Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BI9071

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-04-2009
Datum publicatie
22-06-2009
Zaaknummer
HD 103.005.221
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BO7117, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BO7117
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nader te noemen meester? Wie is contractspartij. IJkmoment is sluiten overeenkomst, latere omstandigheden spelen een rol.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

tweede kamer, van 7 april 2009,

gewezen in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. N.J.W.M. de Leeuw,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [Y.]BEHEER B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats], gemeente [gemeentenaam],

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.W. Weehuizen,

en:

[Z.],

wonende te [woonplaats],

tussenkomende partij,

advocaat: mr. W.P. de Leeuw,

als vervolg op het tussenarrest van dit hof van 11 december 2007.

6. Het arrest van 11 december 2007

6.1. Bij genoemd arrest heeft het hof [Z.] toegelaten als tussenkomende partij in de hoofdzaak tussen [X.] en [Y.]Beheer. De beslissing omtrent de kosten van dit incident is aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak. De zaak is naar de rol verwezen voor memorie van grieven.

7. Het vervolg van de procedure

7.1. Bij memorie van grieven heeft [X.] vijf grieven aangevoerd, zijn eis gewijzigd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot als aan het slot van die memorie omschreven.

7.2. Bij memorie van antwoord heeft [Y.]Beheer, onder overlegging van een productie, de grieven bestreden.

7.3. [Z.] heeft een “memorie van antwoord in voeging” genomen.

7.4. Partijen hebben hun zaak bepleit, waarbij mr. J.W. Weehuizen namens [Y.]Beheer, mr. W.C.G.J. Sterk namens [X.] en mr. P.M.G. Lardinois namens [Z.] het woord voerde. [X.] en [Z.] hebben hierbij een pleitnota overgelegd. Voorafgaand aan dit pleidooi heeft [Y.]Beheer bij akte een productie in het geding gebracht en heeft [X.] een akte inbreng producties genomen waarbij een groot aantal producties is overgelegd.

7.5. [Y.]Beheer en [X.] hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. In het dossier van [X.] ontbreken de overgelegde pleitnota’s.

8. De gronden van het hoger beroep

Voor de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

9. De beoordeling

9.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

9.1.1. op 26 juni 2003 heeft [Y.]Beheer na onderhandelingen met [X.] haar timmerfabriek verkocht, en op 1 juli 2003 geleverd. De koopprijs was (destijds) € 345.000,--. In geschil is wie de koper was van de timmerfabriek.

9.1.2. De navolgende feiten en omstandigheden zijn van belang.

a) Een “Koop/Verkoopovereenkomst van een onderneming” is op 26 juni 2003 opgemaakt. Hierin staat onder meer:

“De ondergetekenden:

1. “Aannemersbedrijf en Timmerfabriek [Y.]B.V.”, (..) hierna te noemen: verkoopster;

en

2. De heer [X.] (..) hierna te noemen: koper.

IN AANMERKING NEMENDE:

- dat verkoopster vanaf 5 maart 1981 te [plaatsnaam] een onderneming drijft (..)

- dat verkoopster haar voormelde ondernemersactiviteiten en de exploitatie van de door haar gedreven onderneming wenst te beëindigen en wenst over te dragen aan koper, of een door hem op te richten besloten vennootschap;

ZIJN OVEREENGEKOMEN ALS VOLGT:

Verkoopster verklaart dat zij per 1 juli als “going concern” wenst te verkopen en in eigendom over te dragen aan koper, welke verklaart te zullen kopen en in eigendom te aanvaarden:

(..)

5. Tegelijk met de overdracht van de in deze overeenkomst vermelde goederen, zal verkoopster eveneens overdragen het recht op het gebruik van de handelsnaam “Aannemersbedrijf en Timmerfabriek [Y.] B.V.”.

6. Indien de koop/verkoop per 1 juli 2003 gerealiseerd wordt, zal koper per diezelfde datum de bedrijfsgebouwen en –terreinen (..) huren van [Y.]-[M.] voor een huurprijs van € 40.000,-- per jaar. Terzake zal tussen koper en mevrouw [Y.] een huurkontrakt gesloten worden (..)

