Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BI9629

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-05-2009
Datum publicatie
24-06-2009
Zaaknummer
20-002294-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aannemen voorwaardelijk opzet op dood door slaan met twee meter lange bank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-002294-08

Uitspraak : 6 mei 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Roermond van 6 juni 2008 in de strafzaak met parketnummer 04-861091-07 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1982],

wonende te [woonplaats], [adres],

waarbij verdachte terzake van zware mishandeling de dood tengevolge hebbend, is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 3 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest, met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht en met last tot teruggave aan de rechthebbende van twee in beslag genomen banken.

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Bij vonnis, waarvan beroep, is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde], wonende te [woonplaats], [adres] geheel toegewezen.

De vordering duurt van rechtswege voort in hoger beroep.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal mr. W.P.A. Korver en van hetgeen door verdachte en namens de verdachte door mr. M.P.J.C. Heuvelmans, advocaat te Venlo, naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het beroepen vonnis zal vernietigen en – opnieuw rechtdoende – de verdachte ter zake van de hem primair ten laste gelegde doodslag zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest, met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met teruggave van het inbeslaggenomene conform de beslissing van de eerste rechter en met bevel tot gevangenneming van de verdachte bij de einduitspraak, indien het hof het primair ten laste gelegde bewezen acht.

De verdediging heeft:

- vrijspraak bepleit ten aanzien van het aan verdachte ten laste gelegde;

- een beroep op noodweer, c.q. noodweerexces gedaan indien het hof tot een bewezenverklaring komt;

- met betrekking tot een eventueel op te leggen straf verzocht rekening te houden met de nieuwe VI-regeling;

- verzocht de opgevoerde kosten van de benadeelde partij te beperken, in die zin dat de kosten van de grafsteen zullen worden beperkt tot een bedrag van EUR 2.000,--.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na nadere omschrijving van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 12 november 2007 te Lottum, in elk geval in de gemeente

Horst aan de Maas, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers

heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] (met) een bank, in elk geval een hard

voorwerp, tegen diens hoofd althans het lichaam, geslagen of gegooid,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

subsidiair, indien terzake het vorenstaande geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 12 november 2007 te Lottum, in elk geval in de gemeente

Horst aan de Maas, aan [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel

heeft toegebracht, immers heeft verdachte opzettelijk die [slachtoffer] (met) een bank,

in elk geval een hard voorwerp, tegen diens hoofd althans het lichaam,

geslagen of gegooid, terwijl het feit de dood tengevolge heeft gehad;

meer subsidiair, indien terzake het vorenstaande geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 12 november 2007 te Lottum, in elk geval in de gemeente

Horst aan de Maas, opzettelijk mishandelend [slachtoffer], (met) een bank, in

elk geval een hard voorwerp, tegen diens hoofd althans het lichaam, heeft

geslagen of gegooid, tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 12 november 2007 te Lottum opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] met een bank tegen diens hoofd, althans het lichaam, geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor de primair ten laste gelegde doodslag zal worden veroordeeld.

Door de verdediging is op de gronden als vermeld in de pleitnota, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet aan de zijde van verdachte, weshalve hij van elk van de ten laste gelegde varianten dient te worden vrijgesproken.

Het hof oordeelt als volgt.

In de onderhavige zaak is over de gebeurtenissen op de Markt te Lottum op 12 november 2007 door verdachte en getuigen een groot aantal verklaringen afgelegd, zowel kort na het voorval als ten laste gelegd, als enige tijd later. Het hof zal bij de beoordeling van de onderhavige zaak zoveel mogelijk putten uit verklaringen van verdachte en getuigen, die kort na het voorval zijn afgelegd. Het hof acht de kans dat deze verklaringen zijn “vervuild” om welke reden dan ook, kleiner dan de kans dat dit het geval is bij verklaringen die op een later tijdstip zijn afgelegd.

Uit deze verklaringen komt onder meer het navolgende naar voren.

Verdachte heeft op 12 november 2007 met een aantal vrienden, waaronder [getuige], [getuige] en [getuige], de paardenmarkt in Lottum bezocht.

In de loop van de dag waren er al schermutselingen waarbij personen die bij de groep van verdachte behoorden betrokken waren.

