Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BI7583

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-05-2009
Datum publicatie
18-06-2009
Zaaknummer
HD 200.003.177
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu hiertegen niet is gegriefd, staat in hoger beroep vast dat plaatsing van een schotel-antenne in beginsel in strijd is met het huurreglement. Het hof is uit de stukken gebleken dat [geintimeerde] dit in eerste aanleg ook niet heeft betwist. [geintimeerde] heeft als verweer gevoerd dat hij een brief van de stichting heeft ontvangen met het verzoek de schotelantenne weg te halen in verband met de uitvoering van voegwerkzaamheden aan het gehuurde en met de mededeling dat hij na de uitvoering van dat werk de schotel weer terug kon hangen. Voorts heeft hij aangevoerd dat het voegwerk een half jaar heeft geduurd en dat hij, toen de steiger, na de vakantie 2006, werd weggehaald, de schotel op dezelfde plek heeft teruggeplaatst.

Gelet op de inhoud van de in hoger beroep overgelegde brief van de stichting aan [geintimeerde] van 25 mei 2004 en van de schriftelijke verklaring van de heer [X.] van 14 april 2008, welke inhoud in hoger beroep door [geintimeerde] niet is weersproken, acht het hof het voldoende aannemelijk dat de voegwerkzaamheden aan de gevel van het gehuurde niet in 2006 maar in 2004 hebben plaatsgevonden. Voorts blijkt noch uit de brief van de stichting van 25 mei 2004, noch anderszins dat de stichting aan [geintimeerde] toestemming heeft gegeven om na de uitvoering van de gevelwerkzaamheden de schotelantenne terug te plaatsen aan de gevel van het gehuurde. De stichting heeft [geintimeerde] in voornoemde brief niet alleen verzocht om de schotelantenne te verwijderen in verband met de gevelwerkzaamheden, maar tevens uitdrukkelijk gewezen op het feit dat [geintimeerde] zonder haar toestemming geen schotelantenne mag aanbrengen en dat wanneer de schotel niet door hem wordt verwijderd, dit in haar opdracht zal gebeuren en de kosten hiervan voor zijn rekening komen. Het voorgaande wordt door de verklaring van de heer Geerts bevestigd. Mede gezien het feit dat [geintimeerde] in hoger beroep in het geheel geen verweer heeft gevoerd, dient naar het oordeel van het hof te worden aangenomen dat [geintimeerde] na de voegwerkzaamheden in 2004 de schotelantenne zonder toestemming van de stichting heeft teruggeplaatst op de gevel van het gehuurde en dat hij hiermee in strijd heeft gehandeld met artikel 22 van het huurreglement. Vast staat dat de stichting nadien evenmin toestemming heeft verleend aan [geintimeerde] voor het plaatsen van de schotelantenne.

Voor zover [geintimeerde] bedoeld heeft een beroep te doen op een verworven recht, wordt dit beroep verworpen. Aan de omstandigheid dat de stichting in de periode 1997-2004 ter zake geen actie heeft ondernomen, kan [geintimeerde] niet het recht ontlenen om thans een schotelantenne te mogen plaatsen. Bovendien heeft de stichting door haar enkele stilzitten niet haar recht verwerkt om tegen de overtreding van het huurreglement op te treden.

Gelet op het voorgaande komt het hof de vordering van de stichting tot veroordeling van [geintimeerde] om de schotelantenne te verwijderen niet onrechtmatig of ongegrond voor. Het hof zal deze vordering inclusief de gevorderde dwangsom en machtiging in hoger beroep alsnog toewijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknr. HD 200.003.177

