Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BI8728

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-06-2009
Datum publicatie
18-06-2009
Zaaknummer
HD 103.002.401
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

aandelenlease-overeenkomsten WinsVerDriedubbelaar en BespaarPlan. Vernietiging op grond van art. 1:88 jo. 1:89 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. SH

zaaknr. HD 103.002.401

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

eerste kamer, van 9 juni 2009,

gewezen in de zaak van:

de naamloze vennootschap

DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante in het principaal appel bij exploot van dagvaarding van 9 juni 2005,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

[de man],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel bij voormeld exploot,

appellant in het incidenteel appel,

advocaat: mr. I.D.A. Welles,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Tilburg gewezen vonnis van 9 maart 2005 tussen principaal appellante – Dexia - als eiseres in conventie en verweerster in reconventie en principaal geïntimeerde – hierna te noemen [de man] – als gedaagde in conventie en eiser in reconventie.

1. Het geding in eerste aanleg (rolnr. 319268-CV-04/5637)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het daaraan voorafgegane vonnis van 22 september 2004, alsmede naar het vonnis van de rechtbank Breda van 30 juni 2004, waarbij de zaak werd verwezen naar de sector kanton, locatie Tilburg.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Na het uitbrengen van de appeldagvaarding heeft Dexia bij akte van 13 december 2005 verzocht de procedure te schorsen ex art. 1015 Rv in verband met de behandeling van het verzoek tot verbindendverklaring van de Duisenbergregeling. Bij rolbeslissing van 13 juni 2006 heeft het hof het geding geschorst. Nadat het hof Amsterdam bij beschikking van 23 januari 2007 de Duisenberg-regeling verbindend had verklaard, heeft [de man] bij brief van 25 mei 2007 aan (de daartoe aangewezen persoon) mr. [X.] van [Y.] Notarissen doen weten niet aan de Overeenkomst betreffende de verbindendverklaring van de Duisenbergregeling gebonden te willen zijn. Met instemming van Dexia is het geding bij op de rolzitting van 24 juli 2007 door [de man] genomen akte hervat.

2.2. Bij memorie van grieven heeft Dexia, onder overlegging van producties, tien grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis, en tot het alsnog toewijzen van haar vordering in conventie, en tot het afwijzen van de reconventionele vordering, met veroordeling van [de man] tot terugbetaling van hetgeen Dexia op grond het vonnis aan [de man] heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente en proceskosten.

2.3. Bij memorie van antwoord heeft [de man] de grieven bestreden. Voorts heeft [de man] zijn eis vermeerderd en incidenteel appel ingesteld, en daarin, onder overlegging van producties, één grief aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis voor zover de wettelijke rente over de door Dexia te restitueren geldsom is afgewezen. [de man] heeft in hoger beroep voorts gevorderd veroordeling van Dexia tot terugbetaling van al hetgeen door hem in het kader van de overeenkomst Bespaarplan aan Dexia is betaald, zulks, naar het hof begrijpt, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van betaling van de respectieve termijnen, en proceskosten.

2.4. Dexia heeft in incidenteel appel geantwoord.

2.5. Partijen hebben vervolgens hun zaak doen bepleiten aan de hand van de door hen overgelegde pleitnotities. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Hiervoor verwijst het hof naar de memories van grieven in het principaal en in het incidenteel appel.

4. De beoordeling

4.1. De grieven richten zich niet tegen de door de kantonrechter in rechtsoverweging 2. van het bestreden vonnis vastgestelde feiten. Het hof gaat van dezelfde feiten uit en zal de feiten hierna uitgebreider weergeven.

4.2. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

(i) [de man] en A. [de vrouw] zijn echtelieden.