Tegen de avond werd door de groep waartoe verdachte behoorde het plan opgevat om weer naar huis te gaan. Verdachte en een aantal van zijn vrienden hebben vervolgens op de Markt te Lottum bij de pomp gewacht op vervoer.

Toen zij daar stonden, is een groep jongens uit Lottum de Markt op komen lopen.

Verdachte heeft verklaard dat jongens uit die groep naar [getuige] zijn gelopen en herrie begonnen te schoppen en dat hij, verdachte, is gaan kijken wat er gebeurde.

Volgens verdachte zijn toen enkele jongens uit die groep op hem afgekomen.

Verdachte is toen weggerend om in een cafetaria aan de Markt te schuilen.

Verdachte heeft voorts verklaard dat hij, toen hij naar de cafetaria liep, een bank heeft gepakt en daarmee naar achteren heeft gezwaaid.

Uit onderzoek is gebleken dat [slachtoffer] vervolgens door de bank is geraakt en tengevolge daarvan is overleden.

Van de zijde van verdachte is aangevoerd dat hij de bank naar achteren heeft gegooid met de bedoeling zijn achtervolgers op afstand te houden en dat zijn opzet er niet op gericht was iemand letsel toe te brengen.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Het hof hecht geen geloof aan de verklaring van verdachte dat hij de bank heeft gegooid.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt namelijk dat verdachte met de bank een zwaaiende beweging heeft gemaakt en daarmee [slachtoffer] heeft geslagen.

Het hof komt tot dit oordeel op grond van verklaringen van getuigen die behoorden tot de groep waarvan verdachte zelf deel uitmaakte, alsmede op grond van verklaringen van getuigen die noch deel uitmaakten van de groep rond verdachte, noch van de groep uit Lottum.

Getuige [getuige] heeft kort na het gebeuren verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte een bank oppakte, daarmee uithaalde en naar een jongen sloeg, dat de bank de jongen raakte en dat die jongen toen viel.

Door getuige [getuige] is verklaard dat op de terugreis over het voorval is gesproken en dat verdachte toen heeft verteld dat hij iemand met een bank of een tafel had geslagen en dat het hard was gegaan.

Getuige [getuige] heeft ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat hij na het voorval heeft gehoord dat verdachte, nadat hem was gevraagd wat er was gebeurd, vertelde dat hij met een bank had ‘gehouwd’. Houwen betekent volgens de getuige een beweging maken en iemand raken, het betekent niet iets weggooien.

Getuige [getuige], die ten tijde van het voorval bij de cafetaria zat te eten, heeft kort na het voorval het volgende verklaard.

Getuige nam waar dat een groep jongens zich op de Markt baldadig gedroeg. Op een gegeven moment kwam een groep jongens uit Lottum de Markt oplopen. Deze groep reageerde op de eerste groep.

De getuige zag vervolgens dat op een gegeven moment een man een bankje met beide handen oppakte, dat hij de bank naar achter zwaaide, aan de rechterkant van zijn lichaam, en toen met volle kracht de bank tegen het hoofd, onder in de nek, van een jongen die aan kwam lopen, sloeg.

Getuige [getuige], die met getuige [getuige] op een bankje voor de cafetaria zat, heeft verklaard dat een jongen een bank in zijn handen hield, dat die jongen met de bank in beide handen om zich heen zwaaide en dat [slachtoffer] door de bank werd geraakt.

Door getuige [getuige] is verklaard dat hij heeft gezien dat een jongen een houten bankje oppakte, zich met bank en al omdraaide en hiermee achter zich sloeg en dat een jongen door de bank werd geraakt en meteen op de grond viel.

Uit deze verklaringen, in onderling verband en samenhang bezien en mede bezien in samenhang met de overige bewijsmiddelen, leidt het hof af dat verdachte een bank heeft opgepakt, die bank met beide handen heeft vastgehouden, met die bank een zwaaiende beweging heeft gemaakt en daarmee [slachtoffer] met kracht tegen diens hoofd althans diens lichaam heeft geslagen.