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

zevende kamer, van 12 mei 2009,

gewezen in de zaak van:

de rechtspersoonlijkheid bezittende stichting STICHTING WONENBREBURG,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats], mede kantoorhoudende te [kantoorplaats],

appellante bij exploot van dagvaarding van 6 maart 2008,

hierna te noemen: de stichting,

advocaat: mr. F.C.J.J. Jessen,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

hierna te noemen: [geintimeerde],

in hoger beroep niet verschenen,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Breda gewezen vonnis van 12 december 2007 tussen de stichting als eiseres en [geintimeerde] als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaak/rolnr. 450796 CV EXPL 07-4789)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft de stichting vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot, uitvoerbaar bij voorraad:

veroordeling van [geintimeerde] tot het verwijderen en verwijderd houden van de schotelantenne binnen veertien dagen na betekening van het arrest, op verbeurte van een dwangsom van € 50,- per dag of gedeelte daarvan dat [geintimeerde] in strijd met het arrest mocht handelen, zulks met een maximum van € 1.500,-, met machtiging om bij gebreke van verwijdering van de schotel-antenne binnen dertig dagen na betekening van het arrest de verwijdering zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de sterke arm;

veroordeling van [geintimeerde] om aan de stichting te voldoen een bedrag van € 200,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 april 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeling van [geintimeerde] om aan de stichting te voldoen een bedrag van € 1.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 april 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaring voor recht dat [geintimeerde] aansprakelijk is voor en verplicht is tot vergoeding van de door de stichting gemaakte kosten van rechtsbijstand, zowel in als buiten rechte – met uitzondering van het ingevolge het te wijzen arrest toegewezen buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten en de ingevolge de definitieve uitspraak eventueel door [geintimeerde] te betalen proceskosten – overeenkomstig artikel 25 van het huurreglement van de huurovereenkomst, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

veroordeling van [geintimeerde] in de proceskosten van beide instanties.

2.2. [geintimeerde] is te dienende dage in hoger beroep niet verschenen, waarop het hof verstek aan hem verleend.

2.3. De stichting heeft daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. [geintimeerde] huurt met ingang van 8 augustus 1984 van (de rechtsvoorganger van) de stichting de woning, gelegen aan de [adres] te [woonplaats].

4.2. In artikel 22 aanhef en onder sub a van het op de huurovereenkomst tussen partijen van toepassing zijnde huur- reglement is onder meer bepaald dat, indien en zodra de woning op een door de N.V. Casema geëxploiteerde centrale antenne-inrichting is aangesloten, de huurder zich verbindt voor de ontvangst van radio en televisie uitsluitend gebruik te maken van deze inrichting en derhalve geen antennes en/of televisiemasten op het gehuurde te plaatsen of te doen plaatsen.

4.3. [geintimeerde] heeft in 1997 een schotelantenne bevestigd aan de voorgevel van de door hem gehuurde woning.

Bij brief van 9 februari 2006 heeft de stichting aan [geintimeerde] medegedeeld dat zij heeft geconstateerd dat hij zonder toestemming een schotelantenne heeft geplaatst en dat deze schotelantenne bovendien is aangebracht op een plaats die absoluut niet is toegestaan. De stichting heeft [geintimeerde] er voorts op gewezen dat als hij een schotelantenne wil plaatsen, hij daarvoor toestemming nodig heeft van de stichting en heeft hem in de gelegenheid gesteld om uiterlijk per 1 maart 2006 een schriftelijk verzoek daartoe in te dienen.

[geintimeerde] heeft bij brief van 3 maart 2006 toestemming gevraagd voor het plaatsen van een schotelantenne. Deze toestemming heeft de stichting bij brief van 15 maart 2006 geweigerd op de grond dat de plaatsing van een schotelantenne aan de gevel in strijd is met het beleid.

Bij brief van 15 mei 2006 heeft de stichting [geintimeerde] gesommeerd de schotelantenne te verwijderen, bij gebreke waarvan hij in rechte zal worden betrokken.

De raadsman van de stichting heeft bij brief van 29 maart 2007 [geintimeerde] nogmaals gesommeerd de schotelantenne te verwijderen, bij gebreke waarvan hij direct in een gerechtelijke procedure zal worden betrokken met alle gevolgen van dien. [geintimeerde] heeft de schotelantenne niet verwijderd.

4.4. De stichting heeft vervolgens [geintimeerde] in rechte betrokken en, kort gezegd, gevorderd [geintimeerde] te veroordelen om de schotelantenne te verwijderen, een bedrag van € 200,- aan de stichting te voldoen ter zake van buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 april 2007, en een bedrag van € 1.000,- aan de stichting te voldoen ter zake van gerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 april 2007.

