Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ0685

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-04-2009
Datum publicatie
29-06-2009
Zaaknummer
97/20681
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BL9828, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de correctie privégebruik auto en in haar bezwaarschrift verklaard dat niet haar werkgever, maar een andere tot het concern behorende vennootschap haar de auto ter beschikking had gesteld. Hoewel belanghebbende hier later weer op terugkomt acht het Hof met deze verklaring vaststaand dat aan belanghebbende een auto ter beschikking is gesteld wegens het verrichten van arbeid. De volgende stelling van belanghebbende is dat zij in privé alle autokosten draagt; deze stelling kan zij evenwel niet aannemelijk maken. De stelling van belanghebbende dat zij dat niet kon omdat de administratie van alle vennootschappen in beslag is genomen, verwerpt het Hof omdat belanghebbende voortdurend in de gelegenheid is gesteld om ten burele van de OvJ de betreffende administratie in te zien. De conclusie van het Hof is dan ook dat er een auto ter beschikking is gesteld, dat belanghebbende niet heeft doen blijken dat er geen privégebruik heeft plaatsgevonden en dat niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende de autokosten in privé heeft betaald. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/39.2.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 97/20681

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, eerste meervoudige Belastingkamer, op het beroep van mevrouw X te Y tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen te A van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst Z van de rijksbelastingdienst, die thans ten aanzien van belanghebbende bevoegd is, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 31 december 1996 voor het jaar 1993 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 113.683 (hierna: de aanslag). Belanghebbende heeft tegen de aanslag een bezwaarschrift ingediend.

Bij de bestreden uitspraak is de aanslag gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van voormelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van het Hof van belanghebbende een griffierecht geheven van fl. 80. De Inspecteur heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden.

1.3. De eerste mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van de vijfde enkelvoudige Belastingkamer van het Hof van 26 mei 1999. Ter zitting is tevens behandeld de andere bij het Hof aanhangige zaak van belanghebbende, bij het Hof bekend onder nummer 98/01049. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, voorts B, toentertijd verbonden aan het kantoor C B.V. te D, als gemachtigde van belanghebbende, alsmede namens de Inspecteur mr. E, bijgestaan door mr. F. Zonder bezwaar van de wederpartij heeft belanghebbende bij brief van 21 mei 1999 een aantal bescheiden in het geding gebracht, een en ander als in die brief omschreven. Belanghebbende heeft zonder bezwaar van de wederpartij een door de Inspecteur aan belanghebbende gerichte brief d.d. 13 november 1996 in het geding gebracht. Aan het slot van de zitting heeft het Hof de zaak aangehouden. Daarna is bij het Hof een brief d.d. 27 mei 1999 (met bijlagen) van de Inspecteur binnengekomen. Die bescheiden zijn daags daarna in afschrift aan belanghebbende gezonden.

1.4. De tweede mondelinge behandeling heeft plaatsgehad ter zitting van -eveneens- de vijfde enkelvoudige Belastingkamer van 15 december 1999 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, voorts mr. B voornoemd, als gemachtigde van belanghebbende, en namens de Inspecteur mr. E en mr. F, beiden voornoemd. Ter zitting is tevens voor de tweede keer behandeld de zaak van belanghebbende met hofkenmerk 98/01049.

Ter zitting heeft belanghebbende een oorspronkelijk voor de zitting van 26 mei 1999 bestemde pleitnota, gedateerd 26 mei 1999, voorgedragen en een exemplaar daarvan overgelegd aan de wederpartij. Het Hof had ter zitting van 26 mei 1999 al een exemplaar van die pleitnota ontvangen. Als reactie op de in 1.3 vermelde brief d.d. 27 mei 1999 (met bijlagen) heeft belanghebbende ter zitting een tweede pleitnota (gedateerd 15 december 1999) voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de wederpartij en aan het Hof. De inhoud van de respectieve pleitnota's wordt als hier ingelast aangemerkt. Zonder bezwaar van de wederpartij heeft de Inspecteur te dezer zitting een lijst met gegevens over auto's, voorkomende in jaarrekeningen van het kantoor van belanghebbendes gemachtigde, alsmede bevattende een berekening van de hierna onder 2.2 vermelde bijtelling, in het geding gebracht.