Het hof acht voorts wettig en overtuigend bewezen dat verdachte door het slaan met de bank tegen het hoofd althans het lichaam van [slachtoffer], opzettelijk die [slachtoffer] van het leven heeft beroofd.

Het hof overweegt daartoe het navolgende.

Verdachte heeft verklaard dat hij de indruk had dat enkele personen hem wilden aanvallen en dat hij toen is weggerend. Volgens verdachte zijn twee of drie personen achter hem aangerend. Verdachte heeft verklaard dat hij voetstappen achter zich hoorde en dat hij toen een bankje heeft gepakt. Verdachte meende dat de achtervolgers zich op een afstand van zo’n 5 meter bevonden.

Verdachte heeft vervolgens met het bankje, dat een lengte had van minstgenomen twee meter, een zwaaiende beweging gemaakt. Uit de hiervoor weergegeven getuigenverklaringen blijkt dat verdachte vervolgens het slachtoffer met kracht met het bankje heeft geslagen.

Gelet op de omstandigheid dat volgens verdachte de afstand met zijn achtervolgers ongeveer vijf meter bedroeg, verdachte op enig moment is gestopt en, nadat hij het bankje had opgepakt, met dit bankje naar achter heeft gezwaaid en vervolgens met volle kracht heeft geslagen, is het hof van oordeel dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij een van de achtervolgers zou raken. Verdachte diende er immers op bedacht te zijn dat, toen hij stilstond en met het bankje een zwaaiende beweging maakte, zijn achtervolgers inmiddels zo dicht zouden zijn genaderd dat een van hen door het bankje zou worden geraakt.

Voorts is gebleken dat de bank waarmee verdachte heeft geslagen bestond uit een houten plank met een dikte van 2,8 cm, een lengte had van minstgenomen 2 meter en een gewicht van minstgenomen 8,1 kilogram, en aan de onderzijde was voorzien van twee ijzeren steunen.

Door onder voornoemde omstandigheden met beide handen met een dergelijk voorwerp een zwaaiende beweging te maken en met kracht te slaan in de richting van en tegen het bovenlichaam, nek of hoofd van het slachtoffer, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat daardoor vitale delen van het lichaam of hoofd zodanig worden geraakt dat daardoor de dood intreedt.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het hof dan ook van oordeel dat verdachte, door te handelen als hiervoor omschreven, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer daardoor zou komen te overlijden.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Door en namens verdachte is een beroep gedaan op noodweer dan wel noodweerexces.

Verdachte zou hebben gehandeld ter noodzakelijke verdediging van zijn, verdachtes, lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waaronder ook dient te worden begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor, dan wel de grenzen van de noodzakelijke verdediging hebben overschreden omdat verdachte in paniek handelde.

Het hof overweegt dienaangaande het navolgende.

Verdachte heeft verklaard dat hij is weggerend omdat hij de indruk had dat men hem wilde aanvallen, dat hij gevolgd werd en dat hij een cafetaria in wilde vluchten. Verdachte is op enig moment gestopt en heeft met een bankje dat bij de cafetaria stond een zwaaiende beweging gemaakt en het slachtoffer met dat bankje geslagen.

Uitgaande van de verklaring van verdachte dat volgens hem de afstand met de achtervolgers nog zo’n vijf meter bedroeg en uit zijn verklaring niet blijkt dat die afstand tijdens de achtervolging kleiner was geworden, bezien in het licht van de omstandigheid dat verdachte kennelijk voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om een houten bankje, dat bij de cafetaria stond, op te pakken en daarmee een zwaaiende beweging te maken en te slaan, is het hof van oordeel dat voor verdachte voldoende gelegenheid heeft bestaan zich te onttrekken aan de door hem als bedreigend ervaren situatie. Verdachte had van die gelegenheid gebruik kunnen en ook moeten maken.

Gelet hierop was naar het oordeel van het hof het handelen van verdachte niet geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn, verdachtes, lijf.

Het hof verwerpt dan ook het beroep op noodweer.

Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat verdachte onvoldoende gelegenheid heeft gehad zich te onttrekken aan een door hem als bedreigend ervaren situatie.

Nu, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen sprake is geweest van een noodzakelijke verdediging als bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht, dient ook het beroep op noodweerexces te worden verworpen.

