Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BI7724

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-03-2009
Datum publicatie
16-06-2009
Zaaknummer
HD 103.005.658
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit de verklaring die [persoon 2] bij de politie heeft afgelegd, blijkt dat [persoon 2] "regelmatig" - onder meer auto's kocht bij autobedrijf Jovri te Arnhem en dat hijzelf eigenaar is van een autobedrijf, genaamd [persoon 2]. Er kan gelet hierop niet van worden uitgegaan dat [persoon 2], toen hij de brommobiel aankocht, handelde als "een natuurlijk persoon die niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelde".

Het enkele feit dat [persoon 2], zoals eveneens blijkt uit genoemde verklaring, de brommobiel aankocht "voor zijn dochter" is onvoldoende om te kunnen concluderen dat [persoon 2] handelde als een natuurlijk persoon als hiervoor bedoeld. Daartoe had [appellant] meer feiten en omstandigheden moeten stellen. Nu hij dat heeft nagelaten, dient zijn bewijsaanbod te worden gepasseerd als onvoldoende feitelijk onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

derde kamer, van 3 maart 2009,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [plaats],

appellant in principaal appel bij exploot van dagvaarding van 4 oktober 2007,

geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. J.A.M. van Weely,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [plaats], gemeente [gemeente],

geïntimeerde in principaal appel bij gemeld exploot,

appellante in incidenteel appel,

advocaat: mr. L.A.M. van den Eeden,

op het hoger beroep van het door de rechtbank 's-Hertogenbosch gewezen vonnis van 4 juli 2007 tussen principaal appellant - [appellant] - als gedaagde en principaal geïntimeerde - [geïntimeerde] - als eiseres.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 132625/HA ZA 05-2186)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis alsmede naar de daaraan voorafgaande tussenvonnissen van 28 december 2005, 20 maart 2006 en 21 februari 2007.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellant] onder overlegging van producties twee grieven aangevoerd, geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van 4 juli 2007 en, naar het hof begrijpt, tot afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] en voorts voor recht te verklaren dat [appellant] eigenaar is van de brommobiel, merk Ligier, type Ambra (framenummer [framenummer]), [geïntimeerde] te bevelen die brommobiel af te geven en [geïntimeerde] te veroordelen in de beslag- en proceskosten.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden.

2.3. Voorts heeft [geïntimeerde] incidenteel appel ingesteld, daarin onder overlegging van producties een grief aangevoerd en geconcludeerd, kort gezegd, tot gedeeltelijke vernietiging van het vonnis van 4 juli 2007 en tot veroordeling van [appellant] tot betaling van de door [geïntimeerde] gemaakte en betaalde opslag- cq bewaarkosten ad in totaal € 1.082,57 met de wettelijke rente.

2.4. [appellant] heeft in incidenteel appel geantwoord.

2.5. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

in principaal appel

De grieven van [appellant] strekken ten betoge dat de rechtbank ten onrechte voor recht heeft verklaard dat [geïntimeerde] eigenaar is van de brommobiel en afgifte daarvan heeft bevolen.

in incidenteel appel

De grief van [geïntimeerde] strekt ten betoge dat de rechtbank ten onrechte de vordering tot betaling van de kosten van bewaargeving heeft afgewezen.

4. De beoordeling

in principaal en incidenteel appel

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a. [geïntimeerde] heeft op 18 september 1998 de hierboven onder 2.1. omschreven brommobiel gekocht en in eigendom verkregen (prod.1, gehecht aan prod. 1 inl. dagv.). De brommobiel is een kleine auto voor twee personen voor het besturen waarvan geen kentekenbewijs vereist is.

b. In het tijdvak van 24 tot 26 mei 2003 is de brommobiel gestolen (prod. 2, gehecht aan prod. 1 inl. dagv.).

c. In 2003

- heeft "een zekere [persoon 1] uit [plaats 3]" de brommobiel verkocht aan autobedrijf Jovri, gevestigd te Arnhem,

- heeft autobedrijf Jovri de brommobiel vervolgens verkocht aan [persoon 2], wonende te [plaats 4],

- heeft [persoon 2] de brommobiel vervolgens verkocht aan [persoon 3], wonende te [plaats 1], en

- heeft [persoon 3] de brommobiel vervolgens verkocht aan [appellant].

Een en ander blijkt uit de in eerste aanleg afgelegde getuigenverklaringen en de bij de politie afgelegde verklaringen van [persoon 2](prod. 1 bij akte d.d. 7 maart 2007) en van [appellant] (prod. 3, gehecht aan prod. 1 inl. dagv.).

d. Op 8 september 2005 heeft [geïntimeerde] op de brommobiel conservatoir beslag doen leggen tot afgifte en is de brommobiel in gerechtelijke bewaring gegeven aan Kusters Logistics BV, gevestigd te Eindhoven (prod. 2 inl. dagv.).

