Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BI9561

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-05-2009
Datum publicatie
23-06-2009
Zaaknummer
20-004589-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schietpartij bij rippen hennepkwekerij. Beroep op noodweer verworpen.

X heeft een hennepkwekerij in een woonwijk te Eindhoven. Via gsm-alarm komt X er achter dat de kwekerij op een avond geript wordt. X gaat met verdachte, die een pistool bij zich heeft, naar het pand. In de tuin wordt X, die een metalen staaf in de hand draagt, neergeschoten. X overlijdt ter plekke. Verdachte schiet enkele malen in de richting van waaruit op X werd geschoten. Hof veroordeelt verdachte wegens poging tot doodslag. Beroep op noodweer verworpen wegens bewust opzoeken van gewelddadige confrontatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-004589-08

Uitspraak : 29 mei 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 21 november 2008 in de strafzaak met parketnummer 01-889024-08 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans verblijvende in P.I. Zuid Oost, Overloon Maashegge BB te Overloon.

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is blijkens de schriftelijke toelichting bij de appelakten niet gericht tegen de vrijspraak door de rechtbank van hetgeen onder 3 en 4 ten laste is gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen, te weten het tenlastegelegde onder 1, 2, 5 en 6.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen en opnieuw rechtdoende bewezen zal verklaren hetgeen de verdachte onder feit 1, feit 2, feit 5 en feit 6 ten laste is gelegd en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 5 jaren. Ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen, te weten een paar schoenen en een overhemd, heeft de advocaat-generaal gevorderd dat deze worden teruggegeven aan de verdachte.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – voor zover thans nog van belang en na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 9 januari 2008 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [naam] en/of een of meer andere perso(o)n(en) van het leven te beroven, met dat opzet een of meer kogels heeft afgevuurd op en/of in de richting van die [naam] en/of een of meer andere perso(o)n(en), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 24 februari 2008 te Eindhoven en/of Best en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapen(s) van categorie III en/of II, te weten een pistool (CZ 7.65 mm) en/of een hagelgeweer (met een afgezaagde loop) en/of munitie van categorie III, voorhanden heeft gehad.

5.

hij op of omstreeks 19 februari 2008 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad in perceel [adres 1] aldaar 2500 stekken van hennepplanten en/of 250 moederplanten, in ieder geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

6.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2007 tot en met 11 februari 2008 te Eindhoven en/of een of meer andere plaatsen in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke bestond uit een samenwerkingsverband van een of meer natuurlijke perso(o)n(en), te weten:

[betrokkene 1] en/of

[Betrokkene 2] en/of

[Betrokkene 3] en/of

[Betrokkene 4] en/of

[Betrokkene 5] en/of

[Betrokkene 6] en/of

[Betrokkene 7] en/of

[Betrokkene 8] en/of

een of meer andere perso(o)n(en) en/of een of meer rechtsperso(o)n(en),

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van hennep, zijnde (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, terwijl dit betrekking had op een of meer grote hoeveelhe(i)d(en) hennep.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 9 januari 2008 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon van het leven te beroven, met dat opzet kogels heeft afgevuurd op en in de richting van die persoon, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.

hij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 24 februari 2008 te Eindhoven en Best een wapen van categorie III, te weten een pistool (CZ 7.65 mm) en een wapen van categorie II, te weten een hagelgeweer (met een afgezaagde loop) en munitie van categorie III, voorhanden heeft gehad.

5.

hij op 19 februari 2008 te Eindhoven opzettelijk aanwezig heeft gehad in perceel [adres 1] aldaar 2500 stekken van hennepplanten en 250 hennepmoederplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

6.

hij in de periode van 1 juli 2007 tot en met 11 februari 2008 te Eindhoven en een of meer andere plaatsen in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke bestond uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten:

[betrokkene 1] en/of [Betrokkene 2] en/of [Betrokkene 3] en/of [Betrokkene 4] en/of [Betrokkene 5] en/of [Betrokkene 6] en/of [Betrokkene 7] en/of

[Betrokkene 8],

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en verwerken en verkopen en afleveren en vervoeren van hennep, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, terwijl dit betrekking had op een of meer grote hoeveelheden hennep.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Verweren

Feiten 1 en 2.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat [betrokkene 1] een hennepkwekerij had in het pand [plaats delict feit 1] te Eindhoven. Het pand was voorzien van een zogenaamd gsm-alarmsysteem. Op de avond van 9 januari 2008 is het alarmsysteem geactiveerd. Om 21:14 uur heeft het alarmsysteem gebeld naar de gsm van [betrokkene 1] met het nummer [telefoonnummer 1].

