Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ1403

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-05-2009
Datum publicatie
03-07-2009
Zaaknummer
07/00377
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is agrarisch ondernemer met een mestopslag die hij in 2002 heeft laten vullen door een mestleverancier.Niet in geschil is dat belanghebbende deze mestopslag en de daarin opgeslagen voorraad niet (tijdig) heeft gemeld. Omdat de Inspecteur geen rkening gehoduen heeft met de opgeslagen mest, deze was immers niet tijdig gemeld, heeft hij een naheffingsaanslag mineralenheffing opgelegd. Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Op grond van artikel 24 van de Wet meststoffen kan de belastbare hoeveelheid mineralen worden verminderd of vermeerderd met de beginvoorraad en/of eindvoorrraad. Voorwaarde is wel dat deze tijdig is gemeld, hergeen in casu niet het geval was. Volgt een bevestiging van de uitspraak van de rechtbank en van de uitspraak van de inspecteur. Hoger beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

eerste meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 07/00377

Schriftelijke uitspraak op het hoger beroep van

de heer X wonende te Y, hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda(hierna: de Rechtbank) van 28 juni 2007, nummer 06/2929 in het geding tussen

belanghebbende

en

de Inspecteur van de Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Dienst Regelingen te

Assen hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen naheffingsaanslag fosfaatheffing.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is over het jaar 2002 een naheffingsaanslag in de fosfaatheffing opgelegd ten bedrage van € 11.754 aan belasting. Daarbij is bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 117,54. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak de naheffingsaanslag verminderd tot een ten bedrage van € 11.376 aan belasting en de verzuimboete verminderd tot nihil.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 38. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 106. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 26 maart 2009 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende alsmede de Inspecteur.

1.5. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende heeft een mestopslag. Hij heeft deze in 2002 laten vullen. Hij zegt daarbij te zijn afgegaan op de mededeling van de mestvervoerder, dat deze de mestopslag had geregistreerd zoals vereist door het Besluit voorraden meststoffenwet (hierna: het Besluit). Niet in geschil is dat belanghebbende de door hem gehouden voorraad mest niet tijdig heeft aangemeld in de zin van artikel 7 van het Besluit.

2.2. Op 27 november 2002 is belanghebbende uitgenodigd tot het doen van aangifte van de verfijnde mineralenheffing over het heffingsjaar 2002. Volgens de aangifte was belanghebbende nihil verschuldigd aan fosfaatheffing en nihil aan stikstofheffing.

2.3. De Inspecteur heeft de aangifte gecontroleerd. Hij zond belanghebbende een brief met als onderwerp "vaststelling MINAS-aangifte". De brief bevatte een bijlage met een specificatie van belanghebbendes berekening met daarnaast de berekening van de Inspecteur. De Inspecteur heeft bij zijn berekening geen rekening gehouden met de voorraad opgenomen in de mestopslag.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag fosfaatheffing terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Belanghebbendes erkent de juistheid van de door het Bureau Heffingen gemaakte berekening van de naheffingsaanslag, alsmede dat de mestopslag niet tijdig was aangemeld. Hij meent niettemin dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd. Hij voert daartoe aan dat in werkelijkheid geen sprake zou zijn van een fosfaatoverschot, dat dit overschot slechts wordt veroorzaakt door een administratieve fout (het niet-tijdig melden van de mestopslag) en dat de (hoogte van de) naheffing niet in redelijke verhouding staat tot de begane "administratieve overtreding". De Inspecteur stelt daartegenover dat de tijdige aanmelding van een mestopslag een wettelijk vereiste is en dat het hem niet vrijstaat om in het geval van belanghebbende, of een andere heffingsplichtige, daarvan af te wijken.

3.3. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

Ik ben afgegaan op de mededeling van de firma die de mestopslag vulde, dat de mestopslag geregistreerd was. Daarom heb ik de opslag nog een tweede keer laten vullen. Ik heb dus in feite het probleem van een ander opgelost en daar moet ik nu voor boeten. De berekening van de naheffingsaanslag is op zich juist. Ik geef toe dat ik toen een fout heb gemaakt. Over de jaren bezien, heb ik daarentegen minder mest op mijn land gebracht dan volgens de normen was toegestaan. Ik word voor mijn vergissing zwaar gestraft. Ik heb een gezin met drie studerende kinderen en het zal moeilijk zijn om uit de bedrijfswinst de naheffingsaanslag te betalen.

De Inspecteur

Het tijdig melden van een opslag is in het belang van de controle. Een mestopslag kan alleen gemeld worden als die leeg is. Enige dagen na de aanmelding komen controleurs om te verifiëren dat de opslag inderdaad leeg is. Vanaf dat "ijkpunt" wordt vervolgens het vullen en legen van de opslag bijgehouden.

3.4. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de Inspecteur, en vernietiging van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1. Op grond van artikel 2 van het Besluit kan de belastbare hoeveelheid mineralen, bedoeld in artikel 24 van de Meststoffenwet, worden vermeerderd met de beginvoorraad en verminderd met de eindvoorraad. Ingevolge artikel 7 van het Besluit wordt de belastbare hoeveelheid mineralen bedoeld in artikel 24 van de Meststoffenwet, alleen dan verminderd met de eindvoorraad, indien de mestopslag tijdig is aangemeld. Vaststaat dat een dergelijk aanmelding niet heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat de Inspecteur bedoelde vermindering terecht niet heeft toegepast. Hieraan doen niet af de door belanghebbende daartegen aangevoerde omstandigheden (zie ook Hoge Raad, 21 oktober 2005, nr. 40.458).

4.2. Nu de berekening van de naheffingsaanslag voor het overige niet in geschil is, is het gelijk aan de Inspecteur en dient belanghebbendes hoger beroep ongegrond te worden verklaard.

Ten aanzien van het griffierecht

4.3 Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.4 Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 8 mei 2009 door J.W.J. Huige, voorzitter, W.E.M. van Nispen tot Sevenaer en J.G. Verseput, leden, in tegenwoordigheid van R.O.J.M de Windt, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.