(ii) [de man] heeft in 2000 met de rechtsvoorganger van Dexia (hierna: Dexia) een viertal hierna te noemen overeenkomsten gesloten met betrekking tot de koop van aandelen:

drie op of omstreeks 20 januari 2000 met Dexia gesloten overeenkomsten genaamd WinstVerDriedubbelaar (prod. 1 bij inleidende dagvaarding). Deze drie overeenkomsten hadden steeds betrekking op het door [de man] leasen van aandelen ABN Amro, Ahold en ING en steeds tot een totale aankoopsom van f 53.237,58, en had een looptijd van 36 maanden. Gedurende de looptijd van de overeenkomsten was per overeenkomst rente verschuldigd (van 0,96% per maand) ten bedrage van f 10.053,15. Beide bedragen samen vormden de leasesom van f 63.290,73. Deze leasesom diende per overeenkomst als volgt te worden voldaan: een rentetermijn van f 10.053,15 op of omstreeks de eerste dag van de maand volgend op de eerste aankoopdatum, een bedrag van f 100 te betalen op of omstreeks 35 maanden na de aankoopdatum, en een restantbedrag van f 53.137,58 als slottermijn. Dit restantbedrag zou op grond van het bepaalde in de overeenkomsten in principe worden verrekend met de verkoopopbrengst van de waarden. Op deze overeenkomsten waren de Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease van toepassing (prod. 2 bij inleidende dagvaarding). In art. 3 van de Bijzondere Voorwaarden is vermeld dat alle baten en waardeveranderingen van de waarden aan lessee ([de man]) toekomen. Op grond van het bepaalde in art. 4 van de Bijzondere Voorwaarden werd het risico van koerswijzigingen van de aandelen bij de lessee gelegd;

een op of omstreeks 15 juni 2000 met Dexia gesloten overeenkomst genaamd Bespaarplan (prod. 2D bij memorie van grieven Dexia). Deze overeenkomst had betrekking op het door [de man] leasen van aandelen Ahold, ING en Kon. Olie tot een totale aankoopsom van f 26.208,63, en had een looptijd van 60 maanden. Gedurende de looptijd van deze overeenkomst was rente verschuldigd (van 0,96% per maand) ten bedrage van f 15.069,41. Beide bedragen samen vormden de leasesom van f 41.278,04. Deze leasesom diende te worden voldaan door betaling van 60 maandelijkse termijnen van f 251,16, één termijn van f 100 op of omstreeks de 59e maand, en een restantbedrag aan het einde van de aandelenlease-overeenkomst van f 26.108,63. Op grond van het bepaalde in de overeenkomst kon dit restantbedrag eventueel worden verrekend met de verkoopopbrengst van de waarden. Op deze overeenkomst waren eveneens door Dexia gehanteerde Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease van toepassing. (De bij deze overeenkomst behorende Bijzondere Voorwaarden zijn niet overgelegd.)

(iii) Bovengenoemde overeenkomsten zijn niet (mede-) ondertekend door [de vrouw], met wie [de man] ook destijds was gehuwd.

(iv) De overeenkomsten WinstVerDriedubbelaar zijn eind januari 2003 door het verstrijken van de looptijd geëindigd, waarna een door [de man] per overeenkomst aan Dexia te betalen bedrag resteerde van € 12.394,98, derhalve in totaal € 37.184,94 (prod. 3 bij inleidende dagvaarding). [de man] heeft deze bedragen ondanks sommatie niet betaald.

(v) De overeenkomst BespaarPlan is op 16 juni 2005 door het verstrijken van de looptijd geëindigd met een restschuld van

€ 4.745,43 (prod. 3D bij memorie van grieven Dexia). Dexia heeft deze schuld grotendeels verrekend met de opbrengst van de onder (vii) sub a te noemen overeenkomst Spaarlease, zodat ter zake van de overeenkomst BespaarPlan nog een bedrag van € 1.384,83 openstaat. Volgens Dexia resteert na verrekening een bedrag van € 1.359,95, zodat het hof dat laatste bedrag zal aanhouden.

(vi) Bij brieven van 13 februari 2003 en 13 oktober 2004 heeft [de vrouw] de drie overeenkomsten WinstVerDriedubbelaar respectievelijk de overeenkomst BespaarPlan buitengerechtelijk vernietigd op grond van het bepaalde in de art. 1:88 jo. 1:89 BW.