[betrokkene 1] heeft vervolgens om 21:51 uur naar de verdachte gebeld en heeft meteen daarna met zijn auto de verdachte – die thuis was – opgehaald.

[betrokkene 1] en de verdachte zijn samen tot dicht bij het genoemde pand gereden en vervolgens te voet, via de achterom, de omheinde tuin van het genoemde pand ingegaan. Het was hun intussen duidelijk geworden dat het alarm waarschijnlijk was geactiveerd door rippers, personen die de hennepoogst wilde stelen; [betrokkene 1] dacht dat het kampers waren.

In de tuin is met een vuurwapen geschoten op [betrokkene 1]. Deze is dodelijk getroffen, naar blijkt met een of meer kogels van het kaliber 9 mm.

In de tuin en in het pand zijn aanwijzingen gevonden (hulzen en kogelpunten) dat ook geschoten is met munitie van het kaliber 7,65 mm.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij met een vuurwapen heeft geschoten op [naam] en/of een of meer andere personen (feit 1) en het voorhanden hebben van onder meer een pistool kaliber 7.65 mm (feit 2).

Verdachtes raadsman heeft betoogd:

A. primair dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde onder 1 (het schieten op een of meer personen) omdat niet vaststaat dat het verdachte was die heeft geschoten, en van het tenlastegelegde onder 2 met betrekking tot het Browning CZ-pistool, omdat wordt ontkend dat hij dat pistool ooit voorhanden had;

B. subsidiair dat verdachte bij feit 1 heeft gehandeld uit noodweer en daarom voor dit feit moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

A. Was verdachte de schutter?

Verdachtes raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair betoogd dat verdachte van feit 1 dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij aangevoerd dat er verschillende aanwijzingen zijn dat er ten tijde van de schietpartij een derde persoon aan de zijde van [betrokkene 1] en de verdachte aanwezig was in de tuin van het perceel [plaats delict feit 1] te Eindhoven, waardoor niet kan worden bewezen dat verdachte degene was die heeft geschoten op één of meer personen die bij dat pand aanwezig waren. De raadsman voert daartoe – kort weergegeven – aan dat :

• de politie verdachte heeft ondervraagd over een derde persoon;

• de aanwezigheid van een derde persoon blijkt uit CIE-informatie;

• verdachte pas als laatste door [betrokkene 1] is gebeld om hem bij te staan en het derhalve waarschijnlijk is – zo begrijpt het hof – dat er nog een ander mee was;

• dat diverse buurtbewoners bij de politie verklaren dat zij meerdere personen hebben waargenomen;

• op het pistool en de op de op de plaats delict aangetroffen hulzen en kogels geen vingerafdrukken of andere sporen van verdachte zijn aangetroffen;

• op het lichaam en de kleding van de verdachte geen kruitsporen zijn gevonden;

• het enkele feit dat verdachte het wapen aan de politie heeft aangeleverd niet bewijst dat hij daarmee heeft geschoten;

• niet zonder meer mag worden aangenomen (zoals door de officier van justitie en de rechtbank is gedaan) dat de in eerste instantie afgelegde verklaringen van de verdachte geheel juist waren en dat verdachte daar niet aan mag worden gehouden, zo begrijpt het hof. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat – indien verdachtes verklaringen geheel juist zouden zijn geweest – daaruit zou moeten worden afgeleid dat alle schoten die door verdachte zijn afgevuurd in de tuin zijn gelost. Alle hulzen zouden zich dan ook in de tuin moeten bevinden. Uit onderzoek is echter gebleken dat er drie hulzen van het kaliber 7.65 mm die met de Browning CZ van verdachte zijn afgevuurd, zijn aangetroffen in de brandgang achter de achtertuin. Dit houdt in dat er ook schoten in de brandgang zijn gelost. Dit zou erop kunnen wijzen dat er door een derde persoon is geschoten.

