Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BI7740

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-04-2009
Datum publicatie
15-06-2009
Zaaknummer
HD 103.005.759
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzwijging van hennepkwekerij bij aangaan brandverzekering.

Nieuwe verzekering of wijziging van bestaande verzekering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. SB

zaaknr. HD 103.005.759

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

derde kamer, van 14 april 2009,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

handelende onder de naam [BEDRIJF 1],

wonende te [plaats 1],

appellant bij exploot van dagvaarding

van 26 september 2007,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

1. N.V. INTERPOLIS SCHADE,

gevestigd te Tilburg,

2. FORTIS ASR SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Utrecht,

geïntimeerden bij gemeld exploot,

advocaat geïntimeerde sub 1: mr. R.F.L.M. van Dooren,

advocaat geïntimeerde sub 2: mr. E.H.H. Schelhaas,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Breda gewezen vonnis van 27 juni 2007 tussen appellant - [appellant] - als eiser en geïntimeerden - afzonderlijk te noemen Interpolis en Fortis en gezamenlijk de verzekeraars - als gedaagden.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 163615/HA ZA 06-1343)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis alsmede naar het vonnis van 29 augustus 2007 waarin het vonnis van 27 juni 2007 is verbeterd.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellant] onder overlegging van twee producties zes grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing van zijn vordering.

2.2. Bij afzonderlijke memories van antwoord hebben de verzekeraars de grieven bestreden, Interpolis onder overlegging van een productie.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

De grieven strekken ten betoge dat de rechtbank de vorderingen van [appellant] ten onrechte heeft afgewezen.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a. In juni 2005 is [appellant] verhuisd van een door hem gehuurd woonhuis te [plaats 2] ([adres 1]) naar een door hem gehuurd woonhuis met een daarachter gelegen bedrijfshal te [plaats 1] ([adres 2]). Het woonhuis met bedrijfshal te [plaats 2] huurt [appellant] van [persoon 1]. In de bedrijfshal drijft [appellant] een onderneming onder de naam [bedrijf 1].

b. Toen [appellant] te [plaats 2] woonde had hij bij Amev Schadeverzekering NV (rechtsvoorganger van Fortis, en verder ook te noemen Fortis) onder polisnummer [polisnummer] een inboedelverzekering afgesloten, ingaande 1 mei 2004. Het betrof een brandverzekering. Verzekerd waren op het risicoadres [adres 1] te [plaats 2] de inboedel voor een bedrag van f 30.000,- en het huurdersbelang voor een bedrag van f 35.000,- (prod. 1 en 2 cva Fortis).

In verband met de verhuizing heeft [appellant] met ingang van 4 juli 2005 bij Fortis ook de inboedel en het huurdersbelang op het risicoadres [adres 2] te [plaats 2] verzekerd. Hoofdadres van [appellant] werd [adres 2] te [plaats 2], maar het oude adres hield [appellant] aan aangezien zijn vader daar zolang bleef wonen. [appellant] is met Fortis in dat verband overeengekomen dat de bestaande inboedelverzekering onder het polisnummer [polisnummer] in stand bleef en de verzekerde som van deze bestaande inboedelverzekering werd verhoogd, voor wat betreft de inboedel tot een bedrag van f 90.000,- (niet uitgesplitst per adres) en voor wat betreft het huurdersbelang tot f 65.000,- , waarvan

f 30.000,- ten behoeve van het adres te [plaats 2] (prod. 3 inl. dagv. en prod. 4 akte d.d. 9 aug. 2006).

c. De verhoging van de inboedelpolis is tot stand gekomen door bemiddeling van de tussenpersoon [bedrijf 2] die tevens optrad als gevolmachtigde van Fortis. Deze tussenpersoon (in de persoon van [persoon 2]) heeft op 1 juli 2005 [appellant] bezocht op diens nieuwe woonadres te [plaats 2] en daarvan een bezoekverslag opgemaakt (prod. 3 cva Fortis).

d. Met ingang van 15 juli 2005 heeft [appellant] via genoemde tussenpersoon voorts een zogenaamde Bedrijven Compact Polis MKB afgesloten bij Interpolis voor de categoriën "bedrijfsmiddelen", "bedrijfsstagnatie", "verkeer" (voertuigen), "aansprakelijkheid" en "rechtsbijstand" (prod. 1 en 2 inl. dagv.).

e. Op 23 juli 2005 heeft op het adres te [plaats 2] een brand gewoed. Bij het blussen van de brand bleek dat zich in het souterrain van het pand een hennepkwekerij bevond. De hennepkwekerij was sinds 20 juli 2005 in bedrijf.