(vii) [de man] had voorafgaande aan het sluiten van bovengenoemde vier overeenkomsten eerder met Dexia aandelenlease- overeenkomsten gesloten:

een op of omstreeks 25 september 1996 gesloten overeenkomst genaamd Spaarleasen, met een looptijd van 180 maanden. De overeenkomst is op of omstreeks 14 november 2007 (voortijdig) beëindigd met een op brengst van € 3.360,60 (prod. 2A en 3A bij memorie van grieven Dexia);

een op of omstreeks 13 november 1997 gesloten overeenkomst genaamd Beleggen met Korting, met een looptijd van 36 maanden. Deze overeenkomst is op of omstreeks 13 november 2000 door het verstrijken van de overeengekomen looptijd beëindigd met een opbrengst van € 1.919,78 (prod. 2B en 3B bij memorie van grieven Dexia);

een op of omstreeks 12 februari 1998 gesloten overeenkomst genaamd WinstVerDriedubbelaar, met een looptijd van 36 maanden. Deze overeenkomst is op of omstreeks 12 februari 2001 door het verstrijken van de overeengekomen looptijd beëindigd met een opbrengst van € 14.338,68 (prod. 2C en 3C bij memorie van grieven Dexia).

(viii) Ook de onder (vii) genoemde overeenkomsten waren niet (mede-)ondertekend door [de vrouw].

(ix) De door [de man] uit hoofde van de onder (ii) en (vii) genoemde overeenkomsten verschuldigde inleg en/of maandelijkse termijnen zijn steeds voldaan door middel van automatische afschrijving van de girorekening van [de man] met nummer 1608406.

de vorderingen en de beslissing in eerste aanleg

4.3. Dexia heeft [de man] bij inleidende dagvaarding van 25 november 2003 in rechte betrokken en gevorderd dat [de man] zal worden veroordeeld tot betaling € 41.505,62 (bestaande uit de hiervoor onder (iv) genoemde hoofdsom van € 37.184,94, contractuele rente en buitengerechtelijke kosten), vermeerderd met de contractuele rente vanaf 25 september 2003 en proceskosten.

[de man] heeft de vorderingen in conventie gemotiveerd weersproken en in reconventie gevorderd dat de kantonrechter Dexia zal veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen door hem in het kader van de overeenkomsten WinstVerDriedubbelaar aan Dexia is betaald, zijnde € 13.821,90, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van betaling van de respectieve bedragen.

Dexia heeft voor het geval de kantonrechter het beroep van [de man] op vernietiging van de overeenkomsten zou honoreren, bij akte voorwaardelijke wijziging van eis in conventie gevorderd dat de kantonrechter [de man] op de voet van art. 6:278 BW zal veroordelen tot betaling van een bedrag gelijk aan het verschil tussen de aankoopwaarde minus de verkoopwaarde van de effecten op de datum van vernietiging van de overeenkomsten.

De kantonrechter heeft bij eindvonnis de vorderingen van Dexia in (voorwaardelijke) conventie afgewezen, en Dexia in reconventie veroordeelt tot betaling van € 13.821,90 en proceskosten.

de grieven en de eisvermeerdering

4.4. Dexia heeft bij memorie van grieven in principaal appel 10 tien grieven aangevoerd, genummerd A1 tot en A6 en B1 tot en met B4.

Met grief A1 beroept Dexia zich er op dat rechtsvordering tot vernietiging van de overeenkomsten is verjaard. In grief A2 stelt Dexia dat sprake is van misbruik van bevoegdheid. Grief A3 keert zich tegen het oordeel van kantonrechter, dat art. 6:278 BW toepassing mist. In grief A4 stelt Dexia aan de orde dat op grond van de artikelen 6:206 BW jo. 3:120 BW, 3:53 lid 2 BW, 6:210 BW en 6:230 BW, althans de redelijkheid en billijkheid, de door [de man] gevorderde integrale ongedaanmaking niet kan worden gehonoreerd. De grieven A5 en A6 richten zich tegen de toewijzing van de wettelijke rente respectievelijk de proceskostenveroordeling.