Op basis van het bovenstaande kan evenmin worden bewezen dat verdachte het vuurwapen Browning CZ, model 70, kaliber 7.65 mm voorhanden heeft gehad en verdachte derhalve van dit bestanddeel onder feit 2 zou moeten worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het door de verdediging geschetste scenario dat zich in het gezelschap van [betrokkene 1] en de verdachte een derde bevond, wordt weerlegd door de bewijsmiddelen. De advocaat-generaal heeft in dit verband allereerst gewezen op het feit dat uit de door verdachte in eerste instantie afgelegde verklaringen volgt dat het zijn pistool was, dat met dit pistool is geschoten, dat hij dit heeft schoongemaakt en later heeft verstopt, dat hij dit vervolgens door zijn dochter op een andere plaats heeft laten verstoppen en dat hij het wapen uiteindelijk aan de politie heeft overgedragen. De advocaat-generaal heeft voorts gewezen op de overeenkomsten tussen de verklaring van de verdachte en de verklaring van getuige [getuige 1], aan wie hij direct na de schietpartij zijn verhaal heeft gedaan. Bovendien heeft het onderzoek van de politie naar de aanwezigheid van een derde persoon niet tot resultaten geleid.

Het hof overweegt het volgende.

• In de verklaringen die de verdachte ten overstaan van de rechter-commissaris en de politie heeft afgelegd, spreekt verdachte steeds over twee personen, te weten over [betrokkene 1] en over zichzelf. In zijn verklaring van 7 mei 2008 verklaart de verdachte expliciet dat er geen derde persoon bij was.

• Verdachte heeft noch ter terechtzitting in eerste aanleg, noch ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat er een derde persoon bij was. Ter terechtzitting van de rechtbank verklaarde verdachte: “Ik wil niet zeggen of er, behalve [betrokkene 1] en mijzelf, nog iemand bij was. Ik wil daarover niet verklaren.” Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte zich beroepen op zijn zwijgrecht en ter zake niets verklaard.

• Verdachte verklaart dat hij (zelf) heeft geschoten in de richting waaruit hij lichtflitsen had zien komen en waarvandaan hij schoten had gehoord. Even later schoot hij opnieuw met zijn pistool.

• De aanwijzingen voor de aanwezigheid van een derde persoon waarover de raadsman spreekt, zijn voornamelijk te vinden in niet-verifieerbare CIE informatie, die geen bewijswaarde heeft.

• Het feit dat er op het pistool van verdachte, een Browning CZ, geen DNA is aangetroffen, laat zich verklaren door de omstandigheid zoals verdachte in zijn verklaring van 24 februari 2008 zelf heeft verklaard, hij het pistool na de schietpartij grondig heeft schoongemaakt met slaolie, voordat hij het heeft verborgen.

• Dat buurtbewoners meer dan twee personen hebben gezien, bewijst niet dat er een derde persoon was aan de zijde van [betrokkene 1] en verdachte. Er waren immers ook meerdere personen in het pand aanwezig (volgens de verklaring van verdachte) die na de schietpartij ook zijn vertrokken.