1.5. Partijen zijn bij oproeping d.d. 22 december 1999 opgeroepen voor de zitting van de vijfde enkelvoudige Belastingkamer van 19 januari 2000, ten behoeve van de derde mondelinge behandeling van het beroep, welke zitting om proceseconomische redenen is uitgesteld.

Ten behoeve van die mondelinge behandeling heeft belanghebbende bij brief van 16 januari 2000 het Hof een "overzicht bereden auto's over de jaren 1993 en 1994" en een tiental facturen afkomstig van G BV te H doen toekomen.

1.6. Bij brief van 21 januari 2000 heeft het Hof de gemachtigde van belanghebbende het volgende bericht:

"(.....)

Ter zitting van 15 december 1999 is de bewijslast verdeeld aan de hand van ter zitting ter sprake gekomen jurisprudentie. Voorop staat nu de vraag op grond waarvan belanghebbende, na 1992, zou hebben afgezien van een door haar werkgever ter beschikking gestelde auto. U verzocht in de gelegenheid te worden gesteld nader bewijs bij te brengen. Ter zitting heeft het Hof de zaken aangehouden tot 19 januari j.l..

Uw brief van 16 januari 2000 met bijlagen bereikte de voorzitter eerst woensdagmorgen, 19 januari j.l, op de dag van de voorgenomen derde mondelinge behandeling. In uw brief sloot u niet uit "nog enige nadere bescheiden ter zitting over te leggen". In het kader van een goede procesorde is de mondelinge behandeling uitgesteld.

Ter zitting van 15 december 1999 is door de Inspecteur een berekening van de bijtelling overgelegd. Tot de bij uw brief van 16 januari 2000 overgelegde stukken behoort een "overzicht bereden auto's over de jaren 1993 en 1994". Ik verzoek u in een nader aan het Hof in te zenden stuk aan te geven in hoeverre u met dat overzicht de door de Inspecteur berekende bijtelling wenst te bestrijden.

Ik verzoek u bij uw nadere bericht tevens alle stukken over te leggen die u nog in het geding wilt brengen. De door u ingezonden stukken zullen dan worden aangemerkt als een pleitnota met bijlagen voor de derde mondelinge behandeling. Dan, en niet eerder, zal tevens, in goed overleg met partijen, de datum voor die derde mondelinge behandeling worden vastgesteld.

Een copie van deze brief zend ik heden aan de Inspecteur.".

1.7. Bij schrijven van 6 maart 2003 berichtte belanghebbendes gemachtigde het Hof dat hij gedetineerd was en momenteel niet in staat was bedoelde vragen te beantwoorden. De vijfde enkelvoudige Belastingkamer heeft daarna de zaak verwezen naar de eerste meervoudige Belastingkamer van het Hof.

Belanghebbende heeft de evenbedoelde door het Hof aan haar gerichte verzoeken om schriftelijk nadere inlichtingen te verstrekken onbenut gelaten evenals de mogelijkheid om nader bewijs te leveren.

1.8. De eerste meervoudige Belastingkamer van het Hof heeft de zaak behandeld ter zitting van 19 december 2008. Ter zitting is verschenen, namens de Inspecteur, de heer mr. E voornoemd. Belanghebbende noch haar gemachtigde is verschenen.

De griffier heeft verklaard dat hij belanghebbende bij op 7 oktober 2008, met nummer 3SRGHR3863247, aangetekend naar het laatste van belanghebbende bekende adres (J-straat 50 te Y) verzonden uitnodiging, waarvan een afschrift tot de stukken behoort, heeft kennis gegeven van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Tot de stukken van het geding behoort de bij de verzending van bedoelde uitnodiging aan belanghebbende gebruikte zogeheten "Handtekening Retourkaart", vermeldende onder meer (onder het plaatsen van een handtekening daarvoor) dat die zending op 23 oktober 2008 in ontvangst is genomen door B.

Ter zitting is tevens behandeld voormelde zaak van belanghebbende met hofkenmerk 98/01049.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1. Belanghebbende is in het jaar 1993 in loondienst bij mr. K Beheer B.V., hierna de B.V.. De B.V. is bestuurder van mr. L B.V., een besloten vennootschap die in ieder geval in het betreffende jaar een advocatenpraktijk uitoefende. Belanghebbende heeft steeds, vanaf 1988, in haar jaarlijkse aangiftebiljet inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen een bedrag wegens privé-gebruik auto aangegeven. In de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 1993 heeft belanghebbende geen bedrag aangegeven wegens privé-gebruik auto.