11. Van de onder 2 becijferde koop/verkoopprijs zal op overnamedatum € 195.000,-- betaald worden. Voor het restant ad €150.000,-- zal verkoopster aan koper per diezelfde datum een geldlening verstrekken.(..)

- De lening wordt achtergesteld bij de Rabobank te [plaatsnaam]; (..)

Aannemersbedrijf en Timmerfabriek [Y.] B.V.

Voor deze: Mevrouw [Y.]-[M.] [X.]

verkoopster koper

w.g. w.g."

b) Op 15 juli 2003 is door H.A.T. Holding B.V., vertegenwoordigd door [X.], ten overstaan van notaris [N.] opgericht de besloten vennootschap Aannemersbedrijf en Timmerfabriek [Y.] B.V.

c) Op 16 juli 2003 is een driepartijenovereenkomst gesloten, opgemaakt op papier van de Rabobank met als opschrift “Achterstelling en verpanding van vordering(en)”. Hierin valt te lezen:

“Debiteur

Mevrouw [Y.]-[M.]

(..)

hierna te noemen: debiteur;

Crediteur:

Aannemersbedrijf en Timmerfabriek [Y.] B.V.

(..)

hierna te noemen: crediteur;

Bank

Coöperatieve Rabobank Swentibold U.A.

gevestigd te [vestiginsplaats]

in aanmerking nemende:

dat de crediteur op verzoek van de bank bereid is zijn vorderingen (..) op de debiteur achter te stellen bij de vorderingen, die de bank op de debiteur heeft (..)”

Deze akte is ondertekend door [Y.]-[M.] als debiteur en [X.] namens Aannemersbedrijf en Timmerfabriek [Y.] B.V. als crediteur.

d) Van de rekening van “[Y.] B.V. i.o.” bij de Rabobank is op 16 juli 2003 € 180.962,-- betaald onder de vermelding “Overname inventaris voorraden en onderhanden werk”.

e) Op 25 augustus 2003 is een “Huurovereenkomst bedrijfsruimte” opgesteld. Als verhuurder staat daarin vermeld [Y.]-[M.], en als huurder “de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Aannemersbedrijf en Timmerfabriek [Y.] B.V.”. Object van huur is het pand aan de [straatnaam] te [plaatsnaam], bestemd om gebruikt te worden als timmerfabriek. De huurovereenkomst loopt van 1 juli 2003 tot 30 juni 2008. Het overgelegde exemplaar van de overeenkomst is niet door partijen ondertekend.

f) Administratiekantoor [O.], adviseur van [Y.] Beheer, schreef op 3 september 2003 – met kopie aan [Y.]-[M.] - aan “Timmerfabriek [Y.] B.V. t.a.v. de heer [X.], directeur”, dat zij het door hem ondertekende exemplaar van de huurovereenkomst had ontvangen, en dat de door [X.] gesignaleerde gebreken aan het gebouw aan mevrouw [Y.] waren gemeld, die voor verdere afhandeling zou zorgen. Deze [O.] wijst er voorts op dat ingevolge art. 11 van de koop/verkoopovereenkomst de vennootschap op 1 oktober 2003 rente verschuldigd is over de achtergestelde lening, en dat de vennootschap tijdig een rentenota zal ontvangen.

g) De advocaat van [Y.] Beheer schrijft op 9 september 2003 aan "Timmerfabriek [Y.] BV t.a.v. de heer [X.], directeur":

"Mevrouw [M.]-[Y.] te [plaatsnaam] heeft zich tot mij gewend met betrekking tot de met U gesloten huurovereenkomst ten aanzien van het pand (..) alsmede in haar kwaliteit van directrice van [Y.] Beheer B.V. met betrekking tot de met U gesloten koopovereenkomst. (..)

