Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BI7001

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-06-2009
Datum publicatie
09-06-2009
Zaaknummer
20-003591-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroep op noodweer verworpen, omdat verdachtes handelen niet voldeed aan de eis van subsidiariteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-003591-08

Uitspraak : 9 juni 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Breda van 25 september 2008 in de strafzaak met parketnummer 02-610155-08 tegen:

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats], [geboorteland] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

waarbij de verdachte terzake van de onder 1. bewezen verklaarde “Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd” werd veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 30 uren subsidiair 15 dagen hechtenis en waarbij zij terzake van de onder 2. bewezen verklaarde mishandeling werd ontslagen van alle rechtsvervolging.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte van het onder 1. ten laste gelegde zal vrijspreken en terzake van het onder 2. ten laste gelegde zal ontslaan van alle rechtsvervolging.

De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep bij dat standpunt aangesloten.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Uitdrukkelijk vernietigt het hof ook de tussenbeslissing van de eerste rechter van 25 september 2008, houdende toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging met betrekking tot feit 1.

Dienaangaande overweegt het hof dat die vordering ten onrechte is toegewezen. Door de wijziging van de tenlastelegging is namelijk niet langer sprake van hetzelfde feit, nu toch daardoor een bedreiging (van een ander persoon) aan de tenlastelegging onder 1. is toegevoegd.

Tenlastelegging

Met inachtneming van het vorenstaande is aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 27 februari 2008 te Breda [naam aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [achternaam aangeefster] dreigend de woorden toegevoegd :"ik laat je kapot rijden en/of ik maak je kapot en/of ik laat mijn vader komen, die schiet je kapot en/of ik maak heel je leven kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

zij op of omstreeks 27 februari 2008 te Breda opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [naam aangeefster]), op/tegen het lichaam heeft geschopt en/of geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vaststaande feiten

Het hof stelt het volgende vast .

Tussen verdachte en haar voormalig werkgever [naam werkgever] is in de periode voorafgaand aan de ten laste gelegde feiten een geschil ontstaan omtrent de uitbetaling van achterstallig salaris. Op 27 februari heeft de verdachte telefonisch contact opgenomen met een medewerkster van genoemd bedrijf genaamd [naam aangeefster], bij welk gesprek een discussie is ontstaan over de betaling van het salaris. Nadat het contact door laatstgenoemde was verbroken, is de verdachte op genoemde datum naar het kantoor van het bedrijf te [vestigingsplaats bedrijf] gegaan. Ter plaatse is de verdachte met haar zuster [naam betrokkene], het kantoor binnengegaan, waar aanwezig waren de medewerksters [naam aangeefster] en [naam betrokkene 2].

In het kantoor is vervolgens een verhitte discussie ontstaan tussen enerzijds de verdachte en anderzijds genoemde medewerksters, waarna door [naam aangeefster] en [naam betrokkene 2] bij herhaling tegen de verdachte is gezegd dat zij het pand moest verlaten. Vervolgens is de verdachte door [naam aangeefster] met een arm bij de hals gepakt en het pand uitgezet.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

A.1

Door [naam aangeefster] is op 27 februari 2008 aangifte gedaan van onder meer bedreiging en mishandeling door de verdachte. Deze aangifte houdt onder meer -zakelijk weergegeven- het volgende in.

Op een gegeven moment vond ik het genoeg. Ik had [voornaam verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) al zeker vier of vijf keer gezegd dat zij eruit moest. Ik heb haar vervolgens beetgepakt met mijn arm om haar hals. Ik liep met haar in de richting van de trap. Ik voelde dat zij opzettelijk en met kracht met haar beide hielen raak trapte tegen mijn schenen. Dit deed verschrikkelijk zeer. Ik werd geraakt op beide schenen. Deze zijn nu helemaal rood en blauw. Zij droeg hoge hakken.