• De verklaringen die verdachte op 22 februari 2008 bij de rechter-commissaris en op 23 februari 2008 bij de politie heeft afgelegd (en waarin verdachte niet heeft verklaard over een derde), worden bevestigd door de verklaring van getuige [getuige 1] , bij wie verdachte enkele minuten na de schietpartij arriveerde. Blijkens de verklaring van [getuige 1] heeft verdachte tegen [getuige 1] gezegd dat hij alléén met [betrokkene 1] was toen deze werd beschoten. Voorts was de echtgenote van [getuige 1], [getuige 2], getuige van het gesprek dat de verdachte met [getuige 1] had. Getuige [getuige 1] heeft vervolgens aan getuige [getuige 3] verteld wat hij van de verdachte had gehoord. Getuige [getuige 3] heeft hierover een verklaring afgelegd. Verdachte heeft ook aan zijn dochter [getuige 4] en aan de vriendin van [betrokkene 1], [getuige 5], verteld wat er die avond was gebeurd. Hun verklaringen stemmen overeen met de verklaringen van verdachte, dat hij daar met [betrokkene 1] was en met de omstandigheid dat hij niet heeft verklaard dat in zijn gezelschap nog een derde persoon was.

• Nu verdachte pas zes weken na de schietpartij is aangehouden, is het niet verwonderlijk dat er geen kruit- of schietsporen meer op het lichaam of de kleding van verdachte zijn aangetroffen. Het niet aantreffen van sporen op verdachte zegt derhalve niets over de aanwezigheid van een derde persoon.

• Het enkele feit dat er in de brandgang achter de woning aan de [plaats delict feit 1] te Eindhoven hulzen zijn aangetroffen, over welke plaats verdachte niet heeft verklaard (aangeduid als de sporen 8,9 en 10), is onvoldoende om aan te nemen dat niet verdachte, maar een derde het pistool heeft gehanteerd. Het feit dat de verdachte wellicht niet de volledige waarheid heeft verteld over het schieten, maakt niet dat zijn gehele verklaring onwaar is.

• Met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is vastgesteld dat de op de plaats delict aangetroffen hulzen van het kaliber 7.65 mm afkomstig zijn uit het pistool van verdachte en dat de aangetroffen kogels zeer waarschijnlijk zijn afgevuurd uit de loop van dit pistool.

Nu enerzijds de verdachte zelf heeft verklaard dat hij enkel met [betrokkene 1] samen was en dat hij degene was die heeft geschoten met een Browning CZ-pistool, kaliber 7.65 mm, en anderzijds de verdachte zelf de voormelde verklaringen niet heeft ingetrokken en er geen aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van een derde persoon, verwerpt het hof het bewijsverweer en acht het de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2 overweegt het hof voorts nog dat uit verdachtes verklaringen blijkt dat hij in de bewezenverklaarde periode de Browning CZ, model 70, kaliber 7.65 mm in huis had, zelf op de avond van 9 januari 2008 heeft meegenomen naar het perceel [plaats delict feit 1] te Eindhoven, het pistool nadien weer heeft meegenomen en dit – eenmaal weer thuis – heeft schoongemaakt met slaolie om het vervolgens te verpakken in meerdere plastic zakken en te verstoppen . Na de aanhouding van verdachte heeft een dochter van verdachte op grond van een afspraak met verdachte, de wapens op een andere plaats verstopt.

Uit het bewijsmateriaal blijkt dat verdachte minstens twee maal (een serie) schoten heeft afgevuurd. De eerste maal in de richting van degene die kennelijk [betrokkene 1] had neergeschoten en de tweede maal in de richting van de achterdeur van het pand. Uit het bewijsmateriaal kan niet worden opgemaakt hoeveel personen zich op dat moment in de tuin bevonden, en waar deze zich bevonden na de eerste serie schoten. Het kan niet worden uitgesloten dat verdachte tot twee maal toe op dezelfde persoon heeft geschoten. Er is dus onvoldoende bewijs dat verdachte op meer dan één persoon heeft geschoten als die zich tussen de twee series schoten heeft verplaatst vanuit de tuin naar de achterdeur. Verder kan, in het kader van het onderhavige dossier, niet met zekerheid worden vastgesteld dat verdachte heeft geschoten op [naam]. Het feit dat dicht bij het stoffelijk overschot van [betrokkene 1] een handschoen met DNA-materiaal van deze [naam] is aangetroffen en dat deze handschoen betrokken is geweest bij een schietproces, bewijst immers niet dat het deze [naam] was op wie door verdachte is geschoten.