Ingevolge de koopovereenkomst bent U op 1 oktober 2003 de rente over de achtergestelde leningen (..) verschuldigd. (..)"

h) De betalingen van de rentenota’s met betrekking tot de lening, verstrekt door [Y.] Beheer, werden (voor zover deze betaald werden) door Aannemersbedrijf en Timmerfabriek [Y.] B.V. verricht. Ook werden de nota’s (en de aanmaningen) door [Y.] Beheer aan deze vennootschap (later: HAT BV), t.a.v. [X.], gestuurd.

i) De Nederlandse Bond voor Timmerfabrieken heeft naar aanleiding van een verzoek van [X.], gedaan namens Aannemersbedrijf en Timmerfabriek [Y.] B.V. om het “bestaande contract” bij de bond en de Stichting Garantiefonds voor Timmerwerk te mogen overnemen, bericht dat bij overname van activiteiten normaliter het lidmaatschap van de bond en de aansluiting bij de stichting eindigt. Omdat in dit geval echter sprake was van voortzetting van de activiteiten onder dezelfde naam op dezelfde locatie kon het lidmaatschap / de aansluiting worden omgezet, als de nieuwe vennootschap verklaarde alle verplichtingen en schulden van de oude vennootschap (jegens de bond en de stichting) over te nemen, en de oude vennootschap alle rechten en vorderingen aan de nieuwe overdroeg. Een retourexemplaar, waarin getekend wordt voor het akkoord met deze voorwaarden is door [Y.]-[M.] op 21 oktober 2003 namens de “oude vennootschap” getekend, en door [X.] namens de “nieuwe vennootschap”.

j) Op 19 maart 2004 is de naam van Aannemersbedrijf en Timmerfabriek [Y.] B.V. gewijzigd in Houttechnologie Aannemersbedrijf en Timmerfabriek B.V. (hierna HAT BV).

k) HAT B.V. is op 14 december 2005 in staat van faillissement verklaard.

9.1.3. Op 12 april 2006 heeft [Z.] – echtgenote van [X.] -, voor zover rechtens had te gelden dat [X.] en niet Aannemersbedrijf en Timmerfabriek [Y.] B.V. de koper was, de koopovereenkomst van koop op afbetaling vernietigd, omdat haar toestemming daarbij ontbrak.

9.1.4. HAT BV en [X.] hebben [Y.] Beheer in rechte betrokken, en na wijzigingen van eis gevorderd (kort samengevat)

primair: te verklaren voor recht dat [X.] niet de koper is, hetzij omdat HAT BV als nader te noemen meester in de zin van art. 3:67 BW kwalificeert, hetzij omdat HAT BV de koop bekrachtigd heeft, hetzij omdat HAT BV na haar oprichting met [Y.] Beheer een nieuwe overeenkomst heeft gesloten, met schadevergoeding

dan wel: te verklaren voor recht dat, mocht [X.] de koper zijn de koop terecht buitengerechtelijk vernietigd is;

dan wel: vernietiging van de koopovereenkomst wegens dwaling;

dan wel: een gebod als bedoeld in II van de dagvaarding met veroordeling als in III van de dagvaarding;

dan wel: partiële ontbinding van de koopovereenkomst.

9.1.5. De curator van HAT BV heeft de procedure niet overgenomen.

9.1.6. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen.

9.2. [X.] heeft bij memorie van grieven zijn eis gewijzigd zodanig dat hij thans aan de primaire vordering tot het verkrijgen van een verklaring voor recht (in vier verschillende modaliteiten) heeft gekoppeld een vordering tot vergoeding van schade, nader op te maken bij staat. Subsidiair vordert [X.] thans, indien alle verklaringen voor recht worden afgewezen, terugbetaling van een bedrag voor alle door [Y.] Beheer niet geleverde zaken, welke terugbetaling [X.] zal mogen verrekenen met het niet betaalde deel van de koopprijs. Tegen deze vermeerdering van eis heeft [Y.] Beheer geen bezwaar gemaakt.