Daarnaast heeft de stichting, kort gezegd, gevorderd te verklaren voor recht dat [geintimeerde] aansprakelijk is voor en verplicht is tot vergoeding van de door de stichting gemaakte kosten van rechtsbijstand, zowel in als buiten rechte. Tenslotte heeft de stichting verzocht het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en [geintimeerde] te veroordelen in de proceskosten.

[geintimeerde] heeft hiertegen verweer gevoerd.

4.5. Bij vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter de vorderingen van de stichting afgewezen en de stichting veroordeeld in de kosten van het geding. Naar het oordeel van de kantonrechter is de plaatsing van een schotelantenne op het gehuurde in beginsel in strijd met het huurreglement, maar dient de vordering van de stichting te worden afgewezen, aangezien de schotelantenne is (terug)geplaatst met toestemming van de stichting.

4.6. De grieven van de stichting kunnen, gelet op hun onderlinge samenhang, gezamenlijk worden behandeld.

De stichting stelt dat het voegwerk niet in 2006 is vernieuwd, zoals [geintimeerde] in eerste aanleg heeft aangevoerd, maar in 2004. Zij heeft naar haar zeggen bij brief van 25 mei 2004 [geintimeerde] bericht dat in juni 2004 de voegwerkzaamheden starten en dat hij zijn schotel-antenne voor 7 juni 2004 moet verwijderen. Ook is hem in dezelfde brief uitdrukkelijk medegedeeld dat hij zonder toestemming geen schotelantenne mag aanbrengen. De stichting betwist dat zij [geintimeerde] ooit heeft medegedeeld dat na de uitvoering van de voegwerkzaamheden de schotelantenne weer teruggeplaatst kon worden. De stichting verwijst ter onderbouwing van het voorgaande naar haar eerdergenoemde brief aan [geintimeerde] van 25 mei 2004 en naar de schriftelijke verklaring van de heer [X.], woonconsulent bij de stichting, van 14 april 2008. [geintimeerde] heeft naar aanleiding van voornoemde brief van de stichting de schotelantenne verwijderd, maar in 2006 heeft de stichting opnieuw geconstateerd dat [geintimeerde] zonder toestemming een schotelantenne heeft geplaatst op de gevel van het gehuurde, aldus de stichting.

Naar de mening van de stichting is er, gelet op het voorgaande, geen sprake van verleende toestemming voor de plaatsing aan [geintimeerde] en dienen haar vorderingen alsnog te worden toegewezen.

4.7. Het hof overweegt als volgt.

4.7.1. Nu hiertegen niet is gegriefd, staat in hoger beroep vast dat plaatsing van een schotel-antenne in beginsel in strijd is met het huurreglement. Het hof is uit de stukken gebleken dat [geintimeerde] dit in eerste aanleg ook niet heeft betwist. [geintimeerde] heeft als verweer gevoerd dat hij een brief van de stichting heeft ontvangen met het verzoek de schotelantenne weg te halen in verband met de uitvoering van voegwerkzaamheden aan het gehuurde en met de mededeling dat hij na de uitvoering van dat werk de schotel weer terug kon hangen. Voorts heeft hij aangevoerd dat het voegwerk een half jaar heeft geduurd en dat hij, toen de steiger, na de vakantie 2006, werd weggehaald, de schotel op dezelfde plek heeft teruggeplaatst.

