Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ1710

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-07-2009
Datum publicatie
07-07-2009
Zaaknummer
103.006.141
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kennelijk onredelijk ontslag. Het hof 's-Hertogenbosch oordeelt dat de opzegging niet kennelijk onredelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0516

Uitspraak

zaaknr. HD 103.006.141

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

achtste kamer, van 7 juli 2009,

gewezen in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeentenaam],

appellant bij exploot van dagvaarding van

30 januari 2008,

advocaat: mr. J.J.M. Cliteur,

tegen:

LOONWERKBEDRIJF [Y.] BV,

gevestigd te [woonplaats], gemeente [gemeentenaam],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

advocaat: mr. R.J.H. van den Dungen,

op het hoger beroep van het door de recht¬bank ’s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie ‘s-Hertogenbosch gewezen von¬nis van 1 november 2007 tussen appellant - [X.] - als eiser en geïntimeerde – [Y.] - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 509898, rolnummer 4289/07)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [X.] zes grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing van het door hem in eerste aanleg gevorderde, met veroordeling van [Y.] in de kosten van het geding in beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [Y.], onder overlegging van twee producties, de grieven bestre¬den.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep verwijst het hof naar de inhoud van de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.2. [X.], geboren op 21 december 1953, is op 9 mei 1983 in dienst getreden bij [Y.]. Hij is vanaf die datum tot 1 december 1999 werkzaam geweest op basis van korte dienstverbanden, die tijdens de winterperioden werden onderbroken. [X.] heeft op deze wijze ook van 1969 tot 1976 voor [Y.] gewerkt. [X.] is vanaf 1 december 1999 bij [Y.] werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor een onbepaalde tijd, laatstelijk in de functie van kraanmachinist, tegen een salaris van € 2.086,96 bruto per vier weken, exclusief vakantiegeld en overige emolumenten.

4.3. [Y.] heeft op 16 november 2006 aan de Centrale Organisatie voor Werk en Inkomen (CWI) toestemming gevraagd om de arbeidsovereenkomst met [X.] te beëindigen. Nadat [X.] daartegen verweer had gevoerd, heeft de CWI bij beslissing van 23 januari 2007 de toestemming verleend. [Y.] heeft het dienstverband met [X.] vervolgens bij brief van 24 januari 2007 opgezegd tegen 23 maart 2007.

4.4. Voor het einde van de dienstbetrekking is [X.] vanaf 1 januari 2007 vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden, waarbij [Y.] zijn salaris heeft doorbetaald tot en met 23 maart 2007.

4.5. [X.] heeft [Y.] vervolgens gedagvaard voor de kantonrechter te ’s-Hertogenbosch, waarbij hij de kantonrechter heeft verzocht te verklaren voor recht dat het door [Y.] aan hem verleende ontslag kennelijk onredelijk is, en heeft gevorderd [Y.] te veroordelen tot betaling van een door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen schadevergoeding met inachtneming van zijn dienstverband, leeftijd en gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid en zijn daardoor beperkte mogelijkheden op de arbeidsmarkt, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding tot de dag der algehele voldoening, alsmede [Y.] te veroordelen tot betaling van de kosten van de procedure.

4.6. [Y.] heeft in die procedure verweer gevoerd. Nadat ingevolge een rolbeslissing van de kantonrechter op 8 oktober 2007 een comparitie van partijen was gehouden, heeft de kantonrechter bij vonnis van 1 november 2007 de vorderingen van [X.] afgewezen en hem veroordeeld in de proceskosten.

4.7. Tegen deze beslissing heeft [X.] hoger beroep ingesteld.

4.8. Het hof overweegt als volgt.

4.9. De kantonrechter heeft in overweging 3.1 van het vonnis waarvan beroep vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Met de eerste grief wordt dit oordeel door [X.] bestreden, nu de kantonrechter daarbij niet heeft aangegeven dat [X.] in de periode van 1970 tot 1976 eveneens in dienst is geweest bij [Y.]. Het hof heeft hiervoor onder 4.2 een nieuwe samenvatting gegeven van het geschil, waarin dit wel is opgenomen. Het enkele feit dat de eerste grief slaagt, brengt echter nog niet mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven.

4.10. De overige grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Zij richten zich, kort gezegd, tegen het oordeel van de kantonrechter dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst door [Y.] niet kennelijk onredelijk is.

