Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ0671

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-04-2009
Datum publicatie
29-06-2009
Zaaknummer
07/00390
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende dreef vanaf 1989 in maatschapsverband met zijn vader en zijn broer een agrarische onderneming, na het overlijden zetten de beide broers de maatschap voort.Bij een wijziging van de maatschapsovereenkomst wordt de winstverdeling tussen de broers gewijzigd in die zin dat de broer van belanghebbende uit de winst vooraf een vergoeding voor zijn arbeid krijgt, terwijl belanghebbende indien de maatschap verlies lijdt alle verliezen draagt. De Inspecteur heeft gesteld dat deze winstverdeling onzakelijk is en uitsluitend op persoonlijke motieven berustte. Het Hof oordeelt dat er geen sprake is van belastingbesparing en dat belanghebbende met wat hij heeft aangevoerd aannemelijk heeft gemaakt dat het (gewijzigde) maatschapscontract door belanghebbende op zakelijk gronden is geaccepteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-1392
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Tweede meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 07/00390

Uitspraak op het hoger beroep van

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 9 juli 2007, nummer 06/3861 in het geding tussen

de heer X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

en

de Inspecteur

betreffende na te noemen aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 71.298 en een met dit inkomen te verrekenen verlies van € 15.448, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 55.850 en een met dit inkomen te verrekenen verlies van € 15.448.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 38.

Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en het met het inkomen uit werk en woning van het jaar 2001 verrekende verlies vastgesteld op € 6.971.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 27 februari 2009 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. De Inspecteur heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

2. Feiten

De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

2.1. Belanghebbende dreef vanaf 1989 in maatschapsverband met zijn broer en zijn vader een agrarische onderneming. De verdeling van de winsten en verliezen bedroeg 5%(vader)-25%(belanghebbende)-70%(broer). Na het overlijden van de vader in 1993 is de maatschap door belanghebbende en zijn broer voortgezet. De winstverdeling bleef ongewijzigd. Belanghebbende is daarnaast fulltime in dienst bij een makelaarskantoor. Hij genoot daar in 2001 een loon van

€ 125.557.

In 1999 is de winstverdeling gewijzigd. Blijkens een op 20 mei 1999 opgemaakte en ondertekende aanvulling op de maatschapsovereenkomst is die voortaan als volgt:

Artikel 2 :

"Indien er sprake is van een negatief saldo, zal dit uitsluitend worden gedragen door de vennoot sub 1 ;

Indien er sprake is van een positief saldo, zal dit allereerst ten goede komen aan de vennoot sub 1 ter compensatie van de door de vennoot sub 1 sedert 1 januari 1999 gedragen verliezen. Wanneer deze verliezen volledig zijn gecompenseerd, zal het restant als volgt worden verdeeld:

de vennoot sub 1 ontvangt of draagt dertig procent (30%);

de vennoot sub 2 ontvangt of draagt zeventig procent (70%);"

In een tweede aanvulling op de maatschapsovereenkomst van 15 december 2001 is het volgende bepaald:

"De vennoot sub 2 ontvangt een vergoeding vooraf wegens meeruren, welke met ingang van het jaar 2001 voorshands geschat worden op 1200 uren tegen een tarief van € 25."

2.2. Voor het jaar 2001 heeft belanghebbende aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen gedaan naar een inkomen uit werk en woning van € 14.699, met inbegrip van € 117.186 verlies uit onderneming. Bij de aanslagregeling heeft de Inspecteur onder meer het verlies slechts voor 50% aan belanghebbende toegerekend en het inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 71.298. Met dit inkomen heeft hij een verlies van € 15.448 verrekend.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

Berust de winstverdeling van de maatschap tussen belanghebbende en zijn broer, meer in het bijzonder de toedeling van alle verliezen aan belanghebbende, op zakelijke motieven?

Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de gedingstukken in hoger beroep, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

De familie is reeds vele generaties werkzaam in de landbouw. Mijn vader had vroeger 20 hectare landbouwgrond gepacht. Op dit moment wordt ongeveer 200 hectare landbouwgrond gepacht. Het bedrijf is gegroeid door overname van pachtrechten. Daar is ƒ 700.000 voor betaald en dat is een diepte-investering. Daar staat wel de betaling van jaarlijkse pacht tegenover.