Gelet op de inhoud van de in hoger beroep overgelegde brief van de stichting aan [geintimeerde] van 25 mei 2004 en van de schriftelijke verklaring van de heer [X.] van 14 april 2008, welke inhoud in hoger beroep door [geintimeerde] niet is weersproken, acht het hof het voldoende aannemelijk dat de voegwerkzaamheden aan de gevel van het gehuurde niet in 2006 maar in 2004 hebben plaatsgevonden. Voorts blijkt noch uit de brief van de stichting van 25 mei 2004, noch anderszins dat de stichting aan [geintimeerde] toestemming heeft gegeven om na de uitvoering van de gevelwerkzaamheden de schotelantenne terug te plaatsen aan de gevel van het gehuurde. De stichting heeft [geintimeerde] in voornoemde brief niet alleen verzocht om de schotelantenne te verwijderen in verband met de gevelwerkzaamheden, maar tevens uitdrukkelijk gewezen op het feit dat [geintimeerde] zonder haar toestemming geen schotelantenne mag aanbrengen en dat wanneer de schotel niet door hem wordt verwijderd, dit in haar opdracht zal gebeuren en de kosten hiervan voor zijn rekening komen. Het voorgaande wordt door de verklaring van de heer Geerts bevestigd. Mede gezien het feit dat [geintimeerde] in hoger beroep in het geheel geen verweer heeft gevoerd, dient naar het oordeel van het hof te worden aangenomen dat [geintimeerde] na de voegwerkzaamheden in 2004 de schotelantenne zonder toestemming van de stichting heeft teruggeplaatst op de gevel van het gehuurde en dat hij hiermee in strijd heeft gehandeld met artikel 22 van het huurreglement. Vast staat dat de stichting nadien evenmin toestemming heeft verleend aan [geintimeerde] voor het plaatsen van de schotelantenne.

Voor zover [geintimeerde] bedoeld heeft een beroep te doen op een verworven recht, wordt dit beroep verworpen. Aan de omstandigheid dat de stichting in de periode 1997-2004 ter zake geen actie heeft ondernomen, kan [geintimeerde] niet het recht ontlenen om thans een schotelantenne te mogen plaatsen. Bovendien heeft de stichting door haar enkele stilzitten niet haar recht verwerkt om tegen de overtreding van het huurreglement op te treden.

Gelet op het voorgaande komt het hof de vordering van de stichting tot veroordeling van [geintimeerde] om de schotelantenne te verwijderen niet onrechtmatig of ongegrond voor. Het hof zal deze vordering inclusief de gevorderde dwangsom en machtiging in hoger beroep alsnog toewijzen.

4.7.2. De vorderingen van de stichting ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten, de gerechtelijke kosten en de verklaring voor recht zal het hof echter afwijzen.

Het hof is niet gebleken van buitengerechtelijk kosten die niet in de proceskostenveroordeling besloten liggen. Het versturen van enkele (herhaalde) aanmaningen richting [geintimeerde], waarop de door de stichting gevorderde buitengerechtelijke kosten voornamelijk betrekking lijken te hebben, is in elk geval onvoldoende om te kunnen spreken van afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking komende kosten. De door de stichting gevorderde gerechtelijke kosten zijn, zo stelt de stichting, gemaakte kosten in verband met het opstellen van de dagvaarding en het voorbereiden van de procedure. Deze kosten kunnen evenmin worden toegewezen, omdat deze in de proces-kostenveroordeling plegen te worden ingesloten. De kosten gemoeid met de hiervoor in r.o. 4.6 gerelateerde toestemmingsprocedure zijn geen kosten als bedoeld in artikel 6:96 BW.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt de door de stichting gevraagde verklaring voor recht evenmin voor toewijzing in aanmerking.

4.7.3. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd voor zover daarbij de vordering van de stichting tot veroordeling van [geintimeerde] om de schotelantenne te verwijderen, is afgewezen en voor zover de stichting is verwezen in de proceskosten. [geintimeerde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van beide instanties.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor wat betreft de afwijzing van de vordering van de stichting tot veroordeling van [geintimeerde] om de schotelantenne van het gehuurde te verwijderen en de verwijzing van de stichting in de proceskosten;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geintimeerde] tot het verwijderen en verwijderd houden van de schotelantenne binnen veertien dagen na betekening van het arrest, op verbeurte van een dwangsom van € 50,- per dag of gedeelte daarvan dat [geintimeerde] in strijd met het arrest mocht handelen, zulks met een maximum van € 1.500,-, met machtiging om bij gebreke van verwijdering van de schotelantenne binnen dertig dagen na betekening van het arrest de verwijdering zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de sterke arm;

veroordeelt [geintimeerde] in de proceskosten van beide instanties en begroot die kosten aan de zijde van de stichting in eerste aanleg op € 355,85 voor verschotten en € 904,- voor salaris gemachtigde en in hoger beroep op € 325,80 voor verschotten en € 894,- voor salaris advocaat;

verklaart voornoemde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Den Hartog Jager en Kleijngeld en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 mei 2009.