4.11. [X.] voert allereerst aan dat de opzegging is geschied onder opgave van een voorgewende of valse reden in de zin van artikel 7:681 lid 2 aanhef en sub a BW (grieven 2 en 3). [X.] stelt dat er geen bedrijfseconomische noodzaak was om een reorganisatie door te voeren. Hij verwijst hierbij naar de argumenten die hij in het kader van de procedure bij de CWI heeft aangevoerd. [X.] stelt in aanvulling hierop dat er geen sprake is van vermindering van werk nu [Y.] een vergunning heeft aangevraagd voor een grote bedrijfsruimte en concurrenten van [Y.] kennelijk nog personeel aannemen. Volgens [X.] was de werkelijke reden voor zijn ontslag dat [Y.] haar onderneming klaar wenste te maken voor een verkoop.

4.12. [Y.] heeft hiertegenover gesteld dat zij op basis van haar verliesgevende resultaten (in 2005:

- € 85.845 en in 2006: - € 144.630) genoodzaakt was een reorganisatie door te voeren en haar onderneming terug te brengen tot een eenmanszaak. Als gevolg hiervan was de opzegging van de arbeidsovereenkomst van [X.] gerechtvaardigd, zoals ook de CWI heeft geconcludeerd.

De door [X.] genoemde vergunning voor een grote bedrijfsruimte staat los van de reorganisatie. De achtergrond hiervan is dat de gemeente woningbouw wenst, waardoor [Y.] heeft ingestemd met bedrijfsverplaatsing. Vanwege milieutechnische voorschriften is een grotere bedrijfsruimte nodig dan thans aanwezig.

[Y.] stelt voorts dat de onderneming niet is verkocht en ook niet binnen afzienbare tijd zal worden verkocht. De eenmanszaak zal naar verwachting verder gaan tot de pensioengerechtigde leeftijd van de heer [Y.].

4.13. Het hof overweegt dat [Y.] aan haar, op 16 november 2006 gedane verzoek aan de CWI tot het verkrijgen van toestemming voor het opzeggen van de arbeidsovereenkomst van [X.] bedrijfseconomische redenen ten grondslag heeft gelegd. [X.] heeft de hierin door [Y.] genoemde verliesgevende resultaten niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist. Voorts heeft hij zijn stelling dat er van een vermindering van werk geen sprake was, onvoldoende onderbouwd. Het hof gaat dan ook uit van de juistheid van de door [Y.] genoemde negatieve resultaten. Naar het oordeel van het hof is het voldoende aannemelijk geworden dat [Y.] in verband met haar financiële situatie genoodzaakt was een reorganisatie door te voeren, waardoor de functie van [X.] kwam te vervallen.

4.14. [X.] stelt verder dat de reorganisatie slechts kan worden bezien in het licht van de omstandigheid dat daarmee het bedrijf van [Y.] eenvoudiger te verkopen wordt nu het niet de lasten draagt van reeds lang in dienst zijnde werknemers. Tegenover de gemotiveerde betwisting hiervan in eerste aanleg heeft [X.] bij memorie van grieven geen feiten gesteld ter verdere onderbouwing van dit standpunt, hoewel dit wel op zijn weg had gelegen. Het is dan ook onduidelijk waarop [X.] zijn stelling baseert, of hij hierover een mededeling van [Y.] of anderen heeft ontvangen, of dat dit slechts een vermoeden betreft. Dit betekent dat ook dit standpunt van [X.], gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door [Y.], als onvoldoende onderbouwd moet worden verworpen.

4.15. [X.] voert vervolgens aan dat de opzegging kennelijk onredelijk is nu de gevolgen van het ontslag voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang bij [Y.] bij de opzegging (grieven 4, 5 en 6).

Hij stelt dat de opzegging kennelijk onredelijk is omdat, mede gelet op zijn leeftijd ten tijde van het ontslag (53 jaar), de lange duur van zijn dienstverband (hij heeft vanaf zijn 16e jaar werkzaamheden voor [Y.] verricht) en zijn gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid (beperkingen bij het bovenhands werken) waardoor hij geringe kansen heeft op de arbeidsmarkt, de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van [Y.] bij de opzegging.

4.16. [Y.] heeft dit gemotiveerd betwist. Zij stelt dat [X.] vanaf 1 januari 2007 met behoud van salaris is vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden en de kans heeft gehad werk als kraanmachinist te vinden, hetgeen bij vier relaties van [Y.] voorhanden bleek. [X.] bleek hierin echter niet geïnteresseerd, hij wilde elders in dienst treden dan wel als zelfstandige werkzaamheden gaan verrichten. Hieruit blijkt dat noch de leeftijd, noch de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van [X.] zijn kansen op de arbeidsmarkt beperkten. De enkele omstandigheid dat [X.] na een langdurig dienstverband wordt ontslagen, is op zichzelf geen grond voor het toekennen van een vergoeding op grond van kennelijk onredelijk ontslag, aldus [Y.].