De door Dexia aangedragen grieven B1 tot en met B4 richten zich – kort samengevat - tegen het oordeel van de kantonrechter dat de overeenkomsten WinstVerDriedubbelaar moeten worden aangemerkt als een huurkoop, en dat het beroep op art. 1:88 BW slaagt.

4.5. [de man] stelt met grief I in incidenteel appel aan de orde dat de kantonrechter ten onrechte de door hem gevorderde wettelijke rente over de door Dexia te restitueren bedragen niet heeft toegewezen.

[de man] heeft in hoger beroep zijn eis vermeerderd in die zin dat hij ook terugbetaling vordert van de maandelijkse termijnen (in totaal € 6.496,29) die hij uit hoofde van de overeenkomst BespaarPlan aan Dexia heeft voldaan. [de man] heeft, voor zover de buitengerechtelijke vernietiging van de vier overeenkomsten op grond van de art. 1:88 jo. 1:89 BW in rechte niet wordt gehonoreerd, zich beroepen op dwaling respectievelijk schending van de bancaire zorgplicht door Dexia.

4.6. Dexia heeft naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (LJN: BC 2837) in haar op 26 augustus 2008 genomen memorie van antwoord in het incidenteel appel de grieven B1 tot en met B4 en de grieven A3 en A4, voor zover daarin daarin de toepasselijkheid van de artikelen 6:278 BW, 3:53 lid 2 BW 6:210 BW werd bepleit, ingetrokken (zie par. 5 van die memorie).

4.7. Dexia heeft zich ten pleidooie beroepen op het feit dat het hof Arnhem in zijn op 27 januari 2009 onder zaaknummer 104.000.758 gewezen arrest heeft beslist dat de overeenkomst WinstVerDriedubbelaar niet kan worden aangemerkt als een huurkoop. Het hof heeft daartoe in rov. 2.6. van dat arrest overwogen dat, anders dan de in het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2008 aan de orde zijnde aandelenlease-overeenkomst, de overeenkomst WinstVerDriedubbelaar niet voorzag in de toekenning van het genot van de aandelen aan de lessee voorafgaande aan de betaling van de beide termijnen, zodat de overeenkomst niet kan worden aangemerkt als een koop op afbetaling en dus evenmin als een huurkoopovereenkomst. Dexia stelt zich derhalve opnieuw op het standpunt dat voor het aangaan van de in dit geding aan de orde zijnde drie overeenkomsten WinstVerDriedubbelaar niet de toestemming van de niet handelende echtgenoot [de vrouw] was vereist, en dat deze derhalve niet op grond van art. 1:89 BW de nietigheid ervan wegens het niet voldoen aan dit vereiste kan inroepen. Dexia erkent dat de overeenkomst Bespaarplan als een huurkoop moet worden aangemerkt.

4.8. Het hof constateert dat Dexia de eerder door haar bij memorie van antwoord in het incidenteel appel ingetrokken grieven B1 tot en B4 opnieuw in de rechtsstrijd wil betrekken. Naar ’s hofs oordeel is dit niet toelaatbaar nu de wederpartij er

uitdrukkelijk bezwaar tegen heeft gemaakt dat de desbetreffende grieven alsnog in de rechtsstrijd worden betrokken. Deze grieven worden derhalve buiten beschouwing gelaten (vgl. HR 6 maart 2009, LJN: BG5051 en HR 20 juni 2008, LJN: BC4959).

4.9. De conclusie uit het voorgaande is dat er in dit hoger beroep van uitgegaan dient te worden dat de onderhavige drie overeenkomsten WinstVerDriedubbelaar en de overeenkomst Bespaarplan moeten worden aangemerkt als een huurkoop, dat op grond van art. 1:88 lid 3 BW voor het aangaan van deze overeenkomsten de schriftelijke toestemming van de andere echtgenoot is vereist, en dat deze derhalve op grond van art. 1:89 BW de nietigheid ervan wegens het niet voldoen aan dit vereiste kan inroepen.