2.2. In het jaar 1992 had de B.V. twee auto's van het merk Mercedes in gebruik; deze waren ter beschikking gesteld aan belanghebbende en aan B. Uit een ingesteld boekenonderzoek bij de B.V. blijkt dat de betreffende auto's ook in 1993 op de balans van de B.V. staan en dat één van deze auto's door belanghebbende werd gebruikt.

Op grond van deze feiten heeft de Inspecteur een bedrag wegens privé-gebruik auto ad ƒ 14.594 gecorrigeerd op het door belanghebbende voor het onderhavige jaar aangegeven inkomen. In verband met deze correctie is eveneens een bedrag ad ƒ 875,- wegens aftrek reiskosten woon-werkverkeer gecorrigeerd.

3. Geschil

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de Inspecteur terecht het aangegeven inkomen heeft verhoogd met een bedrag wegens privé-gebruik auto - waarbij het geschil zich toespitst op het antwoord op de vraag of te dier zake aan belanghebbende voor het onderhavige jaar een auto ter beschikking is gesteld - en een daarmee samenhangende correctie wegens reiskosten woon-werkverkeer.

Belanghebbende ontkent dat aan haar door de B.V. een auto ter beschikking is gesteld. Belanghebbende is verder van mening dat de betreffende correctie ten onrechte is geschied omdat zij alle door haar gemaakte autokosten aan de B.V. heeft vergoed.

De Inspecteur is van mening dat hij de correcties terecht heeft aangebracht.

Naar het Hof partijen verstaat, is de berekening van de door de Inspecteur aangebrachte correcties op zich niet in geschil.

3.2. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Tijdens de mondelinge behandelingen van de zaak is nog het volgende, zakelijk weergegeven, voorgevallen:

Mondelinge behandeling 26 mei 1999:

De (gemachtigde van) belanghebbende:

De autokosten zijn altijd vergoed.

Alle administraties zijn in beslag genomen. Ik ben geschorst advocaat in verband met faillissement. Ik heb stukken nog niet van de Officier. Mijn curator zelfs heeft niet alle stukken.

Ik verzet me tegen voeging van de zaken.

De Inspecteur:

Ik heb zwart op wit van de Officier dat belanghebbende alle stukken kan inzien.

Mondelinge behandeling 15 december 1999:

Belanghebbende:

Ik betwist dat sprake was van een ter beschikking stelling van een auto. Indien zulks al wel het geval was, dan betwist ik de perioden van terbeschikkingstelling. De auto was van mij. Het kenteken stond op mijn naam.

De Inspecteur:

De Mercedes 220 Sport stond op de jaarrekening van de B.V.. Waarom zou de B.V. activeren als de auto van belanghebbende is? Die auto is in 1993 aangeschaft en in 1994 verkocht. Hoe kun je een auto verkopen die niet je eigendom is? Ik zie verschillende Mercedessen staan op de balans. Belanghebbende heeft vanaf 1988 telkens privé-gebruik auto aangegeven. Ik heb contact gehad met een van de vroegere advocaten van de advocatenpraktijk en die zei dat alleen belanghebbende in de rode sportauto reed. Daarvan uitgaande, wordt het verhaal in 1994 weer logisch: het weer op papier van de zaak verkopen van de auto met daarna weer een auto die aan belanghebbende ter beschikking wordt gesteld. Die auto is vervolgens verkocht en (daar zijn stukken van) weer geleased, gevolgd door een ter beschikking stelling aan belanghebbende. Ik bestrijd de verklaring van belanghebbende dat een en ander blijkt uit rekening-courant verrekeningen. De verrekeningen hangen in de lucht. Er is bij voortduring een auto ter beschikking gesteld aan belanghebbende. Ik zie geen overeenkomst waaruit het tegendeel zou blijken. Ik stel dat sprake is van verkoop, gevolgd door terug leasen. De B.V. betaalt de termijnen. Van een eventuele in mindering op de autokostenfictieregeling te brengen eigen bijdrage door belanghebbende is niets gebleken.

Hof:

Het geschil wordt aldus beperkt tot het antwoord op de vraag of sprake is van het ter beschikking stellen van een auto als bedoeld in artikel 42, lid 3, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (zoals die gold voor het onderhavige jaar; hierna: de Wet). Overhandigt belanghebbende wat jurisprudentie en schorst de behandeling teneinde belanghebbende de gelegenheid te bieden die stukken door te nemen.

