Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BI7729

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-06-2009
Datum publicatie
12-06-2009
Zaaknummer
HD 200.005.915
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet op het consumentenkrediet. Geen rechtsgeldige algehele opeising krediet wegens ontbreken van een ingebrekestelling. Aan ingebrekestelling te stellen eisen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2009, 360
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknr. HD 200.005.915

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

vierde kamer, van 2 juni 2009,

gewezen in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aan¬sprake¬lijkheid INTERNATIONAL CARD SERVICES B.V., h.o.d.n. VISA CARD SERVICES,

gevestigd te Amsterdam,

appellante bij exploot van dagvaarding van 2 januari 2008,

advocaat: mr. J.M. Jonkergouw,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

niet verschenen,

op het hoger beroep van het door de rechtbank ’s-Hertogenbosch onder zaaknummer/rolnummer 156964/HA ZA 07-658 gewezen verstekvonnis van 3 oktober 2007 tussen appellante - ICS - als eiseres en geïntimeerde – [appellant] - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld verstekvonnis en naar het tussenvonnis van 13 juni 2007.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. [geintimeerde] is in hoger beroep niet in rechte verschenen; tegen haar is verstek verleend.

2.2. Bij memorie van grieven heeft ICS, onder overlegging van producties, vier grieven aangevoerd en geconcludeerd zoals in het petitum van die memorie is weergegeven.

2.3. ICS heeft de gedingstukken overgelegd en uitspraak ge¬vraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst hiervoor naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.2. ICS heeft met [appellant] drie overeenkomsten gesloten:

a) een overeenkomst waarbij aan [appellant] onder nummer [overeenkomstnummer A.] een Visa Card is verstrekt met een bestedings- c.q. opnamelimiet van € 7.500,--,

b) een overeenkomst waarbij aan [appellant] onder nummer [overeenkomstnummer B.] een Visa Card is verstrekt met een bestedings- c.q. opnamelimiet van € 2.500,--, en

c) een overeenkomst van doorlopend krediet met een kredietlimiet van € 10.000,--.

Deze overeenkomsten zijn krediettransacties als bedoeld in de Wet op het consumentenkrediet (WCK).

4.3. [appellant] is haar betalingsverplichtingen uit hoofde van de drie overeenkomsten niet nagekomen, waarna ICS de per 20 oktober 2006 uitstaande saldi van respectievelijk € 13.866.14, € 4.440,87 en € 10.241,83, alsmede de volgens ICS door [appellant] vanaf 3 april 2006 verbeurde boete ad € 4.554,-- wegens het niet inleveren van de Visa Card met nummer [overeenkomstnummer B.], ineens heeft opgeëist.

4.4. In de inleidende dagvaarding van 22 maart 2007 heeft ICS de veroordeling gevorderd van [appellant], uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling aan haar van het bedrag van € 33.102,84, vermeerderd met de contractuele rente van telkens 8,9% per jaar over € 13.866,14, € 4.440,87 en € 10.241,83 vanaf 20 oktober 2006 tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

4.5. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank in hoofdsom een bedrag toegewezen van € 12.663,06, vermeerderd met de overeengekomen rente, met als maximum de krachtens art. 35 WCK ten hoogste toegelaten kredietvergoeding, over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 20 oktober 2006 tot de dag van volledige betaling. De proceskosten zijn gecompenseerd, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.

4.6. ICS is tijdig in hoger beroep gekomen. Zij heeft vier grieven aangevoerd. Grief 1 heeft betrekking op de gedeeltelijke afwijzing van de vordering uit hoofde van de overeenkomst met Visa Card nummer [overeenkomstnummer A.], de grieven 2 en 3 zien op de gedeeltelijke afwijzing van de vordering uit hoofde van de overeenkomst met Visa Card nummer [overeenkomstnummer B.] en grief 4 betreft de beslissing van de rechtbank om de proceskosten te compenseren.