Dit betekent dat de echtgenoot van [de man], die naar vast staat geen schriftelijke toestemming voor het aangaan van de overeenkomsten heeft verleend, op grond van art. 1:89 BW de nietigheid van de overeenkomsten wegens het niet voldoen aan dit vereiste kan inroepen.

De tijdigheid van de vernietiging van de overeenkomst door [de vrouw] op grond van art. 1:89 BW

4.10. [de man] beroept zich erop dat [de vrouw] bij brief van 13 februari 2003 de nietigheid van de door [de man] met Dexia gesloten drie overeenkomsten WinstVerDriedubbelaar heeft ingeroepen, en bij brief van 13 oktober 2004 de nietigheid van de overeenkomst BespaarPlan. [de man] stelt daartoe dat [de vrouw] eerst bekend is geraakt met de overeenkomsten WinstVerDriedubbelaar toen [de man] haar daarover na ontvangst van de drie eindafrekeningen van 10 februari 2003 had geïnformeerd. [de man] stelt dat hij [de vrouw] eerst in 2004 heeft geïnformeerd over de overeenkomst BespaarPlan. [de man] heeft ter onderbouwing van zijn stelling aangevoerd dat in zijn gezin een traditionele rolverdeling geldt, waarbij [de man] de gehele financiële administratie inclusief financiële planning ten aanzien van het huishouden voor zijn rekening neemt. [de man] stelt voorts dat de op of omstreeks 20 januari 2000 gesloten overeenkomsten de eerste overeenkomsten zijn waarop hij verlies heeft geleden, en, aangezien hij zich ervan niet bewust is geweest dat er risico’s aan de overeenkomsten verbonden waren, hij nimmer de noodzaak heeft gezien tot het inlichten van zijn echtgenote.

4.11. Als wordt uitgegaan van februari 2003 respectievelijk 2004 als moment waarop [de vrouw] op de hoogte raakte van de door [de man] met Dexia op of omstreeks 20 januari 2000 respectievelijk 15 juni 2000 gesloten overeenkomsten, dan heeft zij - gelet op art. 3:52 lid 1 aanhef en onder d BW - tijdig de vernietigingsgrond ingeroepen. De vernietigingsgrond is [de vrouw] immers pas ten dienste komen te staan toen zij op de hoogte raakte van de overeenkomsten.

4.12. Dexia stelt in haar principale grief 1 dat [de vrouw] al eerder op de hoogte was van de overeenkomsten. Volgens Dexia is het in normale gezinsverhoudingen gebruikelijk dat beleggingsbeslissingen als de onderhavige niet zonder medeweten en instemming van beide partners worden genomen, mede gelet op de hoogte van de vooruitbetalingen die [de man] ter zake van de overeenkomsten heeft gedaan en hetgeen [de man] omtrent zijn financiële positie heeft gesteld. De vooruit- betalingen en de maandelijkse termijnen zijn voorts ten laste gekomen van het huishoudbudget en afgeschreven van een rekening waartoe ook [de vrouw] was gerechtigd. Dexia wijst er voorts op dat [de man] al eerder aandelenlease- overeenkomsten met Dexia had gesloten, zodat het gelet op de afrekeningen en de termijnbetalingen die in het kader van die overeenkomsten zijn gedaan, niet aannemelijk is dat het [de vrouw] is ontgaan dat [de man] de onderhavige overeenkomsten heeft afgesloten.

4.13. Het hof acht het, mede gelet op hetgeen [de man] op dit punt heeft aangevoerd, niet onaannemelijk dat [de vrouw] van het sluiten en het verdere bestaan van de onderhavige overeenkomsten niets heeft gemerkt totdat zij hieromtrent in februari 2003 respectievelijk 2004 door haar echtgenoot werd geïnformeerd. De omstandigheid dat [de vrouw], zoals zij ten pleidooie heeft verklaard, de afschriften van de girorekening wel eens openmaakte leidt voorshands niet tot een ander oordeel.