Er zijn ook voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden, die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

De eerste rechter heeft de verdachte ter zake van zware mishandeling de dood tengevolge hebbende veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft ter zake van doodslag gerekwireerd tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest en met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

De raadsman heeft voor het geval dat het hof tot een veroordeling zou komen, gewezen op de nieuwe VI-regeling en voorts verzocht de opgevoerde kosten van de benadeelde partij te beperken, in die zin dat de kosten van de grafsteen zullen worden beperkt tot een bedrag van EUR 2.000,--.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Daarbij is rekening gehouden met:

- de bijzondere ernst van het bewezen verklaarde;

- de mate waarin het bewezen verklaarde persoonlijk leed teweeg heeft gebracht;

- het gewelddadig karakter van het bewezen verklaarde en de maatschappelijke onrust die daarvan het gevolg is.

Het hof overweegt voorts dat het komt tot bewezenverklaring van een ernstiger delict met een hoger strafmaximum dan de eerste rechter. Oplegging van een hogere straf dan door de eerste rechter is opgelegd is reeds om die reden aangewezen.

Het hof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in vergelijkbare gevallen worden opgelegd.

In de regel wordt voor een feit dat wordt gekwalificeerd als ‘doodslag’ geen lagere straf opgelegd dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren.

Bij de oplegging van de straf houdt het hof echter rekening met de omstandigheid dat in deze zaak sprake is van voorwaardelijk opzet, reden waarom het hof voormeld uitgangspunt zal matigen.

Voorts laat het hof meewegen dat sprake was van een confrontatie tussen twee groepen. Deze confrontatie is geëscaleerd waardoor het slachtoffer [slachtoffer] om het leven is gekomen.

Op grond van deze omstandigheden ziet het hof aanleiding om het hiervoor genoemde uitgangspunt te matigen met twee jaren.

Het hof acht derhalve oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren passend en geboden.

Het hof ziet geen aanleiding om op grond van de door de raadsman genoemde

nieuwe ‘VI-regeling” van voormelde duur af te wijken.

Beslag

Van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven twee banken zal de teruggave worden gelast aan de rechthebbende.

Schadevergoeding

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 12.382,23 te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij

[benadeelde], wonende te [woonplaats], [adres] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

De raadsman heeft ter terechtzitting verzocht de opgevoerde kosten met betrekking tot de grafsteen te beperken tot EUR 2.000,--.

Het hof overweegt dienaangaande dat het hof, anders dan de raadsman, van oordeel is dat de kosten welke zijn opgevoerd met betrekking tot het grafmonument ad EUR 3.995,-- niet ongegrond of bovenmatig voorkomen, zodat deze aan de benadeelde partij in zijn geheel worden toegewezen.

Het hof ziet aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Overige beslissingen

De advocaat-generaal heeft ter zitting van het hof gevorderd dat het hof in geval van veroordeling voor doodslag, de gevangenneming van verdachte zal bevelen.

Het hof zal de vordering afwijzen, nu de door de advocaat-generaal aangevoerde gronden naar het oordeel van het hof in het onderhavige geval ontoereikend zijn en het hof het verlenen van een bevel tot gevangenneming ook overigens niet opportuun acht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Doodslag.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de teruggave van de in beslag genomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten: twee banken, aan de rechthebbende (zijnde de eigenaar van de cafetaria aan [adres].

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, te betalen een bedrag van EUR 12.382,23 (twaalfduizend driehonderd tweeëntachtig euro en drieëntwintig cent) te vermeerderen met de wettelijke rente.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [benadeelde], wonende te van [adres] [woonplaats], aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 12.382,23 (twaalfduizend driehonderd tweeëntachtig euro en drieëntwintig cent),te vermeerderen met de wettelijke rente, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 91 (eenennegentig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Wijst af de vordering van de advocaat-generaal tot het bevelen van de gevangenneming van verdachte.

Aldus gewezen door

mr. C.R.L.R.M. Ficq, voorzitter,

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans en mr. J.P.F. Rijken,

in tegenwoordigheid van dhr. P.N.M. de Bruijn, griffier,

en op 6 mei 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. C.R.L.R.M. Ficq is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.