9.3.1. De eerste grief van [X.] is gericht tegen de afwijzing van zijn beroep op art. 3:67 BW. In het beroepen vonnis onder r.o. 5 heeft de rechtbank overwogen dat uit de overeenkomst van koop/verkoop van 26 juni 2003 slechts blijkt dat [X.] de koper is en dat daaruit niet blijkt dat hij zou optreden voor een ander. De rechtbank voegt hieraan toe:

“Het kan zo zijn dat [Y.] wist dat [X.] voornemens was een BV op te richten en dat haar onderneming naar alle waarschijnlijkheid door die BV geëxploiteerd zou gaan worden, maar uit niets blijkt op welke wijze [X.] dit voornemen wilde gaan realiseren. (..) Maar zelfs indien aangenomen zou moeten worden dat [X.] heeft gehandeld voor een nader te noemen meester dan heeft [X.] niet voldaan aan het vereiste om de naam van die meester (..) binnen redelijke termijn kenbaar te maken.”

De tweede grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat op 16 juli 2003 geen nieuwe overeenkomst tot stand is gekomen, waarbij Aannemersbedrijf en Timmerfabriek [Y.] B.V. in plaats van [X.] als contractspartij is opgetreden, zoals [X.] subsidiair stelt.

9.3.2. Het hof zal beide grieven gezamenlijk behandelen en overweegt als volgt.

De aanhef van de op 26 juni 2003 gesloten koopovereenkomst en de ondertekening daarvan lijken op het eerste gezicht erop te duiden dat [X.] in persoon de onderneming voor zichzelf kocht. Het tweede gedachtestreepje van de considerans van de koopovereenkomst lijkt er echter op te duiden dat [X.] de koopovereenkomst sloot ten behoeve van zichzelf of van een nader door hem op te richten besloten vennootschap. De koopovereenkomst is derhalve op dit punt niet eenduidig en zal moeten worden uitgelegd.

9.3.3. Voorop staat dat voor de vraag of art. 3:67 BW rechtstreeks toepasselijk is, niet doorslaggevend is of de tussenpersoon bij het aangaan van de overeenkomst uitdrukkelijk heeft bedongen dat mogelijkerwijs niet hijzelf maar een "nader te noemen meester" partij bij de overeenkomst is. Of hij dit heeft bedongen moet worden vastgesteld aan de hand van hetgeen de tussenpersoon en de wederpartij daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en uit hetgeen zij over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Hetzelfde heeft te gelden voor de vraag of partijen mogelijk hebben beoogd art. 3:67 BW niet rechtstreeks van toepassing te laten zijn, maar wel op een resultaat uit te willen komen, vergelijkbaar met dat van art. 3:67 BW, bijvoorbeeld doordat de ene partij er stilzwijgend mee instemt dat de wederpartij na het sluiten van de overeenkomst een andere partij in haar plaats als wederpartij naar voren schuift.

9.3.4. Van beslissende betekenis voor het antwoord op de vraag wat partijen over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen mochten afleiden zijn alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. In beginsel geldt daarbij als ijkmoment het moment van sluiten van de overeenkomst, maar latere omstandigheden kunnen bij deze uitleg wel een rol spelen.

9.3.5. In het onderhavige geval is naar het oordeel van het hof van dat laatste sprake. Het hof doelt hierbij op de in de koop/verkoopovereenkomst opgenomen clausule over de huurovereenkomst. In de koop/verkoopovereenkomst (art. 6) staat vermeld dat "de koper" de bedrijfsgebouwen en terreinen van [Y.]-[M.] zal huren. Op 25 augustus 2003 is vervolgens een huurovereenkomst gesloten tussen [Y.]-[M.] en de nieuwe door [X.] opgerichte vennootschap (toen nog geheten) Aannemersbedrijf en Timmerfabriek [Y.] B.V.