4.17. Bij de beoordeling van de vraag of de gevolgen van de opzegging voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging, dient de rechter alle omstandigheden van het geval ten tijde van het ontslag in onderlinge samenhang in aanmerking te nemen (o.a. HR 15 februari 2008, NJ 2008, 111).

4.18. Het vorenstaande in aanmerking nemende, overweegt het hof in de onderhavige zaak als volgt.

4.19. Anders dan [X.] met zijn grieven betoogt, kan niet worden geconcludeerd dat de gevolgen van het ontslag voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van [Y.] bij dat ontslag, ook al is hem, na een dienstverband van in ieder geval acht jaren (sinds 1 december 1999), waarbij rekening is gehouden met het feit dat [X.] feitelijk veel langer voor [Y.] heeft gewerkt, op 53 jarige leeftijd ontslag verleend.

[X.] heeft weliswaar gesteld dat gelet op zijn leeftijd ten tijde van het ontslag, zijn lange dienstverband en zijn gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, de gevolgen van het ontslag voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang dat [Y.] heeft bij de opzegging, maar hij heeft deze stellingen op geen enkele wijze onderbouwd, terwijl hij als eisende partij dient te stellen en zonodig te bewijzen dat de opzegging van zijn arbeidsovereenkomst door [Y.] kennelijk onredelijk is.

[X.] heeft in eerste aanleg noch in hoger beroep gesteld wat de (financiële) gevolgen van het ontslag voor hem zijn, terwijl dit ook niet zonder meer uit de vastgestelde feiten valt af te leiden. Over (de aard van) zijn gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid heeft [X.] niet meer gesteld dan dat hij hierdoor wordt gehinderd in zijn mogelijkheden om nieuw werk te vinden. [X.] heeft ook deze stelling in zijn geheel niet feitelijk onderbouwd.

Hiertegenover staat dat [Y.] heeft aangegeven dat [X.] nog wezenlijke kansen op de arbeidsmarkt blijkt te hebben. Uit de door haar ook in eerste aanleg in het geding gebrachte verklaring van [S.] van 18 juni 2007 blijkt dat [S.][X.] meerdere malen heeft gebeld om te vragen of hij in zijn loonbedrijf wilde komen werken, maar dat [X.] daarop niet heeft gereageerd. Uit de verklaring van [T.] van 2 oktober 2007 blijkt dat [T.][X.] verschillende keren heeft gebeld omdat hij werk had voor een kraanmachinist. In een laatste telefoongesprek van 30 september 2007 heeft [X.] aangegeven dat hij misschien zelf een graafmachine wilde kopen en als zelfstandige verder wilde gaan, aldus [T.] in zijn verklaring. [X.] heeft de inhoud van deze verklaringen niet gemotiveerd betwist.

De vraag of [S.] of [T.], wanneer [X.] op de uitnodiging zou zijn ingegaan, hem daadwerkelijk in dienst zou hebben genomen, kan niet worden beantwoord omdat [X.] op het aanbod niet is ingegaan.

De stelling van [X.] dat er geen sprake is geweest van serieuze belangstelling nu [S.] en [T.] nauwe contacten onderhielden met [Y.], wordt verworpen. Het enkele feit van de gestelde nauwe contacten rechtvaardigt nog niet de conclusie dat de aanbiedingen jegens [X.] niet serieus waren.

[Y.] is voorts, zoals hiervoor is overwogen, in een financieel moeilijke situatie komen te verkeren waarbij zij genoodzaakt was een reorganisatie door te voeren, en dat zij [X.] voor het einde van de arbeidsovereenkomst ongeveer drie maanden heeft vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden, waarbij zij zijn salaris heeft doorbetaald.

4.20. De conclusie is dat niet is gebleken dat de gevolgen van de opzegging voor [X.] te ernstig zijn in vergelijking met het belang van [Y.] bij de opzegging, of dat de opzegging op andere gronden kennelijk onredelijk is. De kantonrechter heeft derhalve de daarop gegronde vorderingen van [X.] terecht afgewezen.

4.21. Aan het door [X.] gedane bewijsaanbod wordt als te vaag en/of niet ter zake dienend voorbij gegaan.

4.22. Nu de grieven hetzij slagen, maar niet tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep kunnen leiden, hetzij falen, dient dit vonnis te worden bekrachtigd. [X.] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [X.] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [Y.] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 254,- aan verschotten en € 894,- aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Aarts, Venner-Lijten en Slootweg en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 juli 2009.