Het hof komt daarom met betrekking tot feit 1 tot de bewezenverklaring van een poging tot doodslag op één persoon.

B. Noodweer

Verdachtes raadsman heeft ten aanzien van feit 1 voorts een beroep gedaan op noodweer. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat er een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding op [betrokkene 1] en verdachte plaatsvond doordat er op hen werd geschoten.

Het hof overweegt het volgende.

Uit het onderzoek ter terechtzitting en de processtukken blijkt dat [betrokkene 1] op de avond van 9 januari 2008 via zijn op een alarmsysteem aangesloten mobiele telefoon op de hoogte werd gesteld van onraad bij zijn hennepkwekerij in het pand aan de [plaats delict feit 1] te Eindhoven. [betrokkene 1] heeft vervolgens een aantal personen gebeld – kennelijk met de bedoeling hulp te vragen – en heeft daartoe ook telefonisch contact opgenomen met verdachte.

Verdachte heeft hierop besloten met [betrokkene 1] mee te gaan naar diens hennepkwekerij aan de [plaats delict feit 1] te Eindhoven. Verdachte vroeg [betrokkene 1] of hij iets mee moest nemen – waarmee, naar verdachte verklaart, een wapen werd bedoeld – waarop [betrokkene 1] antwoordde dat dat wel handig was. Verdachte pakte vervolgens zijn geladen pistool Browning CZ, kaliber 7.65 mm. Verdachte verklaart dat hij wist dat [betrokkene 1] al eens eerder bij een rip bedreigd was met een stofzuigerslang en dat het tegenwoordig bij het rippen niet meer zo vriendelijk aan toe gaat.

Ter terechtzitting van de rechtbank heeft verdachte verklaard: “Ik had in de auto onderweg naar het huis aan de [plaats delict feit 1] angst. Ik hoorde [betrokkene 1] zeggen dat het een rip was. Ik heb zelf gezegd dat het er tegenwoordig bij een rip niet meer zo zachtzinnig aan toegaat.”

Hoewel, blijkens de verklaring van verdachte, [betrokkene 1] in eerste instantie niet wist of het pand door de politie of door dieven was betreden, kreeg [betrokkene 1] – die via zijn mobiele telefoon kon meeluisteren wat er in het pand gebeurde – gedurende de autorit naar genoemd perceel in de gaten dat anderen dan de politie het pand waren binnengetreden en dat de hennepkwekerij dus “geript” werd. Aangekomen bij de woning is [betrokkene 1] om de woning gereden om te kunnen zien of er politie in de woning was. Toen zij zagen dat het niet de politie was, hebben zij de woning via de achterzijde benaderd.

Verdachte verklaart dat hij [betrokkene 1] toen nog gevraagd had of ze niet moesten wachten op de aankomst van de door [betrokkene 1] opgetrommelde ander of anderen. [betrokkene 1] liep echter door zonder te antwoorden. Verdachte liep achter [betrokkene 1] aan.

Verdachte verklaart dat [betrokkene 1] iets in zijn handen had, een soort aluminium honkbalknuppel. [betrokkene 1] en verdachte betraden middels een brandgang en door een tuinpoort de achtertuin. In de achtertuin zag verdachte twee mannen. Na een herkenning van één van die mannen door [betrokkene 1], waarop [betrokkene 1] zijn wapen iets ophief, werd twee maal geschoten. [betrokkene 1] stortte ineen. Verdachte trok zijn wapen en schoot één of twee keer in de richting waarvandaan hij lichtflitsen had gezien. Toen hij opnieuw lichtflitsen zag vanaf de achterdeur van de woning, schoot hij opnieuw, aldus verdachte. Hij hoorde iemand roepen dat hij geraakt was.

Uitgaande van bovengenoemde verklaringen van de verdachte, die het hof aannemelijk acht (mede omdat zij overeenstemmen met wat verdachte kort na het schietincident tegen [getuige 1] heeft gezegd), overweegt het hof het volgende.

