagina’s uit dit dossier.

- de overige hierna te melden bewijsmiddelen.

wisselingen [getuige 3]

Ten aanzien van de wisseltransacties door [getuige 3] hebben de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van de politie regio Midden en West Brabant de hierna vermelde processen-verbaal opgemaakt. Uit deze processen-verbaal blijkt dat door [getuige 3] in opdracht van [medeveroordeelde 2] respectievelijk [medeveroordeelde 3] de hierna vermelde wisseltransacties zijn verricht. Voor zover in die processen-verbaal wordt verwezen naar de daarbij gevoegde transscripties van telefoongesprekken en observatieverslagen, is de weergave van de inhoud daarvan in het proces-verbaal overeenkomstig de hieronder weergegeven bijlagen.

Met betrekking tot de transacties van 6 januari 1995 tot en met 14 juli 1995 wordt in de desbetreffende processen-verbaal vermeld dat uit het door de Gerechtelijke Politie bij de Parketten te Gent ingestelde onderzoek blijkt dat er door [getuige 3] buitenlandse valuta gewisseld werden. Deze wisselingen vonden plaats bij [bedrijf] te Gent (België). Eigenaar van [bedrijf] was [getuige 13] .

Uit het proces-verbaal op pagina’s 41773 t/m 41775 in combinatie met het overzicht van de wisselingen bij [bedrijf] dat (onder andere) op pagina 41779 is opgenomen en waarop, naar het hof begrijpt, de tegenwaarde van de wisselingen in Belgische francs (103.589.576) is vermeld, blijkt voorts dat in de periode gelegen tussen 24 januari 1995 en 23 mei 1995 voor een tegenwaarde van f. 5.697.426,-- werd gewisseld. Uit het proces-verbaal op pagina’s 41798 t/m 41800 in combinatie met het overzicht van de wisselingen bij [bedrijf] dat (onder andere)

op pagina 41804 is opgenomen blijkt voorts dat in de periode gelegen tussen 30 mei 1995 t/m 15 augustus 1995 buitenlandse valuta gewisseld werden voor een tegenwaarde van

fl. 1.798.116,-- (BEF 32.693.026). Voorts blijkt uit dit overzicht dat in de periode van

23 december 1994 t/m 23 januari 1995 voor een tegenwaarde van BEF 16.694.699 werd gewisseld.

Gelet op de genoemde totaaloverzichten acht het hof aannemelijk dat de uit de telefoongesprekken naar voren komende wisseltransacties daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, waarbij het hof de laagst genoemde bedragen zal meenemen bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Met betrekking tot de transacties van 6 december 1995 tot en met 21 februari 1996 merkt het hof op dat al deze transacties zijn vermeld op het bij het proces-verbaal van de Gerechtelijke Politie bij de Parketten Gent (pagina’s 42171 t/m 42178) gevoegde overzicht van de wisseloperaties vanaf 15 september 1995 t/m 29 februari 1996 in wisselkantoor [bedrijf] te Gent door [getuige 13].

(opmerking: de inhoud van de hier opgenomen bewijsmiddelen is niet in deze versie van het arrest weergegeven)

De veroordeelde heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 10 maart 2009 verklaard dat hij in de bewezen verklaarde periode grote hoeveelheden buitenlandse valuta, te weten miljoenen guldens, heeft gewisseld bij [betrokkene 1] in België. Hij heeft daarbij tevens verklaard dat hij met [medeveroordeelde 2], [medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 3] heeft gesproken over de wisselingen en de handel in hasj.

Met betrekking tot het gevoerde verweer ten aanzien van de betrouwbaarheid van de administratie van [betrokkene 1] verwijst het hof naar hetgeen daarover hiervoor bij de bespreking van het verzoek tot het horen van getuigen is overwogen.

De raadsman heeft aangevoerd dat er meerdere gevallen zijn dan de (video)observatie van

10 december 1996 waaruit zou blijken dat de veroordeelde niet voorkomt op de videobeelden, terwijl de transactie wel aan hem wordt toegedicht. De raadsman heeft zulks ter terechtzitting in hoger beroep, hoewel daar uitdrukkelijk naar gevraagd is, niet verder onderbouwd, zodat dit geen verdere bespreking behoeft.

Het verzoek van de raadsman om het openbaar ministerie te gelasten het Belgische vonnis van [betrokkene 1], waaruit zou blijken dat hij is veroordeeld wegens valsheid in geschrift, aan het dossier toe te voegen wijst het hof af, nu dit verzoek onvoldoende is onderbouwd. Uit het dossier blijkt slechts dat [betrokkene 1] is veroordeeld voor “witwaspraktijken”. Hoewel de raadsman ter terechtzitting uitdrukkelijk is verzocht om aannemelijk te maken dat [betrokkene 1] is veroordeeld wegens valsheid in geschrift, zoals wordt gesteld, heeft de raadsman daar geen gevolg aan gegeven.

