Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ1415

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-05-2009
Datum publicatie
03-07-2009
Zaaknummer
08/00282
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende, een particulier, woont in een praktisch geheel door België omsloten Nederlandse enclave, waar in die jaren geen elektriciteit werd aangeboden door een Nederlandse leverancier. Belanghebbende nam stroom af van een Belgische leverancier; belanghebbendes stroomvoorziening is aangelegd naar Belgische maatstaven, die niet voldoen aan de Nederlandse maatstaven. In een uitvoerig betoog oordeelt het Hof dat voor 2003 belanghebbende energiebelasting is verschuldigd, maar voor de jaren daarna, toen de Richtlijn 2003/96/EG van toepassing was, belanghebbende gediscrimineerd zou worden als hij in twee landen energiebelasting verschuldigd zou zijn en wordt hij voor wat betreft zijn bezwaren tegen de Nederlandse heffing in het gelijk gesteld. Hoger beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-1416
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Derde meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 08/00282

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de schriftelijke uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 7 februari 2008, nummer AWB 06/2906 in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur

met betrekking tot de hierna te melden op aangiften voldane energiebelasting.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Belanghebbende heeft op 16 januari 2004 aangifte gedaan van de door hem over het tijdvak 2003 verschuldigde energiebelasting met betrekking tot de levering van elektriciteit. Het desbetreffende aangiftebiljet vermeldt als zodanig een bedrag van € 570. Dit bedrag is vervolgens door belanghebbende voldaan. Naar aanleiding van het door belanghebbende tegen dit bedrag ingediende bezwaarschrift heeft de Inspecteur bij uitspraak van 25 april 2006 besloten niet aan het bezwaar tegemoet te komen en de gedane aangiften te handhaven.

1.2. Belanghebbende heeft op 20 januari 2005 aangifte gedaan van de door hem over het tijdvak 2004 verschuldigde energiebelasting met betrekking tot de levering van elektriciteit. Het desbetreffende aangiftebiljet vermeldt als zodanig een bedrag van € 567. Dit bedrag is vervolgens door belanghebbende voldaan. Naar aanleiding van het door belanghebbende tegen dit bedrag ingediende bezwaarschrift heeft de Inspecteur bij uitspraak van 25 april 2006 besloten niet aan het bezwaar tegemoet te komen en de gedane aangiften te handhaven.

1.3. Belanghebbende heeft op 30 december 2005 aangifte gedaan van de door hem over het tijdvak 2005 verschuldigde energiebelasting met betrekking tot de levering van elektriciteit. Het desbetreffende aangiftebiljet vermeldt als zodanig een bedrag van € 603. Dit bedrag is vervolgens door belanghebbende voldaan. Naar aanleiding van het door belanghebbende tegen dit bedrag ingediende bezwaarschrift heeft de Inspecteur bij uitspraak van 25 april 2006 besloten niet aan het bezwaar tegemoet te komen en de gedane aangiften te handhaven.

1.4. Belanghebbende is tegen de in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur in beroep gekomen bij de Rechtbank. Bij mondelinge uitspraak van 7 februari 2008, nr. AWB 06/2906 heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.5. Tegen genoemde uitspraak van de Rechtbank heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 3 april 2008 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende in persoon, vergezeld van zijn echtgenote en zijn gemachtigde, alsmede de Inspecteur.

1.7. Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

1.8. De Inspecteur heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

2. Feiten

2.1. De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten en omstandigheden vastgesteld:

2.1.1. Belanghebbende woonde in de onderhavige jaren in het praktisch geheel door Belgisch grondgebied omsloten Y. Aldaar werd toen geen elektriciteit aangeboden door een Nederlandse leverancier. Belanghebbende nam in de onderhavige jaren zijn elektriciteit af van het in België gevestigde A.

2.2. In aanvulling op hetgeen door de Rechtbank is vastgesteld zijn in hoger beroep op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting de volgende feiten en omstandigheden komen vast te staan.

2.2.1. Tot omstreeks 1950 was Y niet aangesloten op enig elektriciteitsnet. Toen is door de gemeente B met de Belgische, vermoedelijk provinciale, autoriteiten afgesproken dat het Belgische provinciale elektriciteitsbedrijf zorg zou dragen voor de aansluiting van Y op het door dat bedrijf geëxploiteerde elektriciteitsnet.