4.6.1. De rechtbank heeft de vordering uit hoofde van de overeenkomst met Visa Card nummer [overeenkomstnummer A.] afgewezen voor zover deze vordering de achterstand per 9 maart 2006 (€ 2.129,90) te boven gaat. Zij heeft daartoe in rov 2.3 van het bestreden vonnis overwogen dat de opeising van 10 maart 2006 rechtens geen effect kan hebben omdat met de voorafgaande ingebrekestelling op 9 maart 2006 voor een achterstand van € 2.129,90 geen deugdelijke ingebrekstelling heeft plaatsgevonden nu aan [appellant] geen redelijke termijn voor de voldoening van de achterstand is gegund.

4.6.2. Met grief 1 komt ICS tegen dit oordeel op. In de toelichting op deze grief stelt ICS dat zij [appellant], naast het rekening- overzicht van 9 maart 2006 dat de rechtbank volgens ICS terecht heeft beoordeeld als ingebrekestelling, ook rekening- overzichten heeft toegezonden op 9 januari 2006 en 9 februari 2006. ICS stelt dat [appellant] in deze brieven eveneens in gebreke is gesteld in verband met de op dat moment ontstane achterstanden in betalingen en een redelijke termijn heeft geboden voor voldoening van de achterstand. De brieven van 9 januari 2006, 9 februari 2006 en 9 maart 2006 brengt ICS als producties 19 t/m 21 in het geding. Verder stelt ICS dat de betaalachterstand op 9 maart 2006 € 2.450,12 bedroeg en niet, zoals de rechtbank volgens haar ten onrechte heeft overwogen, € 2.129,90.

4.6.3. Op grond van de bepalingen van de WCK kan het uitstaande saldo bij een betalingsachterstand in een geval als hier aan de orde enkel rechtsgeldig worden opgeëist indien de kredietnemer, die gedurende ten minste twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen termijnbedrag, na in gebreke te zijn gesteld, nalatig blijft in de nakoming van zijn verplichtingen (artikel 33 aanhef en onder c sub 1 WCK). De voor een rechtsgeldige opeising vereiste ingebrekestelling behelst een schriftelijke aanmaning waarbij de schuldenaar een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld en heeft de functie om, voordat tot algehele opeising wordt overgegaan, de schuldenaar nog een laatste termijn voor nakoming te geven en aldus nader te bepalen tot welk tijdstip nakoming nog mogelijk is zonder dat van een tekortkoming sprake is, bij gebreke van welke nakoming de schuldenaar vanaf dat tijdstip in verzuim is (HR 22 oktober 2004, NJ 2006, 597).

4.6.4. Tegen het oordeel van de rechtbank dat er sprake is van een ingebrekestelling van 9 maart 2006, is niet gegriefd, zodat de vraag of dit oordeel juist is in hoger beroep niet aan de orde is. De door ICS in hoger beroep overgelegde rekeningoverzichten van 9 januari 2006 en 9 februari 2006 kunnen naar het oordeel van het hof niet worden aangemerkt als ingebrekestelling. De rekening-overzichten vermelden naast de algemene contractgegevens enkel het oude en het nieuwe uitstaande saldo, de mutaties, het minimaal te betalen bedrag, de hoogte van de achterstand in de betaling en het bedrag waarmee de bestedingsruimte is overschreden: een redelijke termijn voor nakoming met een expliciete vermelding dat alleen met betaling van een duidelijk aangegeven bedrag binnen die termijn verzuim en algehele opeising kan worden voorkomen wordt [appellant] in deze rekeningoverzichten niet geboden. Andere stukken die zouden kunnen worden beschouwd als ingebrekestelling in de hiervoor bedoelde zin zijn door ICS niet in het geding gebracht.

4.6.5. Uit het voorgaande volgt dat niet is komen vast te staan dat wat betreft de vordering uit hoofde van de overeenkomst met Visa Card nummer [overeenkomstnummer A.] voldaan is aan de in artikel 33 aanhef en onder c sub 1 WCK opgenomen eis dat aan algehele opeising een ingebrekestelling vooraf dient te gaan. Nader bewijs is door ICS niet aangeboden. Aan haar – in hoger beroep niet herhaalde - algemeen bewijsaanbod in de inleidende dagvaarding wordt als te vaag voorbijgegaan.