Hetzelfde heeft te gelden voor de achtergestelde lening. De koop/verkoopovereenkomst vermeldt in art. 11 dat verkoopster aan "koper" een achtergestelde lening van € 150.000,-- zal verstrekken. Op 16 juli 2003 is een driepartijenovereenkomst gesloten omtrent deze achterstelling. Naast de Rabobank waren daarbij partij [Y.] Beheer en Aannemersbedrijf en Timmerfabriek [Y.] B.V., vertegenwoordigd door [X.]. Door de Rabobank zijn, zo staat vast, de benamingen "debiteur" en "crediteur" verwisseld. Anders dan de rechtbank oordeelt het hof niet dat deze overduidelijke fout de overeenkomst tot een obscuur libel maakt. Immers alle partijen wisten zeer goed wie aan wie geld had uitgeleend en wie akkoord ging met een achterstelling van deze lening ten behoeve van de ander, namelijk [Y.] Beheer was de uitlener van een bedrag van

€ 150.000,-- ter zake het nog niet betaalde deel van de koopsom voor het gekochte timmerbedrijf, en Aannemersbedrijf en Timmerfabriek [Y.] B.V. de inlener (en zeker niet andersom). De fout van de Rabobank doet aan deze kennis niets af.

9.3.6. Deze beide latere overeenkomsten (van respectievelijk 25 augustus 2003 en 16 juli 2003) bevestigen naar het oordeel van het hof dat [Y.] Beheer als koper van haar onderneming beschouwde de (op 26 juni 2003 nog op te richten, en op 15 juli 2003 opgerichte) vennootschap Aannemersbedrijf en Timmerfabriek [Y.] B.V., vertegenwoordigd door [X.], en niet [X.] in persoon.

Of hierbij sprake is geweest van een door art. 3:67 BW beheerste situatie (waarbij [X.] op 16 juli 2003 de naam van de "meester" heeft genoemd) of van de situatie dat Aannemersbedrijf en Timmerfabriek [Y.] B.V. in de plaats van [X.] verder als contractspartij is opgetreden, laat het hof in het midden omdat duidelijk is dat [Y.] Beheer akkoord ging met Aannemersbedrijf en Timmerfabriek [Y.] B.V. als haar wederpartij bij de verkoop van de onderneming /rechstpersoon.

9.3.7. Dit akkoord van [Y.] Beheer met Aannemersbedrijf en Timmerfabriek [Y.] B.V. als wederpartij blijkt uit alle latere correspondentie over de afwikkeling van de koop/verkoopovereenkomst, waarvan de meest significante gevallen door het hof in r.o. 9.1.2. onder d en onder f tot en met i zijn vermeld.

9.3.8. Het hof wijst tenslotte nog op de onbetwiste stelling van [X.] dat voor de totstandkoming van de koop/verkoopovereenkomst tussen hem en [Y.] Beheer is onderhandeld, en dat toen verschillende mogelijkheden de revue zijn gepasseerd, waaronder een aandelentransactie, maar dat al deze mogelijkheden steeds als overeenstemmend element bevatten dat de timmerfabriek zou worden gekocht door een aan [X.] toebehorende onderneming / rechtspersoon.

9.3.9. De grieven slagen derhalve en een verklaring voor recht zal worden afgegeven, inhoudende dat bij de overeenkomst tot koop/verkoop van de timmerfabriek [X.] in persoon geen partij is. Dat de wederpartij bij de koop/verkoopovereenkomst van 26 juni 2003 (uiteindelijk) HAT BV was, maakt dat niet [X.] uit hoofde van die overeenkomst de kooprijs aan [Y.] Beheer verschuldigd was, doch dat deze door HAT BV diende te worden voldaan.

9.4.1. [X.] heeft voorts gevorderd vergoeding, nader op te maken bij staat van alle schade die [Y.] Beheer hem berokkend heeft. Voorop staat dat alle door de aankoop van de timmerfabriek geleden schade wegens toerekenbare tekortkomingen aan de zijde van verkoopster [Y.] Beheer, waarover [X.] in de procedure spreekt, geleden is door HAT BV en niet door [X.].

9.4.2. Voor zover het schade betreft die [X.] in persoon heeft geleden, heeft te gelden dat [X.] ter onderbouwing van deze vordering niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. [X.] vordert vergoeding van schade omdat [Y.] Beheer hem in rechte heeft betrokken en hij [Y.] Beheer in rechte heeft moeten betrekken, omdat hij na een executie kort geding aan [Y.] Beheer € 3.500,-- heeft moeten betalen, hij naderhand nog eens € 2.000,-- heeft moeten betalen en omdat [Y.] Beheer het door [M.]-[Y.] aangevraagde faillissement van HAT BV heeft ondersteund.