f. In opdracht van Fortis en Interpolis heeft I-Tek BV een onderzoek verricht naar de oorzaak van de brand. Deze heeft op 16 augustus 2005 daaromtrent een rapport uitgebracht (prod. 7 inl. dagv.) Bij het rapport behoort een bijlage, inhoudende twee op schrift gestelde en door [appellant] ondertekende verklaringen, afgelegd op 28 juli 2005 en 5 augustus 2005 (prod. 4 cvd). De conclusie van het rapport (pag. 11 prod. 7 inl. dagv.) luidt als volgt:

"Op grond van bovenstaande gegevens kan worden gesteld, dat de brand kennelijk is ontstaan door een mankement in de elektrische installatie, die behoort bij de sauna. In de ruimte achter de sauna was een hennepkwekerij aanwezig, die alleen vanuit de sauna bereikbaar was en derhalve aan het zicht was ontrokken. Er is geen relatie gevonden tussen het ontstaan van de brand en de exploitatie van de hennepkwekerij.

Verzekerde had reeds met de bouw van de hennepkwekerij een aanvang genomen, toen op 1 juli 2005 door de tussenpersoon een bezoek werd gebracht aan het risicoadres en waarbij de gewenste verzekeringen werden besproken.

Verzekerde heeft daarbij geen melding gemaakt van het feit, dat op korte termijn in het risico-adres een hennepkwekerij zou worden geëxploiteerd. Volgens verzekerde werd de hennepkwekekerij door hem aangelegd en geheel voor zijn rekening en risico geëxploiteerd."

g. Bij brief d.d. 19 augustus 2005 (prod. 8 inl. dagv.) heeft Interpolis aan [appellant] bericht dat de schade aan bedrijfsgoederen niet voor vergoeding in aanmerking komt. Interpolis heeft in dat verband een beroep gedaan op verzwijging (art. 251 K), bestemmingswijziging en risicoverzwaring.

h. Bij brief d.d. 7 september 2005 (prod. 9 inl. dagv.) heeft Fortis aan [appellant] - kort gezegd - bericht dat zij de inboedelverzekering nietig verklaart voor wat betreft het risicoadres te [plaats 2] wegens verzwijging (art. 251 K) en niet tot vergoeding van de schade zal overgaan. De inboedelverzekering voor het risicoadres te [plaats 2] heeft Fortis opgezegd.

4.2. [appellant] heeft bij inleidende dagvaarding gevorderd:

I. a. een verklaring voor recht dat Interpolis verplicht is aan hem de schade te vergoeden,

b. veroordeling van Interpolis de schade vast te stellen conform de tussen partijen overeengekomen (polis)voorwaarden, subsidiair de schade vast te stellen bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente;

II. veroordeling van Fortis tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 120.966,-, vermeerderd met de wettelijke

rente.

4.3. Bij vonnis van 27 juni 2007 (verbeterd bij vonnis van 29 augustus 2007) heeft de rechtbank de vorderingen van [appellant] afgewezen.

4.4. Voor wat betreft de vraag of met Fortis een nieuwe verzekeringsovereenkomst is tot tot stand gekomen heeft de rechtbank als volgt geoordeeld.

a. Voor de beantwoording van de vraag of op 4 juli 2005 een nieuwe verzekering tussen [appellant] en Fortis tot stand is gekomen met betrekking tot de inboedel en het huurdersbelang op het risicoadres te [plaats 2] kan niet slechts de bedoeling van Fortis tot uitgangspunt worden genomen, maar is met name van belang of [appellant] uit de gedragingen of verklaringen van Fortis onder de gegeven omstandigheden moest begrijpen dat sprake is van een nieuwe overeenkomst (rov. 3.6.);

b. [appellant] had moeten begrijpen dat er sprake was van een nieuwe verzekering, zodat op 4 juli 2005 een nieuwe verzekeringsovereenkomst tussen [appellant] en Fortis tot stand is gekomen(rov. 3.7.);

4.5. In de grieven I en II betoogt [appellant] dat de rechtbank bij de beantwoording van de hierboven onder 4.4. sub a vermelde vraag een onjuiste maatstaf heeft aangelegd en voorts dat de rechtbank die vraag onjuist heeft beantwoord.