4.6.6. Het hof komt daarmee tot dezelfde conclusie als de rechtbank, namelijk dat enkel de betalingsachterstand per 9 maart 2006 toewijsbaar is. Deze achterstand blijkt uit het rekening-overzicht van 9 maart 2006 (overgelegd als producties 10 en 21), aan de voet van welk overzicht met de omschrijving “Achterstand in betaling” het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 2.129,90 wordt vermeld. Grief 1 faalt.

4.6.7. De vordering uit hoofde van de overeenkomst met Visa Card nummer [overeenkomstnummer B.] heeft de rechtbank afgewezen voor zover deze vordering de achterstand per 17 maart 2006 (€ 291,33) te boven gaat. Zij heeft daartoe in rov 2.4 van het bestreden vonnis overwogen dat niet duidelijk is hoe de achterstand van € 291,33 per 17 maart 2006 in duur en termijnen moet worden geduid en dat bij gebreke van een nadere specificatie op dit punt ICS de rechtbank onvoldoende informatie heeft verschaft om te kunnen vaststellen of de grondslag van de vordering ter zake van het gehele saldo voldoet aan de wettelijke bepalingen, die dwingend voorschrijven dat een achterstand algehele opeising slechts rechtvaardigt indien een kredietnemer ten minste twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen termijnbedrag en na in gebreke te zijn gesteld nalatig blijft in de nakoming van zijn verplichtingen.

4.6.8. Met grief 2 komt ICS tegen dit oordeel op. In de toelichting op deze grief stelt ICS dat zij gerechtigd was op 3 april 2006 het totale saldo ad € 4.061,44 op te eisen. Ter adstructie van deze stelling verwijst zij naar de als producties 22, 23 en 13 door haar in het geding gebrachte rekeningoverzichten van respectievelijk 17 januari 2006, 17 februari 2006 en 17 maart 2006 (door haar aangeduid als “ingebrekestellingen”), waaruit volgens ICS zou blijken dat [appellant] ondanks ingebrekestelling achterstallig is gebleven “met betaling van de vervallen termijnen”.

4.6.9. Het hof constateert dat de door de rechtbank gemiste nadere specificatie met betrekking tot de achterstand van

€ 291,33 per 17 maart 2006 nog altijd ontbreekt. Weliswaar heeft ICS twee eerdere rekeningoverzichten in het geding gebracht (van 17 januari 2006 en 17 februari 2006 – producties 22 en 23), maar doordat zij heeft nagelaten deze overzichten nader toe te lichten, blijft nog altijd onvoldoende duidelijk met welke termijn (welk bedrag en wanneer vervallen) [appellant] gedurende ten minste twee maanden achterstallig zou zijn in de betaling. Het hof is daarom van oordeel dat ICS ook in hoger beroep onvoldoende heeft gesteld om de vordering in volle omvang toe te kunnen wijzen.

Daarnaast geldt dat wat betreft deze overeenkomst, evenmin als bij de hiervoor onder grief 1 besproken overeenkomst, niet is komen vast te staan dat voldaan is aan de in artikel 33 aanhef en onder c sub 1 WCK opgenomen eis dat aan algehele opeising een ingebrekestelling vooraf dient te gaan. De overgelegde rekeningoverzichten kunnen vanwege het ontbreken van een redelijke termijn voor nakoming met een expliciete vermelding dat alleen met betaling van een duidelijk aangegeven bedrag binnen die termijn verzuim en algehele opeising kan worden voorkomen (zie hiervoor onder rov 4.6.4) niet als ingebrekestelling gelden, terwijl andere stukken die als zodanig zouden kunnen worden beschouwd niet in het geding zijn gebracht. Nader bewijs is door ICS niet aangeboden en aan haar – in hoger beroep niet herhaalde - algemeen bewijsaanbod in de inleidende dagvaarding gaat het hof als te vaag voorbij. Grief 2 faalt.

4.6.10. Grief 3 bouwt voort op grief 2 en moet dus het lot daarvan delen. Grief 4, die betrekking heeft op de proceskostenveroordeling, behoeft geen afzonderlijke bespreking omdat zij uitgaat van de voorafgaande grieven en faalt eveneens.

4.6.11. De slotsom is dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij zal ICS worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt ICS in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door mrs. Brandenburg, De Groot-van Dijken en Huijbers-Koopman en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 juni 2009.