2.2.2. Het elektriciteitsnet in Y is aangelegd overeenkomstig hetgeen in België gebruikelijk is. Zo is de bedrading bovengronds aangelegd en zijn binnenshuis de geaarde stopcontacten voorzien van aarde-aansluiting volgens de Belgische norm.

2.2.3. Het elektriciteitsnet in Y werd in de onderhavige jaren beheerd door de Intercommunale Vereniging voor de Elektriciteitsdistributie in de Kempen en het Antwerpse (hierna: IVEKA), een regionale netwerkbeheerder in België. Energieleverancier was het in België gevestigde A.

2.2.4. Bij brief van 31 januari 2005 heeft de Dienst uitvoering en toezicht Energie aan de directie van IVEKA het volgende geschreven:

"Hierbij vraag ik uw aandacht voor de volgende kwestie.

Op 30 augustus 2004 ontving ik een klacht van de heer X, C-straat 5, ---- -- Y (gemeente Baarle Nassu). De klacht komt er op neer dat de heer X, hoewel deze op Nederlands grondgebied woont, geen gebruik kan maken van zijn wettelijk recht om een elektriciteitsleverancier te kiezen omdat hij van oudsher is aangesloten op het elektriciteitsnet van IVEKA (België). Hij kan daarom niet in het bezit komen van een voor Nederland benodigde EAN code.

Het is DTe bekend dat ultimo 1998 - begin 1999 de kwestie van het gebied Y aan de orde is geweest ten tijde van het verzoek om instemming met PNEM Netwerk B.V. tot de aangewezen netwerkbeheerder voor de provincie Noord-Brabant (uitgezonderd het gebied van ENET Eindhoven, thans NRE Netwerk B.V.). Destijds is door PNEM Netwerk B.V. aangegeven dat "een aantal panden in Y (N-B) ..... indertijd om kostenoverwegingen zijn aangesloten op het Belgische elektriciteitsnet, zoals zeer gebruikelijk in grensgebieden".

Het is DTe ook bekend dat IVEKA een elektriciteitsnet beheert dat zich voor een deel uitstrekt op het grondgebied van Nederland en dat IVEKA niet beschikt over een instemming van de Minister van Economische Zaken als bedoeld in artikel 12, tweede lid van de Elektriciteitswet 1998.

DTe stelt zich op het standpunt dat de heer X recht heeft op een EAN code die hem direct of indirect in staat stelt om een in Nederland opererende elektriciteitsleverancier te kiezen ten einde met deze leverancier een leveringscontract aan te kunnen gaan en daadwerkelijk elektriciteit van deze leverancier geleverd te krijgen.

Ik verzoek u daarom zowel ESSENT Netwerk B.V. als IVEKA om te zoeken naar een oplossing voor de hiervoor genoemde kwestie en mij uiterlijk 1 maart 2005 te rapporteren op welke wijze u het verzoek van de heer X zult honoreren. Ik voeg er aan toe dat uw oplossing toereikend moet zijn om op overeenkomstige aansluitingen in grensgebieden toegepast te kunnen worden. Daarbij stel ik het op prijs dat IVEKA al is begonnen met het zoeken naar een oplossing en ik verzoek ESSENT Netwerk B.V. zich hierbij aan te sluiten.

Deze brief stuur ik in gelijkluidende tekst zowel aan ESSENT Netwerk B.V. in 's-Hertogenbosch als aan de Intercommunale Vereniging voor de Elektriciteitsdistributie in de Kempen en het Antwerpse (IVEKA), D-straat 44, ---- E (België).

(...)"

2.2.5. Volgens een op 18 november 2003 gepubliceerd prijsoverzicht van A bestaan de belastingen en heffingen die in België in de elektriciteitsprijs zijn begrepen uit een energiebijdrage van € 0,23096 per kWh, een federale bijdrage van 0,10078 per kWh en openbare dienstverplichtingen van 0,03177 per kWh, zijnde in totaal € 0,36351 per kWh.