4.6. Het hof oordeelt hieromtrent als volgt.

4.6.1. [appellant] beroept zich op HR 8 januari 1993, NJ 1994, 151. In dat arrest oordeelde de Hoge Raad in een geval waarin de looptijd van een verzekeringsovereenkomst was verstreken dat bij de beantwoording van de vraag of, na ommekomst van de looptijd, een nieuwe verzekeringsovereenkomst tot stand komt dan wel de bestaande verzekeringsovereenkomst wordt verlengd of voortgezet alle omstandigheden van het geval van belang zijn, waaronder in het bijzonder de mede door uitleg van de polis vast te stellen bedoeling van partijen.

Het gaat in het onderhavige geval niet om de situatie dat de looptijd van een bestaande verzekeringsovereenkomst is verstreken. Niet aan de orde is dus de vraag of partijen, bij ommekomst van die looptijd, de bestaande verzekeringsovereenkomst hebben verlengd dan wel een nieuwe overeenkomst hebben gesloten. In dit geval was de looptijd van de bestaande verzekeringsovereenkomst met Fortis niet verstreken, maar deed zich de situatie voor dat [appellant] vanwege de verhuizing een inboedel en een huurdersbelang op een nieuw risicoadres (mede) ter verzekering aanbood aan Fortis.

Het hof is overigens van oordeel dat ook in dit geval geldt dat alle omstandigheden van het geval van belang zijn voor de beoordeling van de vraag of er al dan niet een nieuwe verzekering is tot stand gekomen.

4.6.2. In dit geval zijn de navolgende omstandigheden van belang:

a. In verband met de verhuizing heeft de tussenpersoon [bedrijf 2], tevens gevolmachtigde van Fortis, in de persoon van [persoon 2] [appellant] op 1 juli 2005 op het nieuwe woonadres te [plaats 2] bezocht om te bespreken of hij nieuwe verzekeringen benodigde na de verhuizing. [persoon 2] heeft met [appellant] besproken dat hoofdadres van [appellant] wordt: [adres 2] te [plaats 2], en dat [appellant] tevens zijn oude adres aanhoudt, voorts dat op de bestaande inboedelpolis de verzekerde som voor wat betreft de inboedel wordt verhoogd naar € 90.000,- onder vermelding van twee risico-adressen op de polis zonder deze uit te splitsen, en dat voor wat betreft het huurdersbelang op het adres te [plaats 2] een extra bedrag van € 30.000,- wordt verzekerd.

b. Door het in dekking nemen van de inboedel en het huurdersbelang op het nieuwe risicoadres te [plaats 2] werd niet de aard van het risico gewijzigd, maar werd een nieuw risico-object aan de bestaande verzekering toegevoegd en werd de omvang van het te dekken risico in aanzienlijke mate vergroot.

c. Door Fortis is aan [appellant] geen nieuw aanvraagformulier ter invulling voorgelegd met het oog op het sluiten van een inboedelverzekering ten behoeve van het risicoadres te [plaats 2].

d. Van de verzekeringsovereenkomst, waarin beide risicoadressen zijn opgenomen, is door Fortis een polisblad d.d. 4 juli 2005 aan [appellant] verstrekt onder hetzelfde polisnummer als het voorheen bestaande polisblad d.d. 30 juni 2004 betreffende de inboedelverzekering ten behoeve van het risicoadres te [plaats 2].

e. Als reden voor afgifte van het nieuwe polisblad is vermeld: verhoging verzekerde som, terwijl het polisblad d.d. 30 juni 2004 als reden vermeld: nieuwe polis best. klant.

f. Fortis heeft aan [appellant] niet opnieuw de polisvoorwaarden toegestuurd.

4.6.3. De onder 4.6.2. sub a en b vermelde omstandigheden houden in dat partijen zijn overeengekomen dat [appellant] voor zijn inboedel en huurdersbelang op zijn nieuwe woonadres te [plaats 2] een verzekering nodig had en dat verzekering daarvan kon plaatsvinden door uitbreiding van de bestaande inboedelverzekering. De omstandigheden vermeld onder 4.6.2. sub d. en e. bevestigen die conclusie.

Voormelde uitbreiding van de bestaande verzekering houdt echter in dat partijen voor wat betreft het verzekerd belang op het adres te [plaats 2] een nieuwe verzekering zijn aangegaan, die, zoals gezegd, is opgenomen in de reeds bestaande inboedelverzekering. Het ging er partijen immers om een nieuw risico-object te [plaats 2] te verzekeren onder handhaving van de verzekering van het bestaande risico-object te [plaats 2].