9.4.3. Het hof is van oordeel dat het enkele betrekken van iemand in gerechtelijke procedures niet onrechtmatig is, dat het in ontvangst nemen van betalingen verricht op grond van een rechterlijke uitspraak evenmin een onrechtmatige daad impliceert en dat het ondersteunen van een vordering naar aanleiding waarvan daadwerkelijk een faillissement wordt uitgesproken op zichzelf ook geen onrechtmatige daad oplevert. In al deze gevallen had [X.] meer feiten en omstandigheden moeten stellen die maken dat in dit specifieke geval de door [Y.] Beheer verrichte handelingen jegens hem onrechtmatig zijn. [X.] heeft de gestelde onrechtmatigheid echter in het geheel niet onderbouwd. Ten aanzien van de betaalde € 2.000,-- heeft [X.] in het geheel niets gesteld.

9.4.4. De vordering tot schadevergoeding zal derhalve worden afgewezen.

9.5. Het beroepen vonnis zal worden vernietigd en het hof zal een verklaring voor recht geven, als in het dictum te melden. Omdat [Y.] Beheer in overgrote mate in het ongelijk is gesteld, zal zij de kosten van de procedure in beide instanties dienen te dragen.

Iedere andere vordering zal worden afgewezen.

9.6.1. [Z.] is als tussenkomende partij in deze procedure toegelaten. Zij vorderde primair een verklaring voor recht dat zij de overnameovereenkomst van 26 juni 2003 buitengerechtelijk heeft vernietigd op grond van art. 1:88 BW en subsidiair vorderde zij vernietiging van die overeenkomst door het hof.

9.6.2. Nu het hof van oordeel is dat de echtgenoot van [Z.], [X.], geen partij was bij de koop/verkoopovereenkomst, ontvalt de grondslag aan de vorderingen van [Z.] en zullen deze worden afgewezen.

Ten aanzien van de proceskosten heeft te gelden dat nu de vordering van [Z.] uitsluitend is ingesteld voor het geval in het geding tussen [X.] en [Y.] Beheer zou worden geoordeeld dat [X.] in persoon de wederpartij van [Y.] Beheer is geweest en het hof niet tot dat oordeel is gekomen, de vordering van [Z.] verder niet aan de orde is geweest. Een veroordeling in de proceskosten voor wat betreft de vordering van de tussenkomende partij kan derhalve achterwege kan blijven, zodat het hof voor wat betreft de tussenkomende partij zal volstaan met een beslissing ten aanzien van de kosten van het incident tot tussenkomst, met veroordeling van [Z.] in de kosten aan de zijde van [Y.] Beheer in het incident. Tussen [X.] en [Z.] zullen de kosten worden gecompenseerd gelet op het feit dat partijen echtelieden zijn.

10. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het beroepen vonnis van de rechtbank Roermond, op 24 januari 2007 tussen [X.] en [Y.] Beheer uitgesproken,

en opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat [X.] in persoon geen partij was bij de koop/verkoopovereenkomst van 26 juni 2003 en hij uit hoofde van deze koop/verkoopovereenkomst derhalve niets verschuldigd is aan [Y.] Beheer;

wijst af het meer of anders gevorderde;

veroordeelt [Y.] Beheer in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [X.] tot op heden begroot op € 2.786,93 aan verschotten en € 2.712,-- aan salaris advocaat in eerste aanleg, en op € 384,31 aan verschotten en € 2.682,-- aan salaris advocaat in hoger beroep;

wijst af de vorderingen van [Z.];

veroordeelt [Z.] in de proceskosten van het incident tot tussenkomst, aan de zijde van [Y.] Beheer tot op heden begroot op €447,-- aan salaris advocaat;

compenseert tussen [Z.] en [X.] de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Schaik-Veltman,

Fikkers en Vriezen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 april 2009.