Ik liet [voornaam verdachte] los en zag dat zij het pand verliet. Ik hoorde dat [voornaam verdachte] zei: “Je bent hier nog niet klaar mee, kankerhoer. Dikke zeug. Ik maak je kapot”. Ik voel me bedreigd.

A.2

Door [naam betrokkene 2] is op 27 februari 2008 eveneens een verklaring afgelegd . Deze verklaring houdt onder meer -zakelijk weergegeven- het volgende in.

Ik zag dat [voornaam aangeefster] [voornaam verdachte] vastpakte en haar het kantoor probeerde uit te duwen.

[voornaam verdachte] liep vervolgens in de richting van de deur. Ik hoorde dat [voornaam verdachte] tegen [voornaam aangeefster] zei: “Je gaat eraan”.

A.3

De verdachte heeft in verband met voormeld gebeuren op 27 februari 2007 bij de politie een verklaring afgelegd, die – voor zover hier van belang – het volgende inhoudt.

[Voornaam aangeefster] pakte mijn beide armen vast. Ik heb geroepen dat ze mij los moest laten. Ik wilde perse los komen. Ik kon niet loskomen. Ik begon met mijn armen naar achteren te slaan. Ook heb ik geschopt met mijn benen om los te komen.

Ik werd boos. Ik werd het kantoor uitgezet.

Als ik haar raak geschopt heb, heeft ze het verdiend. Ik heb [voornaam aangeefster] voor van alles uitgescholden. Ik was op dat moment zo boos. Daarom heb ik al die dingen gezegd. Ik weet niet meer wat ik heb gezegd. Heel mijn toekomst is verknald door die dikke zeug.

A.4

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte deze verklaring in grote lijnen bevestigd.

B.1

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat zij moet worden vrijgesproken van het onder 1. ten laste gelegde feit. Daartoe is aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat de belastende verklaringen die zijn afgelegd door [naam aangeefster] en [naam betrokkene 2] van het bewijs moeten worden uitgesloten omdat deze vanwege de daarin voorkomende discrepanties ongeloofwaardig zijn.

B.2

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

B.2.1

De verklaringen die [naam aangeefster] en [naam betrokkene 2] bij de politie zijn afgelegd laten op detailpunten weliswaar verschillen zien, maar zij stemmen in de kern, te weten: dat de verdachte bij het verlaten van het pand [naam aangeefster] heeft bedreigd met de dood, overeen.

B.2.2

Uit het onderzoek ter terechtzitting is ook overigens niet van feiten en omstandigheden gebleken op grond waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat de door de aangeefsters afgelegde verklaringen niet overeenkomstig de waarheid zouden zijn.

B.3

Op grond van het vorenoverwogene acht het hof de door voornoemde aangeefsters afgelegde verklaringen geloofwaardig en bezigt het die tot het bewijs.

B.4

Het verweer wordt bijgevolg verworpen.

C.1

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep voorts betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het haar onder 2. ten laste gelegde feit, -zakelijk weergegeven- omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat zij opzettelijk heeft gehandeld.

Het hof verwerpt dit verweer echter aangezien in de evenweergegeven bewijsmiddelen besloten ligt dat de verdachte heeft gehandeld met het voor de bewezenverklaring vereiste opzet.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen (genoemd in de voetnoten), in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof ten laste van verdachte wettig en overtuigend bewezen dat zij:

1.

zij op 27 februari 2008 te Breda [naam aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [achternaam aangeefster] dreigend de woorden toegevoegd :"Ik maak je kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

zij op 27 februari 2008 te Breda opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [naam aangeefster]), tegen het lichaam heeft geschopt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1. bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder 2. bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 300, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

De advocaat-generaal en de raadsman hebben ter terechtzitting in hoger beroep betoogd, dat de verdachte terzake van het onder 2. ten laste gelegde moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat zij heeft gehandeld in een situatie van noodweer als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Daartoe is aangevoerd dat de verdachte zich noodzakelijkerwijs moest verdedigen tegen de wederrechtelijke aanranding van haar lijf door [naam aangeefster], hetgeen zij op proportionele wijze heeft gedaan door deze tegen de benen te schoppen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte zich wederrechtelijk in het kantoor van haar voormalig werkgever bevond door geen gevolg te geven aan de herhaalde vordering van de rechthebbenden te weten: [naam aangeefster] en [naam betrokkene 2], zich uit het pand te verwijderen. [naam aangeefster] heeft vervolgens de verdachte metterdaad uit het pand gezet.

Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat de wijze waarop dat geschiedde, te weten: met een arm stevig om de nek vastgepakt, -alzo in de gegeven omstandigheden niet een proportionele- kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

De volgende vraag is of het bewezen verklaarde handelen van verdachte was geboden ter noodzakelijke verdediging van haar lijf tegen die aanranding.

Dienaangaande acht het hof van belang dat het vastpakken van de verdachte uitsluitend als doel had te bereiken dat zij het kantoor verliet. Daarin ligt besloten, dat – naar ook voor de verdachte duidelijk moet zijn geweest – bedoelde aanranding vanzelf aanstonds tot een einde zou zijn gekomen, zodra zij met [achternaam aangeefster] mee naar buiten zou zijn gelopen. In dat licht voldeden de gewelddadige gedragingen, waarvoor de verdachte heeft gekozen, niet aan de daaraan te stellen eis van subsidiariteit.

Het bewezen verklaarde handelen van verdachte -die de aanranding overigens over zich zelf had afgeroepen door te volharden in haar wederrechtelijk verblijf in het kantoor van [achternaam aangeefster]- was dan ook niet geboden ter noodzakelijke verdediging van haar lijf.

Het hof wijst het betoog van verdediging en openbaar ministerie daarom van de hand.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging en mishandeling van [naam aangeefster], een medewerkster van het bedrijf waarbij zij voorheen had gewerkt.

De eerste rechter heeft de verdachte terzake van de bedreiging van [naam aangeefster] en [naam betrokkene 2] veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 30 uren subsidiair 15 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat het hof de verdachte van het onder 1. ten laste gelegde zal vrijspreken en terzake van het onder 2. ten laste gelegde zal ontslaan van alle rechtsvervolging.

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep (subsidiair) bepleit dat zal worden volstaan met een geheel voorwaardelijke taakstraf.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- het gewelddadig karakter van het bewezen verklaarde en de mate waarin de bewezen verklaarde feiten hebben geleid tot gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffer;

- de mate waarin het bewezen verklaarde heeft geleid tot gevoelens van onveiligheid, pijn en lichamelijk letsel bij het slachtoffer.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 15 april 2009, waaruit blijkt dat zij niet eerder door een strafrechter is veroordeeld, doch wèl tweemaal een transactie heeft voldaan terzake van - kort gezegd - diefstallen;

- de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof acht het niet noodzakelijk dat de verdachte alsnog haar vrijheid zal worden ontnomen en zal haar daarom een taakstraf opleggen.

Gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten acht het hof oplegging van een geheel voorwaardelijke straf zoals door de verdediging is bepleit, geen passende reactie.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen taakstraf heeft het hof acht geslagen op rechterlijke uitspraken met betrekking tot feiten, die met het onderhavige geval (grosso modo) vergelijkbaar zijn.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht het hof oplegging van een werkstraf voor een duur zoals door de eerste is opgelegd alleszins passend en geboden.

Voor het geval de verdachte de taakstraf niet naar behoren vervult, zal het hof bevelen dat aan haar vervangende hechtenis zal worden opgelegd voor de hierna te vermelden duur.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 57, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1. en 2. ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

1. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

2. Mishandeling

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van

30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. A.M.G. Smit, voorzitter,

mr. H.D. Bergkotte en mr. M.A.M. Wagemakers,

in tegenwoordigheid van R.H. Boekelman, griffier,

en op 9 juni 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Wagemakers is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.