2.2.6. In de prijs die belanghebbende in de onderhavige jaren heeft betaald voor de aan hem geleverde elektriciteit zijn de Belgische belastingen en heffingen begrepen.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

a. Heeft A een vaste inrichting in Nederland van waaruit de elektriciteit wordt geleverd aan belanghebbende?

b. Ontbreekt in de Wet belastingen op milieugrondslag een belastbaar feit voor het geval van belanghebbende?

c. Staat de strekking van de energiebelasting als regulerende heffing, eraan in de weg dat de belasting anders dan door middel van een verhoging van de prijs van energie wordt geheven?

d. Heeft de Inspecteur in strijd gehandeld met het verbod op détournement de pouvoir, het beginsel van evenredige belangenafweging en het zorgvuldigheidsbeginsel, door het standpunt in te nemen dat belanghebbende belastingplichtig is en aangifte moet doen?

e. Staat de Europese vrijheid van goederenverkeer eraan in de weg dat belanghebbende als belastingplichtige wordt aangemerkt, terwijl in zuiver binnenlandse verhoudingen de leverancier als belastingplichtige zou worden aangemerkt?

f. Wordt belanghebbende gediscrimineerd doordat hij als belastingplichtige wordt aangemerkt en daardoor wordt geconfronteerd met administratieve rompslomp die andere inwoners van Nederland bespaard blijft, doordat hij zowel in Nederland als in België energiebelasting betaalt, doordat hij niet in aanmerking komt voor toepassing van het verlaagde tarief voor groene stroom en doordat hij niet kan kiezen voor een Nederlandse energieleverancier?

g. Dwingt het bestemmingslandbeginel en het bepaalde in artikel 174, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: het EG-Verdrag) ertoe de belasting te heffen in het land waar de vervuiling plaatsvindt, te weten België?

h. Staat Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 (hierna de Richtlijn) in de weg aan aanwijzing van de afnemer van elektriciteit als belastingplichtige voor de energiebelasting?

De Inspecteur is van oordeel dat deze vragen ontkennend moeten worden beantwoord. Belanghebbende is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting heeft belanghebbende hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd.

Belanghebbende

- De uitzonderingssituatie van artikel 36c, vijfde lid van de Wet (tekst 2003) is bedoeld voor de gevallen waarin elektriciteit zelf wordt opgewekt en geldt dus niet voor de onderhavige situatie.

- Ik neem elektriciteit af als particulier.

- IVEKA doet het onderhoud aan de elektriciteitskabels e.d.

- Met regulerende heffing bedoel ik dat de belasting onderdeel van de prijs moet zijn. Doel is het verbruik te verlagen.

- Tot omstreeks 1950 was Y niet aangesloten op enig elektriciteitsnet. Toen is door de gemeente B met de Belgische, vermoedelijk provinciale, autoriteiten afgesproken dat het Belgische provinciale elektriciteitsbedrijf zorg zou dragen voor de aansluiting van Y op het door dat bedrijf geëxploiteerde elektriciteitsnet.

- Het elektriciteitsnet in Y is aangelegd overeenkomstig hetgeen in België gebruikelijk is. Zo is de bedrading bovengronds aangelegd en zijn binnenshuis de geaarde stopcontacten voorzien van aarde-aansluiting volgens de Belgische norm. Een en ander voldoet niet aan de Nederlandse voorschriften.

3.3. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep. Belanghebbende concludeert tot gegrondverlaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraken op bezwaar van de Inspecteur en tot teruggave van de op de aangiften betaalde bedragen. Tevens concludeert belanghebbende tot veroordeling van de Inspecteur tot vergoeding van de integrale proceskosten van belanghebbende.

4. Beoordeling van het geschil

Ten aanzien van het geschil

4.1. Aangezien met ingang van 2004 de Richtlijn in werking is getreden en ook de wettelijke regeling inzake de heffing van energiebelasting ter zake van de levering van elektriciteit is gewijzigd, zal het Hof hierna eerst het hoger beroep inzake de voldoening van belasting over 2003 behandelen en daarna de voldoening over de jaren 2004 en 2005.