4.2. Bij inleidende dagvaarding van 28 september 2005 heeft [geïntimeerde] een verklaring voor recht gevorderd dat zij eigenaar is van de brommobiel en afgifte daarvan gevorderd door [appellant] aan haar, alsmede betaling van de kosten van het beslag en de gerechtelijke bewaring.

4.3. Bij vonnis van 20 maart 2006 heeft de rechtbank ter beoordeling van de vraag of aan [appellant] de bescherming toekomt van art. 3: 86, lid 3, sub a BW aan [appellant] te bewijzen opgedragen "dat hij dan wel één van zijn rechtsvoorgangers de van eiseres gestolen brommobiel heeft verkregen van een vervreemder die van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke zaken anders dan als veilinghouder zijn bedrijf maakt in een daartoe bestemde bedrijfsruimte en in de uitoefening van dat bedrijf handelde".

4.4. Bij vonnis van 21 februari 2007 heeft de rechtbank bewezen geacht dat autobedrijf Jovri is aan te merken als een vervreemder als bedoeld in de bewijsopdracht en dat [persoon 2] de brommobiel van dit autobedrijf, in de uitoefening van dat bedrijf, heeft gekocht (rov. 2.6.).

De rechtbank achtte echter niet duidelijk of [persoon 2], toen hij kocht, handelde als consument, zoals [appellant] had gesteld, dan wel als autohandelaar (rov. 2.11. en 2.12.). De rechtbank heeft daarom de zaak naar de rol verwezen teneinde partijen, [geïntimeerde] als eerste, in de gelegenheid te stellen zich daarover uit te laten.

4.5. Bij vonnis van 4 juli 2007 heeft de rechtbank beslist dat [persoon 2] bij de aankoop van de brommobiel niet als consument handelde in de zin van art. 3: 86, lid 3 sub a BW (rov. 2.4.) en dat [appellant] dus geen beroep toekomt op de in dat artikel geregelde bescherming tegen beschikkingsonbevoegdheid (rov. 2.7.).

De rechtbank heeft de vorderingen van [geïntimeerde] vervolgens toegewezen, behoudens de vordering tot betaling van de kosten van bewaargeving, nu de rechtbank deze vordering niet onderbouwd achtte (rov. 2.10).

in principaal appel

4.6. In principaal appel voert [appellant] in de eerste plaats als grief aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [persoon 2] de brommobiel van autobedrijf Jovri niet heeft gekocht als consument. [appellant] stelt daartoe dat uit de door [persoon 2] bij de politie afgelegde verklaring blijkt dat [persoon 2] de brommobiel heeft gekocht voor zijn dochter en dat daaraan niet afdoet dat [persoon 2] daarnaast ook handelt in automobielen.

4.7. De grief faalt.

Uit de verklaring die [persoon 2] bij de politie heeft afgelegd, blijkt dat [persoon 2] "regelmatig" - onder meer auto's kocht bij autobedrijf Jovri te Arnhem en dat hijzelf eigenaar is van een autobedrijf, genaamd [persoon 2]. Er kan gelet hierop niet van worden uitgegaan dat [persoon 2], toen hij de brommobiel aankocht, handelde als "een natuurlijk persoon die niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelde".

Het enkele feit dat [persoon 2], zoals eveneens blijkt uit genoemde verklaring, de brommobiel aankocht "voor zijn dochter" is onvoldoende om te kunnen concluderen dat [persoon 2] handelde als een natuurlijk persoon als hiervoor bedoeld. Daartoe had [appellant] meer feiten en omstandigheden moeten stellen. Nu hij dat heeft nagelaten, dient zijn bewijsaanbod te worden gepasseerd als onvoldoende feitelijk onderbouwd.

4.8. [appellant] heeft subsidiair als grief aangevoerd dat, indien moet worden aangenomen dat [persoon 2] de brommobiel heeft aangekocht in de uitoefening van zijn bedrijf, alsdan ook moet worden aangenomen dat hij de brommobiel aan [persoon 3] heeft verkocht in de uitoefening van zijn - [persoon 2]s - bedrijf, zodat [persoon 3] degene is aan wie de rechtsbescherming van art. 3: 86, lid 3, sub a BW toekomt.

