Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ1408

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-05-2009
Datum publicatie
03-07-2009
Zaaknummer
07/00568
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft bij brief van 9 september 2006 bezwaar gemaakt tegen de door hem betaalde motorrijtuigenbelasting over de jaren 2000 tot en met 2005. De Inspecteur verklaart de man niet-ontvankelijk, de rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Belanghebbende heeft sinds 1994 morrijtuigenbelasting betaald voor zijn auto, vanaf 27 oktober 2005 mocht er in maandelijkse termijnen worden betaald. De laatste betaling werd verricht op 28 november 2005. Het Hof stelt vast dat derhalver de bezwaartermijn eindigde op 10 januari 2006, het op 9 september ontvangen bezwaarschrift is niet tijdig ingediend. van bijzondere omstandigheden, op grond waarvan belanghebbende geacht kan worden niet in verzuim te zijn geweest is niet gebleken. De toepassing van de hardheidsclausule is voorbehouden aan de Minister en de rechter mag de innerlijke waarde van de wet niet toetsen. Hoger beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Tweede meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 07/00568

Schriftelijke uitspraak op het hoger beroep van

de heer X, wonende te Y, Marokko,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 13 november 2007, nummer AWB 07/3442 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Centrale administratie van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Belanghebbende heeft bij brief met dagtekening 9 september 2006 bezwaar gemaakt tegen de door hem betaalde motorrijtuigenbelasting over de jaren 2000 tot en met 2005. De Inspecteur heeft op 16 mei 2007 uitspraak gedaan op het bezwaar van belanghebbende en hem daarbij niet-ontvankelijk verklaard in het bezwaar.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak bij faxbericht van 6 november 2006, bij de Rechtbank Amsterdam ingekomen op 8 november 2006, in beroep gekomen. Het beroep is doorgestuurd naar de Rechtbank als bevoegde instantie. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 106. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur heeft schriftelijk gedupliceerd.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 17 april 2009 te 's-Hertogenbosch tezamen met de zaak bij het Hof bekend onder nummer 08/00569 van belanghebbende. Aldaar is toen belanghebbende, met schriftelijk bericht van verhindering van 23 maart 2009, niet verschenen. De Inspecteur heeft de griffier van het Hof op 15 april 2009 telefonisch medegedeeld niet ter zitting te zullen verschijnen.

1.6. Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof, welke door tussenkomst van de griffier aan de Inspecteur is gezonden. Het Hof rekent deze pleitnota tot de gedingstukken.

1.7. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten en aangekondigd schriftelijk uitspraak te doen.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. De belasting is betaald voor de personenauto, merk Volkswagen, met het kenteken XX-XX-00 (hierna: de auto).

Belanghebbende is blijkens het kentekenregister sinds 27 april 1994 houder van de auto.

2.2. Aan de hand van een afgegeven machtiging mocht op grond van artikel 15, lid 3, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 de verschuldigde belasting voor het tijdvak 27 oktober 2005 tot en met 26 januari 2006 in maandelijkse termijn worden betaald. De laatste betaling werd door belanghebbende verricht op 28 november 2005.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

Belanghebbende is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Nu partijen niet ter zitting zijn verschenen, zijn daaraan geen nieuwe argumenten toegevoegd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en van de Inspecteur en tot ontvankelijkverklaring van het bezwaar. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De Rechtbank heeft als volgt overwogen:

"2.2. Belanghebbende heeft per brief met dagtekening 9 september 2006 bezwaar gemaakt tegen de door hem betaalde belasting over de jaren 2000 tot en met 2005. Belanghebbende heeft met dagtekening 4 december 2006, bij de rechtbank ingekomen op 6 december 2006, beroep ingesteld. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende, bij brief met dagtekening 16 mei 2007, niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Nu het beroep is ingesteld, voordat door de inspecteur uitspraak op bezwaar is gedaan, is het beroep voortijdig ingesteld. De beroepstermijn vangt immers aan op de dag na dagtekening van de uitspraak op bezwaar, in het onderhavige geval dus op 17 mei 2007. Artikel 6:20, vierde lid, van de Awb bepaalt:

Het bezwaar of beroep wordt geacht mede te zijn gericht tegen het besluit op de aanvraag, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van deze bepaling het beroep in het onderhavige geval geacht moet worden mede te zijn gericht tegen de uitspraak op bezwaar. Het beroep is derhalve ontvankelijk.

2.3. In geschil is het antwoord op de vraag of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

2.4. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 22j van de AWR aan op de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet of van het afschrift van een voor bezwaar vatbare beschikking, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van die bekendmaking, dan wel op de dag na die van de voldoening of de inhouding onderscheidenlijk de afdracht. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van die wet is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is het bezwaarschrift nog tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en bovendien niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

2.5. De dagtekening van de laatste betaling is 28 november 2005. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift, is derhalve geëindigd op 10 januari 2006. Het bezwaarschrift is op 9 september 2006 door de inspecteur ontvangen en is dus niet tijdig ingediend. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift een niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Niet gesteld of gebleken is dat zodanige omstandigheden zich hebben voorgedaan. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard.".

Het Hof sluit in dezen aan bij de aangehaalde overwegingen van de Rechtbank.

4.2. Belanghebbende heeft in hoger beroep niet gesteld en evenmin aannemelijk gemaakt dat het bezwaarschrift binnen de wettelijke termijn is ingediend.

4.3. De toepassing van de hardheidsclausule, zoals vervat in artikel 63 Algemene wet inzake rijksbelastingen, is voorbehouden aan de Minister van Financiën.

De Inspecteur heeft als bijlage bij de conclusie van dupliek van 3 juli 2008 een afschrift van het antwoord van het Ministerie van Financiën van 5 juni 2008 op het verzoek van belanghebbende om toepassing van de hardheidsclausule overgelegd. De innerlijke waarde van de Wet staat niet ter beoordeling aan de rechter (zie onder meer Hoge Raad 29 maart 2002, nr. 36 513, onder meer gepubliceerd in BNB 2002/174).

4.4. Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen en dat

het hoger beroep van belanghebbende ongegrond moet worden verklaard.

Hetgeen belanghebbende nog naar voren heeft gebracht kan niet tot een ander oordeel leiden.

Ten aanzien van het griffierecht

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep ongegrond, en

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 8 mei 2009 door V.M. van Daalen-Mannaerts, voorzitter, P.J.M. Bongaarts en W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep

in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.