Na schorsing:

Belanghebbende:

Legt door tussenkomst van het Hof aan de Inspecteur over haar oorspronkelijk voor de zitting van 26 mei 1999 bestemde pleitnota. Naar mij bijstaat heb ik toen alleen in de 300 SL gereden. Er zijn meer auto's geweest die zijn gebruikt door advocaten uit de praktijk.

De Inspecteur:

Ik weerspreek alles wat door belanghebbende in haar pleitnota wordt gesteld.

Hof:

Stelt vast dat de Inspecteur alles heeft weersproken wat door belanghebbende is gesteld en besluit dat de zaak wordt aangehouden teneinde belanghebbende in de gelegenheid te stellen het van haar verlangde bewijs te leveren.

Mondelinge behandeling 19 december 2008:

De Inspecteur:

Ik blijf er bij dat aan belanghebbende een auto ter beschikking is gesteld, de vraag is alleen welke wanneer precies? Belanghebbende lijkt te stellen dat de B.V. de auto had verkocht aan belanghebbende die de auto daarop weer ter beschikking stelde aan de B.V.. Ik vind dat een heel schimmig verhaal van belanghebbende. Het staat voor mij als een paal boven water dat zij met een ter beschikking gestelde auto (ik vermoed de rode Mercedes Cabrio) in privé heeft gereden. Ik verwijs in dit verband ook naar de door mij eerder aangehaalde verklaring van een van de advocaten indertijd: " en daar reed Iris altijd mee.". Belanghebbende heeft de gelegenheid gehad om nader bewijs (door middel van overzichten e.d.) bij te brengen maar heeft dat niet gedaan. Hoe dan ook: ik stel me op het standpunt dat belanghebbende gedurende de jaren 1993 en 1994 een auto met een cataloguswaarde als bedoeld in meergenoemd artikel 42, lid 3, van de Wet van fl. 78.000 ter beschikking heeft gehad.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

4. Gronden

Vooraf en ambtshalve:

4.1. Blijkens de onder 1.8 vermelde stukken is de aldaar genoemde uitnodiging op 23 oktober 2008 uitgereikt.

Op grond hiervan is het Hof van oordeel dat de uitnodiging aan belanghebbende om op de zitting te verschijnen op de juiste wijze heeft plaatsgevonden.

Ten aanzien van het geschil

4.2. In het onder 1.1. genoemde bezwaarschrift heeft belanghebbende onder meer het volgende gesteld: "In de eerste plaats had belanghebbende niet de beschikking over een auto van haar werkgever Mr K Beheer BV, doch van Mr K BV h/o M Advocaten.".

4.2.1. Nadien - in haar pleitnota voor de zitting van 26 mei 1999 - heeft belanghebbende weliswaar ontkend dat zij een auto van enige werkgever ter beschikking heeft gekregen, maar het Hof acht de daarvoor door belanghebbende aangevoerde onderbouwing, te weten dat sprake is van een typefout in de hiervoor aangehaalde zin uit haar bezwaarschrift over het jaar 1993 en dat die zin aldus dient te worden verstaan dat in plaats van "doch" dient te worden gelezen "noch", gelet ook op de gemotiveerde weerspreking ervan door de Inspecteur, volstrekt ongeloofwaardig en in strijd met de overige inhoud van dat bezwaarschrift en gaat daar dan ook aan voorbij.

Ook overigens heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat er in het oorspronkelijke bezwaarschrift sprake is van een typefout.

4.2.2. Het Hof concludeert hieruit dat aan belanghebbende in ieder geval, wegens het verrichten van werkzaamheden een personenauto ter beschikking is gesteld, zoals bedoeld in artikel 42, derde lid, van de Wet; hierbij is niet van belang of de betreffende auto ter beschikking gesteld wordt door de vennootschap bij welke belanghebbende op de loonlijst voorkomt.

4.3. Gelet op de tekst van de in 4.2 genoemde wettelijke bepaling wordt ten minste tot het inkomen van belanghebbende het bedrag gerekend waarmee twintig percent van de catalogusprijs van de auto de vergoeding welke de belastingplichtige ter zake van het gebruik, anders dan ten behoeve van het verrichten van arbeid verschuldigd is, te boven gaat.