Nadat het alarm van een (illegale) hennepkwekerij was afgegaan en hem door [betrokkene 1] gevraagd was om mee te gaan naar de hennepkwekerij omdat deze kwekerij mogelijk geript werd heeft verdachte een vuurwapen bij zich gestoken. Verdachte wist dat er zich nog vier a vijf kogels in het magazijn bevonden. [betrokkene 1] heeft een ijzeren staaf meegenomen. Verdachte wist dat het er bij het rippen van een hennepkwekerij niet zachtzinnig aan toegaat.

Hij en [betrokkene 1] waren op pad om illegale belangen te beschermen, te weten een hennepkwekerij en de daarvan te verwachten grote financiële opbrengst. Ze hebben er voor gekozen om dit zelf te doen en zich daarbij te bewapenen, in plaats van af te zien van mogelijk gewelddadig ingrijpen of in plaats van de rippers op een andere manier te verstoren. Zij waren zich bewust van de kans dat ze op geweld van de rippers zouden stuiten. Was het niet dat de rippers uit zichzelf meteen geweld zouden gebruiken, dan was toch wel te voorzien dat zij bij betrapping door twee mannen, van wie er een zichtbaar bewapend was, zouden overgaan tot geweld.

[betrokkene 1] en verdachte zochten beiden kennelijk een gewelddadige confrontatie op, waarbij het gebruik van een vuurwapen blijkbaar niet werd geschuwd. Toen duidelijk was geworden – zij hebben zich daar van vergewist – dat er geen politie in het pand was maar de hennepkwekerij klaarblijkelijk werd geript, hebben zij beiden gewapend de achtertuin betreden. Verdachte heeft, voordat de tuin werd betreden, gezien dat [betrokkene 1] een ijzeren staaf bij zich droeg. Bij het betreden van de tuin hield [betrokkene 1] deze ijzeren staaf zichtbaar voor zich.

In de tuin vond de confrontatie plaats waarbij [betrokkene 1] werd neergeschoten. Omdat het donker was heeft verdachte niet kunnen zien wie er geschoten heeft. Onmiddellijk daarop en nog voordat er op hem werd geschoten heeft verdachte geschoten in de richting waar de schoten op [betrokkene 1] vandaan kwamen. Daarna heeft hij nog een paar keer geschoten in de richting van de achterdeur, waar hij een of meer personen vermoedde aanwezig te zijn.

Het hof kan zich voorstellen dat iemand wiens metgezel zojuist is neergeschoten en die kan vrezen dat ook op hem zal worden geschoten, en die zelf een vuurwapen bij zich heeft, terugschiet om te voorkomen dat hij zo meteen zelf beschoten wordt.

Er is echter sprake van een zodanige mate van eigen schuld dat dit aan de aanvaarding van noodweer in de weg staat. Verdachte heeft immers – wetende dat er een hennepkwekerij werd geript en ter verdediging van dit illegale belang – zich voorzien van een vuurwapen en samen met [betrokkene 1], die zichtbaar een ijzeren staaf voor zich hield, welbewust de gewelddadige confrontatie opgezocht en de gewelddadige (re)actie van de rippers uitgelokt.

Het hof is van oordeel dat verdachte onder deze omstandigheden geen beroep op noodweer toekomt en verwerpt daarom het verweer.

Feit 6.

Verdachte wordt verweten deel te hebben uitgemaakt van een criminele organisatie. Verdachtes raadsman heeft vrijspraak bepleit. De raadsman voert daartoe aan dat niet kan worden bewezen dat verdachte structureel is betrokken bij de vermeende onderlinge samenwerking tussen de in de tenlastelegging genoemde personen.

Het hof overweegt het volgende.

Uit het onderzoek “Hut” is gebleken van een organisatie die tot doel had het kweken van hennep in diverse panden. Bij die organisatie was sprake van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband tussen een aantal personen onder wie [betrokkene 1], [Betrokkene 6], [Betrokkene 2], [Betrokkene 5], [Betrokkene 3], [Betrokkene 4], [Betrokkene 7].