(opmerking: de inhoud van de hier opgenomen bewijsmiddelen is niet in deze versie van het arrest weergegeven)

De stelling van de verdediging dat het samenwerkingsverband niets te maken heeft gehad met de hierboven genoemde door [medeveroordeelde 3] verstrekte lening aan [getuige 14] vindt weerlegging in de bewijsmiddelen zoals opgenomen in het arrest van het hof d.d. 9 december 2005 in de strafzaak.

Het hof merkt daarbij op dat ook hier sprake was van kleine coupures, terwijl algemeen bekend is dat in de hasjhandel grote bedragen in kleine coupures omgaan.

De stelling van de verdediging dat niet uitgesloten kan worden dat het geld waarmee de lening is verstrekt tevens in de wisseltransacties is meegerekend, zodat er sprake zou kunnen zijn van een dubbeltelling, mist naar het oordeel van het hof feitelijke grondslag nu de lening werd verstrekt in Britse ponden en niet in Nederlandse guldens.

overige

Met betrekking tot de bedragen uitgedrukt in Belgische francs volgt uit de gebruikte tabellen een koers van 1 NLG = 18,4 BEF.

Met betrekking tot de door [getuige 3] gewisselde Britse ponden merkt het hof op dat uit de gebruikte tabellen een koers volgt variërend van 1 NLG = 0,33 tot 0,39 GBP. Het hof zal voor de omrekening in Nederlandse guldens de voor de veroordeelde gunstigste koers hanteren van 0,39.

Met betrekking tot [getuige 14] blijkt uit de verklaring van [getuige 14] dat [getuige 14] een koers hanteerde van 3,19 (1 GBP = NLG 3,19). Ten aanzien van het op hem betrekking hebbende bedrag in Britse ponden zal het hof deze wisselkoers hanteren.

Uit de bovenstaande bewijsmiddelen blijkt dat in totaal aan vreemde valuta is gewisseld respectievelijk uitgeleend:

- door de veroordeelde een bedrag van fl. 17.483.101 en BF 5.866.964 (fl. 318.856),

totaal fl. 17.801.957;

- door [getuige 2] een bedrag van fl. 213.895;

- door [getuige 3] een bedrag van fl. 2.874.156 en £ 660.000 (fl. 1.692.307);

totaal fl. 4.566.463

- aan [getuige 14] een bedrag van £ 496.220,00 (fl. 1.582.941).

In totaal bedraagt dit derhalve fl. 24.165.256 (EUR 10.965.715), van welk bedrag het hof, op grond van de vorenstaande bewijsmiddelen, aannemelijk acht dat dit wederrechtelijk verkregen voordeel betreft dat afkomstig is van de criminele organisatie, waartoe de veroordeelde behoorde.

Vaststelling van de kosten

Bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient acht te worden geslagen op de door de veroordeelde naar voren gebrachte en aannemelijk geworden kosten.

Het hof stelt vast dat de veroordeelde omtrent de kosten niets naar voren heeft gebracht.

Naar het oordeel van het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk geworden dat de volgende kosten in mindering dienen te worden gebracht, nu deze in directe relatie staan met de delicten en als reële uitvoeringskosten kunnen worden gezien.

1. de provisie van [getuige 3], zijnde 1% van de opbrengst van de door hem verrichte wisseltransacties , derhalve 1% van fl. 4.566.463 = fl. 45.665,--;

2. de provisie van [getuige 2], waarbij het hof de uitgangspunten in de ontnemingsrapportage zal volgen, te weten 2% van het gewisselde bedrag, derhalve 2% van fl. 213.895 = fl. 4.278,--;

3. de aanschafkosten van vier aangetroffen geldtelmachines = fl. 8.170,--;

4. de aankoopkosten van een trekker met oplegger Volvo, kenteken [kenteken]

= fl. 8.812,-- ;

5. de overige kosten van de criminele organisatie zoals weergegeven in het resumé op pagina’s 52175 en 52176 van het proces-verbaal in relatie tot de kosten van de criminele organisatie, te weten fl. 949.401,--.

Het totaal van de kosten bedraagt derhalve fl. 1.016.326,--.

Het door de organisatie genoten wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt fl. 24.165.256 minus fl. 1.016.326,-- = fl. 23.148.930,--.