De voldoening over 2003

4.2. Belanghebbende betoogt dat hij zijn elektriciteit niet geleverd heeft gekregen via een aansluiting op een Nederlands distributienet, zulks in de zin van het bepaalde in artikel 36c, lid 3, en artikel 36a, lid 1, onderdeel f, van de Wet belastingen op milieugrondslag (tekst 2003) (hierna: de Wet (tekst 2003)). Dit betoog kan belanghebbende niet baten. Immers, als in de heffing te betrekken levering wordt op grond van het vijfde lid van voornoemd artikel 36c mede aangemerkt het verbruik van elektriciteit, indien deze op andere wijze is verkregen dan door een levering via een aansluiting op het Nederlandse distributienet. Deze bepaling ziet naar het oordeel van het Hof niet uitsluitend op gevallen waarin een gebruiker zelf elektriciteit opwekt, maar heeft een ruime strekking die ook het onderhavige geval bestrijkt. De vraag of belanghebbende al dan niet is aangesloten op een Nederlands distributienet kan derhalve onbeantwoord blijven.

4.3. Belanghebbende stelt voorts dat het bepaalde in artikel 36e, lid 4, van de Wet (tekst 2003) in zijn geval geen toepassing kan vinden omdat A een vaste inrichting, naar het Hof aanneemt, in de zin van de Wet (tekst 2003), in Nederland heeft van waaruit de elektriciteit aan belanghebbende geleverd is. Dienaangaande stelt het Hof voorop dat, anders dan de Rechtbank geoordeeld heeft, een redelijke verdeling van de bewijslast met zich meebrengt dat de Inspecteur die zich op deze belastingplichtscheppende uitzonderingsbepaling beroept, de voor toepassing van die bepaling benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. De Inspecteur heeft gesteld dat A geen vaste inrichting in de zin van de Wet (tekst 2003) in Nederland heeft. Ter zake van de betwisting daarvan door belanghebbende overweegt het Hof als volgt. Er kan een aanwijzing worden geput uit de voorschotnota's en eindfacturen die ter zake van de levering aan de verbruiker zijn verstrekt. In het onderhavige geval zijn de voorschotnota's en eindfacturen door een Belgische vestiging van A aan belanghebbende verstrekt. Voorts kan niet worden gezegd dat de fysieke infrastructuur in Y bestaande uit elektriciteitskabels, -kastjes en dergelijke, een vaste inrichting van A vormt. Die infrastructuur behoort immers toe aan de netwerkbeheerder IVEKA. Voorts acht het Hof aannemelijk de stelling van de Inspecteur dat belanghebbende zijn elektriciteit niet geleverd heeft gekregen van A Nederland B.V., zodat ook deze vennootschap niet kan gelden als een vaste inrichting van waaruit de elektriciteit aan de verbruiker geleverd is. Op grond van dit alles, en mede in aanmerking nemend de verklaring van de Minister van Economische zaken inhoudende dat A geen vaste inrichting in Nederland heeft (Aanhangsel Handelingen II, 2006/07, nr. 2196), acht het Hof aannemelijk dat de onderhavige levering van elektriciteit aan belanghebbende niet is verricht vanuit een vaste inrichting van A in Nederland. De andersluidende stelling van belanghebbende moet daarom worden verworpen.

4.4. Belanghebbende voert verder aan dat in de gevallen waarin de verbruiker als belastingplichtige wordt aangewezen, een belastbaar feit ontbreekt omdat een verbruiker geen elektriciteit aan zichzelf kan leveren. Naar het oordeel van het Hof echter, bestaat het belastbaar feit in dit geval uit het geleverd krijgen van elektriciteit en valt hierin geen ongerijmdheid of innerlijke tegenstrijdigheid te onderkennen.

4.5. De stelling van belanghebbende dat de strekking van de energiebelasting als regulerende heffing, eraan in de weg staat dat de belasting anders dan door middel van een verhoging van de prijs van energie wordt geheven, vindt naar het oordeel van het Hof geen steun in het recht. Bij de uitleg van artikel 36e van de Wet (tekst 2003) wegen de duidelijke bewoordingen van deze bepaling zwaarder dan de door belanghebbende gestelde strekking. Daar komt nog bij dat het Hof niet inziet waarom de regulering van het gebruik van energie niet ook kan worden bereikt langs andere wegen dan het instellen van een belasting die rechtstreeks kostprijsverhogend werkt.