Dat het hier ging om de verzekering van een nieuw risico-object had [appellant] dienen te begrijpen vanwege het feit dat de gevolmachtigde [bedrijf 2] bij hem op bezoek kwam om, zoals [appellant] zelf stelt (mvg pag. 8), "te bespreken of hij nieuwe verzekeringen benodigde na zijn verhuizing" en afgesproken is dat het adres te [plaats 2] als hoofdadres zou gaan gelden. Daaraan doet niet af dat partijen aan deze nieuwe verzekering aldus vorm hebben gegeven dat de inboedel en het huurdersbelang op het nieuwe risicoadres op de bestaande verzekeringspolis zou worden verzekerd tezamen met de inboedel en het huurdersbelang op het oude risicoadres.

4.6.4. De omstandigheid dat Fortis ten behoeve van deze nieuwe verzekering [appellant] niet een aanvraagformulier heeft laten invullen, dat Fortis deze nieuwe verzekering niet heeft bevestigd door afgifte van een polisblad onder een nieuw polisnummer en op het gewijzigde polisblad als reden voor afgifte heeft vermeld: verhoging verzekerde som, brengt niet mee dat [appellant] heeft mogen begrijpen dat hij met Fortis geen nieuwe verzekeringsovereenkomst aanging. Het door [appellant] aan Fortis aangeboden risico-object (inboedel en huurdersbelang) te [plaats 2] vormde immers een nieuw risico-object en [appellant] mocht er niet vanuit gaan dat de verhoging van de verzekerde sommen slechts een gevolg was van wijziging of aanpassing van het bestaande risico-object te [plaats 2]. Dat laatste was immers niet aan de orde.

4.6.5. Hetgeen [appellant] onder de grieven I en II verder aanvoert leidt niet tot een ander oordeel. De grieven I en II falen.

4.7. De rechtbank heeft met betrekking tot het aangaan van de verzekeringsovereenkomst met Fortis voorts het volgende geoordeeld.

a. [appellant] heeft bij het aangaan van de nieuwe verzekeringsovereenkomst verzwegen dat hij bezig was met de opbouw van een hennepkwekerij (rov. 3.9.);

b. De plannen om een hennepkwekerij te exploiteren in het pand aan de [adres 2] te [plaats 2] waren voldoende concreet om onder zijn mededelingsplicht te vallen (rov. 3.11.);

c. Fortis heeft bij het aangaan van deze nieuwe verzekering geen gebruik gemaakt van een aanvraagformulier. Op [appellant] rustte met betrekking tot de hennepkwekerij een spontane mededelingsplicht (rov. 3.15.);

d. Fortis heeft de verzekering terecht vernietigd op grond van art. 251 K. en de vordering van [appellant] moet daarom worden afgewezen (rov. 3.16.).

4.8. Met betrekking tot het aangaan van de verzekeringsovereenkomst tussen [appellant] en Interpolis heeft de rechtbank als volgt overwogen.

a. [appellant] heeft bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst verzwegen dat hij bezig was met de opbouw van een hennepkwekerij (rov. 3.9.);

b. De plannen om een hennepkwekerij te exploiteren in het pand aan de [adres 2] te [plaats 2] waren voldoende concreet om onder zijn mededelingsplicht te vallen (rov. 3.11.);

c. Interpolis heeft bij het aangaan van deze nieuwe verzekering gebruik gemaakt van een aanvraagformulier. Dat brengt mee dat Interpolis zich er niet op mag beroepen dat [appellant] de aanwezigheid van de hennepkwekerij niet heeft medegedeeld, tenzij is gehandeld met het opzet de verzekeraar te misleiden. [appellant] heeft de hennepkwekerij opzettelijk verzwegen om een verzekering te krijgen waarvan hij wist dat hij die anders niet zou hebben gekregen (rov. 3.15.).

d. Interpolis heeft die verzekering terecht vernietigd op grond van art. 251 K.. De vordering van [appellant] moet daarom worden afgewezen (rov. 3.16.).

4.9. In de toelichting op grief III betoogt [appellant] dat hij in juli 2005 op het idee kwam een hennepkwekerij aan te leggen, dat hij daartoe op 11, 14 en 15 juli 2005 materialen heeft ingekocht (prod. 2 mvg), dat hij eerst daarna is aangevangen met de opbouw van de hennepkwekerij en op 20 juli 2005 de hennepplantjes heeft geplant.