Verdeling van de opbrengst

Met betrekking tot de verdeling van de opbrengst is het hof, op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen, met name de verklaringen van [getuige 2] (dat de vier leiders op democratische wijze alles beslissen en de financiën in gelijke delen worden verdeeld en dat de vier werkten als eenheid en dat zij de winst gelijk verdeelden; dat hij enkele keren heeft kunnen zien als een stapel bankbiljetten tussen de vier werd uitgedeeld en dat ze hem ook zeiden dat ze ieder een gelijk aandeel hadden in de winst ), van oordeel dat er sprake was van een pondspondsgewijze verdeling.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel dat de veroordeelde heeft genoten wordt op grond van het bovenstaande geschat op ¼ deel van fl. 23.148.930,-- = fl. 5.787.232 (€ 2.626.131,--).

artikel 36e, lid 7, van het Wetboek van Strafrecht en 56 van de Uitvoeringsovereenkomst Schengen

Met betrekking tot het hiervoor bij de bespreking van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie weergegeven beroep van de verdediging op artikel 36e, lid 7, van het Wetboek van Strafrecht overweegt het hof als volgt.

Blijkens de memorie van toelichting (Kamerstukken II 1989/90, 21504, nr. 3, p. 68) dient artikel 36e, lid 7, van het Wetboek van Strafrecht te worden gelezen in relatie tot het derde lid. Nu, aldus de memorie van toelichting, ingevolge het derde lid aan iemand op grond van de veroordeling wegens een misdrijf ook voordeel kan worden ontnomen dat op enigerlei andere wijze verkregen wederrechtelijk voordeel vormt, dient, wanneer het later opnieuw tot een veroordeling wegens een ander misdrijf komt, dat op zijn beurt weer aanleiding kan geven tot ontneming van op enigerlei andere wijze verkregen wederrechtelijk voordeel, te worden voorkomen dat de veroordeelde tot tweemaal toe voor een bedrag dat op een en hetzelfde wederrechtelijk verkregen voordeel betrekking heeft strafrechtelijk wordt aangesproken .

De situatie van een veroordeling op grond van het derde lid van artikel 36e, lid 7, van het Wetboek van Strafrecht doet zich hier niet voor, zodat dit beroep door het hof wordt verworpen.

Nu ook artikel 56 van de Uitvoeringsovereenkomst Schengen (SUO) slechts spreekt over reeds ondergane straffen of maatregelen, behoeft ook in dat kader in deze ontnemingszaak geen rekening gehouden te worden met de veroordeling van de veroordeelde in België.

Het hof merkt nog op dat, indien mocht blijken dat de verbeurdverklaring in België, al dan niet in het kader van een WOTS-procedure, alsnog ten uitvoer is gelegd, de veroordeelde op grond van artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering kan verzoeken om het vastgestelde ontnemingsbedrag te verminderen.

Op te leggen betalingsverplichting

Het hof zou aan de veroordeelde de verplichting hebben opgelegd tot betaling aan de Staat van het bedrag € 2.626.131,-- ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het hof is van oordeel dat, in verband met de schending van de redelijke termijn en de schending van artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering, het op te leggen bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden verminderd. Volgens de heersende jurisprudentie bedraagt de vermindering in beginsel niet meer dan € 5.000. Gelet op het langdurige verloop van de procedure als geheel, daarbij mede in aanmerking nemende de

schending van artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering, is het hof van oordeel dat met een vermindering tot dat bedrag niet kan worden volstaan. Het hof zal daarom een vermindering toepassen van € 15.000,--.

Bij de vaststelling van de hoogte van dit bedrag heeft het hof tevens rekening gehouden met de omstandigheid dat er in de strafzaak tegen de veroordeelde reeds een strafkorting is toegepast van circa 23%.

Het hof legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van (€ 2.626.131,-- minus € 15.000,--) € 2.611.131,-- ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, nu ook overigens niet is gebleken van feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

Draagkracht van de veroordeelde

Door en namens de veroordeelde is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de veroordeelde niet de draagkracht heeft om aan de Staat enig geldbedrag te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het hof is evenwel, gelet op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, van oordeel dat voorshands niet aannemelijk is geworden dat veroordeelde thans, of op enig moment alsnog, niet in staat zou zijn aan zijn betalingsverplichting te voldoen, mede gelet op het gegeven dat de veroordeelde op geen enkele wijze inzicht heeft gegeven in wat er met door hem uit de strafbare feiten gegenereerde gelden is gebeurd en op de geldende verjaringstermijn voor de tenuitvoerlegging van deze betalingsverplichting ingevolge artikel 76 juncto artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht, terwijl het Openbaar Ministerie gedurende die termijn onbeperkt uitstel van betaling kan verlenen en betaling in termijnen kan toestaan.

Slotoverweging

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten of omstandigheden dan wel juridisch relevante gezichtspunten naar voren gekomen die zouden moeten leiden tot andere oordelen dan hiervoor weergegeven.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van EUR 2.626.131,--.

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van EUR € 2.611.131,-- (tweemiljoen zeshonderdelfduizend honderdéénendertig euro).

Aldus gewezen door

mr. H. Eijsenga, voorzitter,

mr. A.J.M. van Gink en mr. J.H.J.M. Mertens - Steeghs,

in tegenwoordigheid van mw. C.M. Sweep, griffier,

en op 17 juli 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.