Van de 200 hectare is 86 hectare reguliere pacht, waarover een pachtafstandsvergoeding kan worden ontvangen. De rest is losse pacht.

Wij willen de gronden niet kwijt, maar de mogelijkheid bestaat dat de Gemeente grond wil hebben voor woningbouw en industrie. Waarschijnlijk zal binnen drie jaar voor ongeveer 18 hectare een pachtafstandsvergoeding van ƒ 30.000 per hectare worden ontvangen. Wij willen echter geen inkomen door de verkoop van pachtrechten. Hierin zit een stille reserve, echter ook in andere activa al dan niet door vervroegde afschrijving.

Op het gebied van suikerbieten is ons bedrijf een van de grootste bedrijven van Nederland. Een gemiddeld bedrijf is 40 tot 50 hectare groot, ons bedrijf 200 hectare.

Eind jaren negentig ging het slecht met het bedrijf. In 1998 viel veel regen, waardoor 18 hectare product verloren ging. In de jaren daarvoor zijn geen verliezen geleden.

In 1999 ging een paar duizend ton aardappelen voor 1 cent weg.

Op dat moment draaide de bank de geldkraan dicht. Ons bedrijf was de rekening-courant van ƒ 150.000 te boven gegaan. Ik wilde het landbouwbedrijf in stand houden. Daarnaast had ik een nevenfunctie. Mijn broer had geen inkomen en weigerde het bedrijf verder voort te zetten als hij niets verdiende. Daarnaast studeerde mijn zoon aan de landbouwschool en hij wilde het bedrijf overnemen.

Onder die omstandigheden had ik geen keuze. Ik had vertrouwen in het bedrijf en de overlevingskansen daarvan, al waren de revenuen op dat moment niet geweldig. Mijn broer kende alle facetten van het bedrijf en was vertrouwd met de machines en materialen. Er is geen sprake van het bevoordelen van mijn broer, het is redelijk dat hij een inkomen heeft.

Het bedrijf heeft nog een negatief kapitaal, maar ik ben er van overtuigd dat we het gaan redden en spoedig weer een gezond bedrijf hebben. De voedselprijzen stijgen. Als de prijs van tarwe stijgt van 10 cent naar 20 cent betekent dat een verschil in opbrengst van € 90.000.

In 2008 waren er normale opbrengsten en prijzen en werd een winst gemaakt van € 150.000.

Het bedrijf draait exploitatietechnisch goed, de omzet is verdubbeld. Ik hoop nooit één vierkante meter pachtgrond te hoeven teruggeven.

Mijn zoon, broer en ik hebben alle drie een agrarische opleiding en werken met veel plezier in het bedrijf. Het bedrijf maakt een dusdanige groei door dat mijn zoon daarmee verder kan.

De versterking van de liquiditeitspositie wordt niet enkel bereikt door de bepalingen in de maatschapsovereenkomst. De Wet biedt ondernemersfaciliteiten aan. Dit levert de ondernemer besparingen op. Ik gebruik die faciliteiten. De gelden die ik zo in privé ontvang, vloeien terug in de onderneming. Van een samenstel van rechtshandelingen met als overwegend motief belastingbesparing is geen sprake.

De Inspecteur

De broer was van belang voor de bedrijfsvoering, maar moest worden beschermd. Daarnaast moest de positie van belanghebbendes zoon worden veilig gesteld. Dit zijn persoonlijke motieven die zien op de familiesfeer, de broer en zoon van belanghebbende.

De persoonlijke motieven van belanghebbende om dit zo te doen overheersen, vanwege belastingbesparing. Belanghebbende had zijn broer in loondienst moeten nemen.

Er is geen sprake van vermogensoverheveling, maar het gaat belanghebbende overwegend om het fiscale effect in de inkomstenbelastingsfeer, namelijk belastingbesparing. Nu gaan alle verliezen naar belanghebbende en niet naar zijn broer.

Ten aanzien van de feiten heb ik niets gehoord wat niet waar is, maar ik kan niet alles controleren. Gaat U maar uit van de feiten die belanghebbende stelt.

Ik heb er geen bezwaar tegen indien het Hof alsnog de proceskostenvergoeding toekent in verband met de verzetsprocedure inzake de niet-ontvankelijkheid, welke belanghebbende bij de Rechtbank heeft gevoerd en waarin hij in het gelijk is gesteld.