In de toelichting op de grieven IV en V betoogt [appellant] dat hij in juni 2005 slechts een vaag idee had over het exploiteren van een hennepkwekerij, dat hij bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst niet heeft verzwegen dat hij een hennepkwekerij had of wilde gaan aanleggen en dus ook niet de opzet had Interpolis of Fortis te misleiden.

[appellant] biedt bewijs aan, onder meer van het feit dat de door hem op 28 juli 2005 afgelegde verklaring aan I-Tek BV niet juist is door het horen van zijn behandelend arts en de medewerker van I-Tek BV.

4.10. Het hof oordeelt hieromtrent als volgt.

4.10.1. Blijkens de schriftelijke verklaring van 28 juli 2005 die aan het rapport van I-Tek BV is gehecht heeft [appellant] het volgende verklaard:

(....)

Ik heb toen in eigen beheer in de ruimte achter de sauna de hennepkwekerij aangelegd. Ik heb geen hulp gehad van anderen (....)

Ik heb onderdelen voor de kwekerij (...) zelf aangeschaft bij diverse growshops. De elektrische installatie heb ik (....) zelf aangelegd. Elektriciteit heb ik buiten de elektriciteitsmeter om betrokken. Ik heb voldoende kennis van elektrische installaties om dit aan te kunnen leggen. Ik heb met betrekking tot de aanleg van de elektrische installatie wel informatie gevraagd bij derden, op welke wijze dit moest worden gerealiseerd. (...).

De kwekerij was drie dagen voor de brand in gebruik genomen. Die dag zijn de planten geplaatst, naar ik schat 300 stuks. Er is geen eerdere kweek geweest. Ik ben met de opbouw van de kwekerij ongeveer twee maanden bezig geweest. (....)

Ik heb uiteraard de medewerker van [persoon 2] (.....) niets medegedeeld over het feit, dat ik een hennepkwekerij ging exploiteren (...)

4.10.2. De stelling van [appellant] dat deze verklaringen (deels) onjuist zijn verwerpt het hof. Er zijn door hem immers geen feiten of omstandigheden gesteld die de conclusie wettigen dat die verklaringen onjuist zijn dan wel niet serieus kunnen worden genomen. Het bewijsaanbod is te vaag.

4.10.3. De stellingen van [appellant], die hierboven zijn vermeld in rov. 4.9., zijn, voorzover zij afwijken van die verklaringen, dan ook ongeloofwaardig. Dat brengt mee dat moet worden geconcludeerd dat [appellant] bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst met Interpolis en Fortis opzettelijk heeft verzwegen dat hij een hennepkwekerij in het pand te [plaats 2] ging exploiteren.

4.10.4. Op [appellant] rustte ten aanzien van Fortis bovendien een spontane mededelingsplicht met betrekking tot de voorgenomen exploitatie van de hennepkwekerij, nu [appellant] redelijkerwijs moest begrijpen dat de exploitatie van een hennepkwekerij op het nieuwe risicoadres, gezien de hoeveelheid warmte die daarvoor nodig is en via het elektriciteitsnet wordt gegeneerd, brandgevaarlijk is.

4.10.5. Fortis en Interpolis hebben terecht een beroep gedaan op art. 251 K.

4.11. De grieven III tot en met V falen daarom.

Grief VI heeft geen zelfstandige betekenis. Nu de grieven I tot en met V falen, faalt grief VI dus ook.

4.12. Het beroepen vonnis moet worden bekrachtigd en [appellant] moet als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit hoger beroep.

4.13. Fortis heeft tevens wettelijke rente gevorderd over de proceskosten en nakosten.

4.13.1. De wettelijke rente is toewijdbaar met ingang van de 14de dag na de datum van dit arrest. De gevorderde nakosten zijn niet toewijsbaar. Met betrekking tot nakosten als bedoeld in artikel 237, lid 4 Rv geldt dat artikel 237 Rv daarvoor voorziet in een bijzondere procedure ter begroting van de na uitspraak ontstane kosten.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis d.d. 27 juni 2007, waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van dit hoger beroep, welke kosten, voorzover aan de zijde van Interpolis gevallen, worden begroot op € 303,- wegens griffierecht en op

€ 894,- wegens salaris van de advocaat, en, voorzover aan de zijde van Fortis gevallen, worden begroot op € 3.630,- wegens griffierecht en op € 2.632,- wegens salaris van de advocaat;

veroordeelt [appellant] tot betaling aan Fortis van de wettelijke rente over de aan Fortis toegewezen proceskosten met ingang van de 14de dag na de datum van dit arrest.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. Bod, Waaijers en Zweers-Van Vollenhoven en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 april 2009.