4.4. Nu het Hof als vaststaand heeft geoordeeld dat aan belanghebbende een auto ter beschikking is gesteld in de betekenis van artikel 42, derde lid, van de Wet, rust op belanghebbende de bewijslast om aannemelijk te maken dat en in welke mate zij de kosten van de betreffende auto voor haar eigen rekening heeft genomen. Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft de Inspecteur aan de controlerend ambtenaar verzocht nogmaals te bezien of het door belanghebbende gestelde, te weten dat zij alle kosten van de haar ter beschikking gestelde auto aan de vennootschap heeft vergoed, juist is. De Inspecteur schrijft in zijn uitspraak op het bezwaarschrift en persisteert daarbij op de laatstgehouden zitting dat hem, na het hernieuwde onderzoek niets is gebleken van enige directe dan wel indirecte verrekening van de betreffende autokosten.

4.5. Belanghebbende heeft gesteld dat zij, in verband met het feit dat de administratie van de betreffende B.V.'s en haar eigen administratie in beslag zijn genomen, niet in staat is om het bewijs te leveren van haar stelling dat zij alle autokosten aan de B.V. heeft vergoed. Het Hof verwerpt deze grief nu de Inspecteur voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende en ook haar gemachtigde volop de gelegenheid hebben gekregen en die ook hebben benut, om de administratie in te zien en daar, indien gewenst, ook kopieën van te maken.

4.6. In het schrijven van 21 januari 2000 heeft de griffier, aan de hand van de conclusies uit de tweede mondelinge behandeling van de zaak op de zitting van 15 december 1999 namens het lid van de vijfde enkelvoudige belastingkamer belanghebbende, onder verwijzing naar de te dezer zitting ter sprake gekomen jurisprudentie, de gelegenheid geboden om nader bewijs bijeen te brengen voor haar stelling dat zij in 1993 zou hebben afgezien van een door haar werkgever ter beschikking gestelde auto. Met deze jurisprudentie wordt dan met name bedoeld het arrest van de Hoge Raad van 19 maart 1997, nr. 31.911, onder meer gepubliceerd in BNB 1997/162.

Aan belanghebbende werd bij dit schrijven verzocht aan te geven in hoeverre zij het overzicht en de berekening van de Inspecteur, zoals hiervoor vermeld onder (slot) 1.4 wenste te bestrijden. Belanghebbende antwoordt bij monde van haar gemachtigde ruim drie jaar later, op 6 maart 2003, met de mededeling dat zij (op dat moment) niet in staat is de betreffende vragen te beantwoorden. Na dit schrijven van belanghebbendes gemachtigde is van de zijde van belanghebbende geen reactie meer vernomen. Hoewel op regelmatige wijze opgeroepen voor de zitting van 19 december 2008 is belanghebbende noch haar gemachtigde toen verschenen.

4.7. Nu het Hof van oordeel is dat aan belanghebbende in het jaar 1993 een auto ter beschikking stond in verband met het verrichten van arbeid, leidt het Hof uit het door de Inspecteur overgelegde overzicht, zie 1.4, af dat de door de Inspecteur aangebrachte correctie eerder te laag dan te hoog is geweest.

4.8. Belanghebbende heeft gesteld dat, zo aan haar een auto ter beschikking is gesteld in verband met het verrichten van arbeid, zij alle autokosten aan de B.V. heeft vergoed.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende met hetgeen zij heeft overgelegd niet voldaan heeft aan de op haar rustende bewijslast aannemelijk te maken dat zij in het betreffende jaar (alle) autokosten aan de B.V. heeft vergoed; het Hof is van oordeel dat dit in ieder geval niet aannemelijk is geworden uit de overgelegde rekening-courant overzichten, wat er zij van de betrouwbaarheid van deze stukken.

Het Hof is op grond van het hiervoor overwogene van oordeel dat het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is.

Voor dat geval is, naar het Hof verstaat, niet in geschil dat de uitspraak moet worden bevestigd, zodat moet worden beslist als hieronder vermeld.

Ten aanzien van het griffierecht:

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.

Ten aanzien van de proceskosten:

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus gedaan op: 3 april 2009 door G.J. van Muijen, voorzitter, P. Fortuin en J.C.W.K. Bartel, in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.