4.9. De stelling van [geïntimeerde] dat, nu deze tweede grief is gericht tegen een beslissing van de rechtbank in het tussenvonnis d.d. 21 februari 2007 (rov. 2.14.) en [appellant] blijkens de appeldagvaarding geen hoger beroep tegen dat tussenvonnis heeft ingesteld, [appellant] niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn subsidiaire grief, verwerpt het hof, aangezien het een appellant vrijstaat om ingeval van appel tegen het eindvonnis ook grieven te richten tegen beslissingen in een daaraan voorafgaand tussenvonnis. Het hof begrijpt dat [appellant] daarom heeft bedoeld ook vernietiging van dat tussenvonnis te vorderen indien de grief zou slagen.

4.10. Ook deze tweede grief faalt.

[persoon 3] heeft immers als getuige verklaard dat hij de brommobiel bij [persoon 2] thuis heeft gekocht en dat [persoon 2] ook ergens een garagebedrijf had, maar dat hij niet weet waar. [persoon 3] heeft voorts verklaard dat hij van [persoon 2] geen nota heeft gekregen en ook geen garantie.

4.10.1. In het licht van deze verklaring heeft [appellant] onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om te concluderen dat [persoon 2] de brommobiel aan [persoon 3] heeft verkocht in het kader van de normale uitoefening van zijn bedrijf in een daartoe bestemde bedrijfsruimte, zijnde een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan met de bij het een en ander behorende grond. Nu [appellant] dat heeft nagelaten, dient zijn bewijsaanbod te worden gepasseerd.

4.11. Nu de principale grieven falen dient het vonnis van 21 februari 2007 te worden bekrachtigd en dient het vonnis van 4 juli 2007 voorzover daarin, uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van [geïntimeerde] zijn toegewezen en [appellant] is veroordeeld in de beslag- en proceskosten eveneens te worden bekrachtigd.

4.11.1. [appellant] heeft blijkens het slot van de memorie van grieven in hoger beroep ook zelf een aantal vorderingen ingesteld.

In die vorderingen is [appellant] niet-ontvankelijk, aangezien niet voor het eerst in hoger beroep vorderingen in reconventie kunnen worden ingesteld (art. 353 Rv).

4.12. Als de in het ongelijk gestelde partij dient [appellant] te worden veroordeeld in de kosten van het principaal appel.

in incidenteel appel

4.13. In incidenteel appel voert [geïntimeerde] als grief aan dat de rechtbank haar vordering tot betaling van de kosten van bewaarneming ten onrechte heeft afgewezen.

4.14. [geïntimeerde] heeft haar onderhavige vordering thans in hoger beroep onderbouwd met een aantal nota's (prod. 1A tot en met 1 D mva) die betrekking hebben op opslagkosten bij Kusters Facilities gedurende de periode tot en met 14 augustus 2006 (prod. 1A, 1B en 1C) en opslagkosten bij City Box gedurende de periode van 15 augustus 2006 tot en met 14 juli 2007 (prod. 1D).

4.15. [appellant] voert primair als verweer tegen deze vordering aan dat niet kan worden uitgesloten dat [geïntimeerde] bij City Box niet alleen de brommobiel, maar ook andere goederen heeft opgeslagen, dat [geïntimeerde] hem desgevraagd nooit een verklaring van City Box heeft doen toekomen betreffende die opslag en dat daarom de gehele vordering van [geïntimeerde] met betrekking tot de kosten van bewaring moet worden afgewezen.

4.16. Het hof verwerpt dit verweer als onvoldoende onderbouwd. Er zijn geen aanwijzingen dat [geïntimeerde] bij City Box andere goederen heeft opgeslagen en, indien dat wel het geval zou zijn, als gevolg daarvan meer bewaarkosten aan [geïntimeerde] in rekening zijn gebracht dan nodig was voor de opslag van de brommobiel. De bewaarkosten bij City Box van € 43,- per maand, zijn zelfs substantieel lager dan die bij Kusters Facilities.

4.17. [appellant] voert subsidiair als verweer aan dat [geïntimeerde] de kosten van bewaring onnodig heeft laten oplopen, omdat zij de brommobiel pas op 15 augustus 2006 heeft verplaatst naar City Box terwijl [appellant] al op 20 maart 2006 ermee had ingestemd de brommobiel te verplaatsen naar een afgesloten locatie elders. Bovendien heeft [geïntimeerde], aldus [appellant], nog een aantal dagen laten verlopen na het eindvonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 4 juli 2007 voordat zij de brommobiel uit de opslag haalde. Voorts stelt [appellant] dat [geïntimeerde] de brommobiel kosteloos had kunnen opslaan, althans goedkoper dan bij City Box. Ook de in de factuur van City Box opgenomen kosten van € 8,- voor verzekering zijn volgens [appellant] onnodig gemaakt. Partijen waren overeengekomen dat een extra verzekering niet nodig was. [appellant] voert ook nog enkele andere verweren op, dit alles leidend tot de conclusie dat op grond van deze subsidiaire verweren de vordering met betrekking tot de opslag- en bewaarkosten moet worden afgewezen.