4.14. Op Dexia drukt dan de last te bewijzen dat [de vrouw] al eerder van de overeenkomsten op de hoogte was, en wel op een zodanig tijdstip dat zij de vernietigbaarheid van de overeenkomsten niet binnen drie jaar nadat de bevoegdheid om deze vernietigingsgrond aan haar ten dienste was komen te staan, heeft ingeroepen, dat wil zeggen vóór 13 februari 2000 respectievelijk 13 oktober 2001. Dexia beroept zich er immers op dat [de vrouw] de vernietigingsgrond niet meer kan inroepen omdat zij al eerder dan door haar gesteld op de hoogte was van het bestaan van de overeenkomsten. Dit levert een zelfstandig bevrijdend verweer op van Dexia dat door Dexia bewezen dient te worden (vgl. HR 6 april 2001, NJ 2002,383). Nu Dexia dat ook heeft aangeboden zal het hof Dexia hieromtrent een bewijsopdracht verstrekken.

4.15. Het kennelijk subsidiair door [de man] ingenomen standpunt dat de verjaringstermijn van art. 3:52 BW pas is aanvangen op het moment waarop [de vrouw] wetenschap had van het feit dat hier om een vernietigbare rechtshandeling ging, vindt geen steun in het recht. De mogelijkheid de hier bedoelde vernietigingsgrond in te roepen is niet afhankelijk van een oordeel over de juridische kwalificatie van de aandelenlease-constructie (vgl. HR 26 november 2004, NJ 2006, 115; HR 5 januari 2007, NJ 2007, 320). De onzekerheid over deze kwalificatie belette [de vrouw] immers niet de vernietiging in te roepen.

misbruik van bevoegdheid

4.16. Dexia stelt met principale grief A2 dat [de vrouw] (in samenspraak met Veltkamp) misbruik maakt van haar bevoegdheid tot vernietiging van de overeenkomst nu het beroep op art. 1:88 BW alleen wordt gedaan met betrekking tot de onderhavige overeenkomsten, maar niet ter zake van de eerdere (profijtelijke) aandelenlease-overeenkomsten.

4.17. Het hof overweegt als volgt. De in de artikel 1:88 BW neergelegde regeling beoogt de echtgenoten, in het belang van het gezin, tegen elkaar te beschermen tegen het verrichten van rechtshandelingen die gezien het voorwerp van de rechtshandeling of de aard daarvan benadelend zijn of een groot financieel risico meebrengen. De omstandigheid dat de niet handelende echtgenoot van zijn in art. 1:89 BW gegeven bevoegdheid tot vernietiging alleen gebruik maakt als de overeenkomst nadelig is betekent niet dat hij deze bevoegdheid misbruikt. Het ligt immers voor de hand dat alleen overeenkomsten worden vernietigd die nadelig worden geacht. Grief A2 faalt derhalve.

4.18. De beoordeling van de principale grieven A4, A5 en A6 en van de incidentele grief I, alsmede het door [de man] gedane beroep op dwaling en schending van de zorgplicht, wordt aangehouden in afwachting van de uitkomst van de hiervoor in rov. 4.14. aan Dexia verstrekte bewijsopdracht.

5. De uitspraak

Het hof:

laat Dexia toe te bewijzen:

dat [de vrouw] al meer dan drie jaren vóór 13 februari 2003 op de hoogte was van het bestaan van de op of omstreeks 20 januari 2000 gesloten overeenkomsten WinstVerDriedubbelaar tussen [de man] en Dexia en dat [de vrouw] al meer dan drie jaren vóór 13 oktober 2004 op de hoogte was van het bestaan van de op of omstreeks 15 juni 2000 gesloten overeenkomst BespaarPlan tussen [de man] en Dexia en dat [de vrouw] de vernietigbaarheid van de overeenkomsten derhalve niet binnen drie jaar nadat de bevoegdheid om deze vernietigingsgrond aan haar ten dienste was komen te staan, heeft ingeroepen;

bepaalt, voor het geval Dexia bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. Riemens als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 23 juni 2009 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun raadslieden en de getuige(n) op dinsdagen en donderdagen in de periode van september en oktober 2009;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde rolzitting dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van Dexia tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Begheyn, Feddes en Riemens en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 juni 2009.