3.3. Belanghebbende concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep. De Inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1. Het Hof stelt vast dat de Inspecteur de aanwezigheid en inhoud van belanghebbendes motieven voor het aangaan van de litigieuze afspraken met zijn broer niet heeft weersproken. Hij stelt zich wel op het standpunt dat die afspraken op bedrijfsvreemde motieven berustten.

De motieven van belanghebbende waren volgens de Inspecteur bovendien in overwegende mate op belastingbesparing gericht. Die motieven dienen ook daarom volgens de Inspecteur als persoonlijk en bedrijfsvreemd te worden gekwalificeerd.

Een en ander is volgens de Inspecteur reden de daarop gebaseerde wijzigingen van de winstverdeling voor de inkomstenbelasting niet te volgen.

4.2. "Bij de beoordeling van ondernemingsuitgaven geldt dat de belastingplichtige dient aannemelijk te maken dat de uitgaven zijn gedaan en dat deze uitgaven op zakelijke overwegingen hebben berust. Slaagt hij in dit bewijs, dan komen zij voor aftrek in aanmerking; de inspecteur heeft met name niet de bevoegdheid de aftrek te weigeren met de argumentering dat de uitgave commercieel niet verantwoord was, of dat de uitgave geen nuttig effect heeft gesorteerd (HR, BNB 1955/348). Alleen als geen redelijk denkende ondernemer zou kunnen volhouden de uitgave uit zakelijke overwegingen te hebben gedaan, is er grond de aftrek te beperken (HR, BNB 1983/202)" aldus Van Soest e.a., commentaar op artikel 3.8, 22ste druk, p. 56 e.v.

Die maatstaf dient naar het oordeel van het Hof ook ter zake van de winstverdeling te worden gehanteerd.

4.3 Het Hof is van oordeel dat belanghebbende, met hetgeen hij in de stukken en ter zitting heeft aangevoerd, aannemelijk heeft gemaakt dat hij de wijziging van de winstverdeling zoals vermeld in de onder 2.1 vermelde aanvullingen op de maatschapsovereenkomst heeft aanvaard op grond van zakelijke overwegingen. De Inspecteur heeft daartegenover niet aannemelijk gemaakt dat geen redelijk denkende ondernemer de overeengekomen winstverdeling zou hebben aanvaard.

Evenmin is hij er naar het oordeel van het Hof in geslaagd aannemelijk te maken dat de wijziging van de winstverdeling in overwegende mate was gericht op belastingbesparing.

4.4. Op grond van het in 4.2 en 4.3 overwogene dient de winstverdeling zoals overeengekomen te worden aanvaard.

4.5. Het Hof concludeert daarom tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van de Inspecteur.

Ten aanzien van het griffierecht

4.6. Nu de uitspraak van de Rechtbank in stand blijft, wordt ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht geheven van € 447.

Ten aanzien van de proceskosten

4.7. Nu het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep ongegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het verzet bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.8. Daarbij wordt uitgegaan van drie samenhangende zaken waarin belanghebbende zich heeft laten bijstaan door een professionele gemachtigde en geheel in het gelijk is gesteld. Dit betreft de zaken met kenmerk 07/390, 07/391 en 07/392.

4.9. Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage op:

0,5 punt voor het verzetschrift bij de Rechtbank

1 punt voor het verschijnen ter zitting

1 punt voor het verweerschrift

Waarde per punt € 322

Gewicht van de zaak gemiddeld is factor 1,5

Aantal samenhangende zaken minder dan 4 is factor 1

Totaal € 1.207,50.

4.10. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

4.11. Het Hof zal in deze zaak en in elk van de overige hiervóór genoemde zaken een proceskostenvergoeding toekennen van € 1.207,50 : 3 = € 402,50.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep ongegrond,

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,

- bepaalt dat van de Staat ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep door tussenkomst van de griffier een griffierecht wordt geheven van € 447,

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding in verzet bij de Rechtbank en in hoger beroep bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 402,50, en

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden

Aldus gedaan op 10 april 2009 door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, W.E.M. van Nispen tot Sevenaer en M.C.G.J. van Well, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.