4.18. Het hof verwerpt ook deze subsidiaire verweren, nu deze niet tot de conclusie kunnen leiden dat [geïntimeerde] onnodig (hoge) kosten van opslag- en bewaring heeft gemaakt.

4.18.1. Het feit dat in maart 2006 tussen partijen al overeenstemming bestond over een verplaatsing van de brommobiel naar een afgesloten locatie elders, brengt niet zonder meer mee dat [geïntimeerde] onnodig met die verplaatsing heeft gewacht tot 15 augustus 2006. [appellant] laat na concreet aan te geven naar welke afgesloten (goedkopere) locatie [geïntimeerde] de brommobiel eerder had kunnen verplaatsen, dat hij dit aan [geïntimeerde] heeft voorgehouden en dat [geïntimeerde] daarmee in gebreke is gebleven.

4.18.2. [geïntimeerde] was jegens [appellant] niet verplicht om aanstonds na het eindvonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 4 juli 2007 de brommobiel uit de opslag te halen, nu niet is gebleken dat [appellant] aan [geïntimeerde] ondubbelzinnig te kennen had gegeven dat hij in dat vonnis berustte.

4.18.3. [appellant] heeft zijn stelling dat [geïntimeerde] de brommobiel kosteloos had kunnen opslaan, althans goedkoper dan bij City Box, niet feitelijk onderbouwd en bovendien niet gesteld dat zulks een reëel alternatief was dat hij destijds aan [geïntimeerde] heeft voorgesteld.

4.18.4. Dat de verzekering van € 8,- per maand bij City Box onnodig was heeft [appellant] niet onderbouwd. Nu City Box dat bedrag expliciet aan [geïntimeerde] in rekening heeft gebracht, kan er niet van worden uitgegaan dat zulks onnodig heeft plaatsgevonden. Bij zijn resterende verweren ziet [appellant] over het hoofd dat City Box maandelijks in rekening heeft gebracht een bedrag van € 43,-, zijnde (naar valt aan te nemen) € 35,- huur plus € 8,- verzekering, en vanaf 15 januari 2007 € 43,87. Met betrekking tot de verhoging van het maandbedrag met € 0,87 vanaf 15 januari 2007 behoeft [geïntimeerde] geen factuur over te leggen om die verhoging aannemelijk te doen zijn.

4.19. Op bovenstaande gronden slaagt de grief van [geïntimeerde] en zal het hof het eindvonnis van de rechtbank van 4 juli 2007 vernietigen voorzover daarin de gevorderde kosten van bewaring zijn afgewezen. De door [geïntimeerde] gestelde kosten van opslag en bewaring ad € 1.082,57 zal het hof geheel toewijzen met de gevorderde wettelijke rente daarover.

4.20. Als de in het ongelijk gestelde partij dient [appellant] te worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel appel.

5. De uitspraak

Het hof:

op het principaal appel

bekrachtigt het vonnis van 21 februari 2007 en het vonnis van 4 juli 2007, voorzover daarin de vorderingen van [geïntimeerde] zijn toegewezen;

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn bij de memorie van grieven ingestelde vorderingen;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het principaal appel, welke kosten, voorzover aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen, worden begroot op € 300,- wegens griffierecht en € 632,- wegens salaris van de advocaat, op de voet van art. 243 Rv te voldoen aan de griffier van dit hof;

op het incidenteel appel

vernietigt het vonnis van 4 juli 2007, voorzover de rechtbank daarin de vordering van [geïntimeerde] tot betaling van bewaarkosten heeft afgewezen;

en, opnieuw rechtdoende,

veroordeelt [appellant] aan [geïntimeerde] wegens opslag- en bewaarkosten te betalen een bedrag ven € 1.082,57, vermeerderd met de wettelijke rente

- over een bedrag van € 214,91 vanaf 15 oktober 2005;

- over een bedrag van € 82,07 vanaf 22 februari 2006;

- over een bedrag van € 263,50 vanaf 15 september 2006 en

- over een bedrag van € 522,09 vanaf 11 juli 2007

tot aan de dag der voldoening;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het incidenteel appel, welke kosten, voorzover aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen, worden begroot op € 316,- wegens salaris van de advocaat, op de voet van art. 243 Rv te voldoen aan de griffier van dit hof.

Dit arrest is gewezen door mrs. Bod, Waaijers en Zweers-Van Vollenhoven en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 maart 2009.