In de navolgende panden vonden kweekactiviteiten plaats, of werd de ruimte gebruikt voor de opslag van hennep en hennepkwekerijgoederen. Ook werden op diverse plaatsen wapens aangetroffen.

• Hennepkwekerij aan de [plaats delict feit 1] te Eindhoven met 1366 hennepplanten , eigendom van [Betrokkene 5];

• Hennepkwekerij [adres 2] te Venlo-Blerick , eigenaar [Betrokkene 3], ter plaatse werd [Betrokkene 4] aangetroffen;

• Hennepkwekerij aan de [adres 3] te Harmelen , gehuurd door [Betrokkene 8];

• Hennepstekkerij aan de [adres 1] te Eindhoven met daarin 2.500 hennepstekken en 250 moederplanten en een schoenendoos met henneptoppen en gripzakjes, zijnde de woning van verdachte;

• Aantreffen hennepresten, een gripzakje met amfetamine, een start-alarmrevolver en chemicaliën (waarmee synthetische drugs kunnen worden geproduceerd) in het perceel [adres 4] te Heeze , te weten de woning van [Betrokkene 3];

• Aantreffen van 18, 65 kilogram hennep, een wapen (gaspistool) en munitie in het perceel [adres 5] te [woonplaats] , zijnde de woning van [Betrokkene 2];

• Aantreffen van 5,59 kilogram hennep en een vuurwapen in de woning aan de [adres 7] te [woonplaats], zijnde de woning van [Betrokkene 4];

• Hennepkwekerijgoederenopslag aan de [adres 8] te Eindhoven , gehuurd door [Betrokkene 9], een vriendin van [betrokkene 1].

Ten aanzien van de rol van verdachte binnen de organisatie overweegt het hof het volgende.

Verdachte had in zijn woning aan de [adres 1] te Eindhoven een hennepstekkenkwekerij. De investering voor de kwekerij werd gedaan door [betrokkene 1] en de meeste stekken gingen ook naar [betrokkene 1] . Verdachte beschikte over twee vuurwapens (zie feit 2).

Verdachte wist dat [betrokkene 1] zich bezig hield met hennepkwekerijen. Verdachte had voor [betrokkene 1] reeds geoogste planten geknipt ergens in de omgeving van Eindhoven. Er waren toen ook enkele vrouwen aanwezig die meehielpen. Tevens hielp hij [betrokkene 1] wel eens met het omruilen van auto’s en had hij voor hem ook wel eens spullen opgehaald bij een growshop . Verdachte heeft verklaard dat [betrokkene 1] hem had verteld dat [betrokkene 1] op al zijn wietkotten hetzelfde alarmsysteem had geïnstalleerd, die zodanig waren ingesteld dat hij bij onraad via zijn gsm verbinding kreeg en in het betreffende pand kon meeluisteren wat er gebeurde.

Verdachte wist dat [Betrokkene 8] samen met [betrokkene 1] had geïnvesteerd in een grote wietkwekerij maar dat [Betrokkene 8] zijn aandeel nog moest betalen aan [betrokkene 1] ;

Verdachte wist dat bij onraad [Betrokkene 2] degene is die “de boel gaat opruimen”,

Verdachte werd door [betrokkene 1] gebeld toen het alarm afging van diens hennepkwekerij aan de [plaats delict feit 1] te Eindhoven waarna verdachte vervolgens met [betrokkene 1] mee is gegaan naar die kwekerij.

Ook na het overlijden van [betrokkene 1] is verdachte zich blijven bezighouden met hennep, zoals blijkt uit telefoontaps van 18 januari 2008 (gesprek 20:27 uur, verdachte zegt tegen NN-man: “Ik heb niks omdat er allemaal beestjes inzitten” en gesprek 21:13 uur, verdachte zegt tegen NN-vrouw dat hele kleine plantjes 2 euro kosten).