4.6. De door belanghebbende gestelde strijdigheid van het handelen van de Inspecteur met het verbod van détournement de pouvoir, het beginsel van evenredige belangenafweging en het zorgvuldigheidsbeginsel, veronderstelt dat de Inspecteur beleidsvrijheid heeft ten aanzien van de vraag of belanghebbende dan wel de leverancier in de heffing moet worden betrokken. Die veronderstelling is onjuist. In een geval als het onderhavige schrijft artikel 36e, lid 4, van de Wet (tekst 2003) dwingend voor dat de belasting wordt geheven van de verbruiker. Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat de Inspecteur de leverancier had moeten bewegen zich in Nederland te vestigen of de leveringen te verrichten vanuit een Nederlandse vaste inrichting, kan hem dat evenmin baten. Op grond van de Wet (tekst 2003) was de leverancier immers noch tot het één noch tot het ander gehouden en ook overigens beschikte de Inspecteur niet zelf over middelen om die leverancier tot het een of het ander te bewegen. De gestelde omstandigheid dat de Dienst uitvoering en toezicht Energie op grond van de Elektriciteitswet 1998 wel over dergelijke middelen beschikte kan, wat er van die stelling verder zij, de Inspecteur niet worden tegengeworpen.

4.7. Belanghebbende beroept zich nog op de vrijheid van goederenverkeer en het discriminatieverbod, neergelegd in het EG-Verdrag. Dienaangaande stelt het Hof voorop dat belanghebbende in de uitzonderlijke situatie verkeerde dat hij gedwongen was een product, elektriciteit, af te nemen van een bepaalde in een andere lidstaat gevestigde leverancier. Deze leverancier beschikt aldus feitelijk over een monopolie voor de levering van elektriciteit in een andere lidstaat dan de lidstaat van vestiging van die leverancier. De fiscale omstandigheden dat belanghebbende werd opgezadeld met een administratieve last, doordat hij zelf aangifte moest doen en de belasting op aangifte moest voldoen, in elk geval tijdelijk werd geconfronteerd met een dubbele heffing van energiebelasting en de onmogelijkheid om te kiezen voor in Nederland destijds lager belaste groene stroom, hadden niet tot gevolg dat de concurrentiepositie van A werd geschaad. Evenmin kan worden gezegd dat de vrijheid van belanghebbende als consument om in een andere lidstaat goederen aan te schaffen door die fiscale omstandigheden werd beperkt. In zoverre verschilt het geval van belanghebbende van het geval dat aan de orde was in de zaak die leidde tot het zogenoemde Safir-arrest (HvJ EG 28 april 1998, nr. C-118/96, BNB 1999/67). Daar komt bij dat in 2003 de interne markt voor elektriciteit nog geenszins voltooid was. Het Hof wijst in dit verband op de omstandigheid dat Verordening 1228/2003, betreffende de voorwaarden voor toegang tot het net voor grensoverschrijdende handel in elektriciteit, eerst van toepassing is geworden vanaf 1 juli 2004. Tegen de achtergrond van het vorenoverwogene is het Hof van oordeel dat de heffing van energiebelasting van belanghebbende niet strijdig is met de in het EG-Verdrag gegarandeerde vrijheden of het discriminatieverbod.

4.8. Belanghebbende beroept zich op het bestemmingslandbeginsel en stelt dat het bepaalde in artikel 174, lid 2, van het EG-Verdrag zich verzet tegen een heffing van energiebelasting bij de consument. In de zojuist genoemde verdragsbepaling komt tot uitdrukking dat het milieubeleid van de Europese Gemeenschap berust op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieu-aantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, en het beginsel dat de vervuiler betaalt. Belanghebbende betoogt dat een en ander meebrengt dat de belasting op elektriciteit moet worden geheven daar waar de elektriciteit wordt geproduceerd, dat wil zeggen: daar waar de elektriciteitscentrale staat. Bij de beoordeling van dit betoog stelt het Hof voorop dat het bepaalde in artikel 174, lid 2, van het EG-Verdrag inhoudelijk gezien onvoldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk is om daaraan rechtstreekse werking te kunnen ontlenen, in die zin dat een burger zich hierop rechtstreeks kan beroepen tegenover de autoriteiten van de betrokken lidstaat.

4.9. Het beroep van belanghebbende op de Richtlijn kan hem voor het over 2003 betaalde bedrag niet baten omdat blijkens het bepaalde in artikel 28, lid 2, van de Richtlijn implementatie plaats moest vinden met ingang van 1 januari 2004.

4.10. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is het gelijk ten aanzien van het over 2003 betaalde bedrag aan de zijde van de Inspecteur.

De voldoening over 2004 en 2005

4.11. Artikel 21, lid 5, tweede volzin, van de Richtlijn bepaalt dat, wanneer de levering tot verbruik plaatsvindt in een lidstaat waar de distributeur of herdistributeur niet is gevestigd, de belasting van de lidstaat van levering verschuldigd wordt door een bedrijf dat op het tijdstip van levering in de lidstaat van levering geregistreerd moet zijn.

4.12. De in onderdeel 4.11 weergegeven richtlijnbepaling is naar het oordeel van het Hof inhoudelijk gezien voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk om rechtstreekse werking te hebben in die zin dat een particulier zich op die bepaling rechtstreeks kan beroepen tegenover de autoriteiten van de betrokken lidstaat met betrekking tot het tijdvak waarin deze lidstaat had nagelaten de Richtlijn om te zetten in zijn nationale rechtsorde.

4.13. Vaststaat dat belanghebbende geen bedrijf uitoefent.

4.14. Naar het oordeel van het Hof staat het bepaalde in artikel 21, lid 5, tweede volzin, van de Richtlijn in de weg aan de onderhavige heffing van energiebelasting van belanghebbende.

4.15. De omstandigheid dat er op het tijdstip van levering voor de heffing van de belasting geen in Nederland geregistreerd bedrijf kon worden aangewezen kan belanghebbende niet tegengeworpen worden. Het ligt immers op de weg van de lidstaten om in hun nationale wetgeving een regeling op te nemen die de registratieplicht effectueert en om in de uitvoeringssfeer die registratieplicht te handhaven.

4.16. Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat ten aanzien van de over 2004 en 2005 betaalde bedragen het gelijk aan de zijde van belanghebbende is.

Slotsom

4.17. Al hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat het hoger beroep gegrond moet worden verklaard en dat hetgeen over de jaren 2004 en 2005 is voldaan, aan belanghebbende teruggegeven moet worden.

Ten aanzien van het griffierecht

4.18. Nu het hoger beroep gegrond wordt verklaard dient de Staat aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 38 respectievelijk € 216 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.19. Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het Hof acht geen termen aanwezig om, in afwijking van de in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, de tegemoetkoming in de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast te stellen op het bedrag van de werkelijke kosten. Ook anderszins ziet het Hof geen aanleiding voor een afwijking van de in die bijlage opgenomen forfaitaire tegemoetkoming. Naar het oordeel van het Hof vormt de door belanghebbende gestelde gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht geen bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 2, lid 3, van voornoemd besluit.

Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor de procedure bij de Rechtbank op 2 (punten) x € 322 (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) is € 966 en voor de procedure bij het Hof op 2 (punten) x € 322 (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) is € 966, in totaal derhalve € 1.932. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

- verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur betreffende de betaling over het jaar 2003 ingestelde beroep ongegrond;

- verklaart het tegen de uitspraken van de Inspecteur betreffende de betaling over de jaren 2004 en 2005 ingestelde beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken van de Inspecteur betreffende de betaling over de jaren 2004 en 2005;

- gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende teruggaven verleent van € 567 en € 603 ter zake van de over 2004 en 2005 door belanghebbende voldane energiebelasting, beide bedragen te verhogen met de op de voet van artikel 30g van de Algemene wet inzake rijksbelastingen te berekenen heffingsrente;

- gelast dat de Staat aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 254 vergoedt;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 1.932, en

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op 29 mei 2009 door R.J. Koopman, voorzitter, N. van Beelen en S. Bosma, leden, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.