Uit de verklaring van [Betrokkene 2] van 12 februari 2008 blijkt dat [Betrokkene 2] samen met [Betrokkene 6] bij [Betrokkene 3] is geweest, waar wiet werd geknipt en dat [verdachte] hier ook bij was en dat [Betrokkene 6] de geknipte wiet in blauwe tonnen ophaalde met een bus van [betrokkene 1], en dat hij, [Betrokkene 2], wiet heeft geknipt omdat [betrokkene 1] dat gevraagd had.

Uit het vorenstaande blijkt dat de verdachte wist dat [betrokkene 1] met anderen samenwerkte in de hennepteelt. De eigen gedragingen van verdachte houden in dat hij een aandeel had in gedragingen die strekken tot de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.

Aldus acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte deelnam aan de criminele organisatie rondom [betrokkene 1].

De hoeveelheden hennepplanten waarin de organisatie handelde c.q. welke zij kweekte, betroffen telkens een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet juncto het Opiumbesluit artikel 1, tweede lid.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder 1 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 287 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 2 is telkens voorzien bij artikel 26, eerste lid, Wet wapens en munitie en strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid, van die wet (munitie) respectievelijk strafbaar gesteld bij artikel 55, derde lid, onder a (pistool en ingekort hagelgeweer) van die wet.

Het bewezen verklaarde onder 5 is voorzien bij artikel 3, aanhef en onder C, van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 11, tweede lid, van die wet.

Het bewezen verklaarde onder 6 is voorzien bij artikel 11a, eerste lid, van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 11a, eerste lid, van de Opiumwet juncto artikel 11, derde en vijfde lid, van die wet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Verdachte is door de eerste rechter voor de feiten 1, 2 en 5 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar.

De advocaat-generaal heeft voor de feiten 1, 2, 5 en 6 (criminele organisatie) een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar gevorderd.

Het hof overweegt het volgende.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Daarbij is rekening gehouden met:

• de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

• de omstandigheid dat verdachte reeds eerder is veroordeeld wegens onder meer het plegen van geweldsdelicten (1997, ter zake van mishandeling);

• verdachte zich ’s avonds gewapend met een geladen vuurwapen heeft begeven in een situatie waarbij de eigenaar van een in een woonwijk gelegen hennepkwekerij werd beroofd door anderen (“rippen”), teneinde de kwekerij en het daarbij gemoeide illegale financiële belang te beschermen. Bij de daaruit ontstane confrontatie/schietpartij – waarbij verdachte meermalen geschoten heeft – is de eigenaar van de hennepkwekerij komen te overlijden en hadden nog meer personen kunnen overlijden.

• de omstandigheid dat het deel uitmaken van de bewezenverklaarde criminele organisatie een bijdrage levert aan het op illegale wijze verkrijgen van grote financiële winsten die kennelijk met vuurwapens beschermd dienen te worden.

Het hof zal de op te leggen gevangenisstraf bepalen op een duur van 4 jaar en 6 maanden, opgebouwd uit de volgende componenten: voor de poging doodslag 3 jaar, voor het bezit van twee vuurwapens 8 maanden, voor het aanwezig hebben van hennepstekken en moederplanten 4 maanden en voor het deelnemen aan genoemde criminele organisatie 6 maanden gevangenisstraf. Deze straf is lager dan de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf, doch het hof acht de op te leggen straf passend en geboden. Daarbij is met name van belang dat niet de verdachte, maar de henneprippers zijn begonnen met schieten en voorts dat verdachte kennelijk geen leidende rol had in de criminele organisatie.

Beslag

Ten aanzien van een inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven paar schoenen en een overhemd, zal de teruggave aan de verdachte worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 3, 11 en 11a van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1, 2, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1, 2, 5 en 6 bewezen verklaarde oplevert:

1:

Poging tot doodslag.

2:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II,

en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,

en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

5:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

6:

Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11 derde en vijfde lid, van de Opiumwet

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren en 6 (zes) maanden.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten: een paar schoenen en een overhemd.

Aldus gewezen door

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. K. van der Meijde en mr. W.J.B. Zeyl,

in tegenwoordigheid van mr. B.M. Hoekstra, griffier,

en op 29 mei 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. K. van der Meijde en mr. W.J.B. Zeyl zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.