Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BI6983

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-06-2009
Datum publicatie
09-06-2009
Zaaknummer
20-003405-08
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BO5237, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BO5237
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2010, 54
Module Verkeer 2009/100
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-003405-08

Uitspraak : 9 juni 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Breda van 12 september 2008 in de strafzaak met parketnummer 02-650759-08 tegen:

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats], [geboorteland] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte zal veroordelen tot een geldboete ter hoogte van EUR 850,00 subsidiair 17 dagen hechtenis, alsmede tot ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 7 maanden met aftrek van de tijd dat het rijbewijs is ingevorderd en ingehouden geweest.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroepen vonnis moet worden vernietigd en de verdachte moet worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 mei 2008 te Oudenbosch, gemeente Halderberge, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,73 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 18 mei 2008 te Oudenbosch, gemeente Halderberge, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,73 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen worden in het geval van beroep in cassatie vermeld in de aanvulling als bedoeld in artikel 365a van het Wetboek van Strafvordering, welke aanvulling in dat geval aan het arrest wordt gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat in de onderhavige zaak sprake is geweest van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, zodat het beroepen vonnis moet worden vernietigd en de verdachte moet worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde.

Daartoe is aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) in strijd met het bepaalde bij artikel 7, tweede lid, van de Regeling bloed- en urineonderzoek niet de sluitzegel en verpakking van het bloedmonster van verdachte heeft vastgesteld.

Uit de ontvangstbevestiging, die op het Rapport van de bloedafname is gesteld, zou hooguit kunnen worden opgemaakt dat bij ontvangst op het N.F.I. de verzegeling van het bloedblok in orde was; voor de verpakking geldt dat echter niet.

Het hof overweegt als volgt.

Artikel 7 van de Regeling bloed- en urineonderzoek luidt:

1. De opsporingsambtenaar zorgt ervoor, dat, indien de korpschef, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Politiewet 1993 of de brigadecommandant van de Koninklijke Marechaussee, een aanvraag doet tot het verrichten van een onderzoek aan een bloed- of urinemonster, de gevulde monsterbuisjes in een verpakking die is voorzien van een sluitzegel, worden bezorgd bij het Nederlands Forensisch Instituut.

2. Het Nederlands Forensisch Instituut stelt de sluitzegel en verpakking, bedoeld in het eerste lid, vast

Blijkens de ter terechtzitting gegeven toelichting stoelt het verweer op het standpunt, dat in het tweede lid van artikel 7 een opdracht aan het N.F.I. besloten ligt om bij ontvangst van het bloedmonster te controleren of dat richtig met een sluitzegel is gesloten en verpakt, zomede om er duidelijk van blijk te geven dat het die contrôle heeft uitgevoerd.

Dat standpunt berust evenwel op een onjuiste uitleg van dat artikellid.

De daarin gegeven bepaling behelst namelijk niet meer dan dat aan het N.F.I. is overgelaten om de vorm en uitvoering van sluitzegels en verpakking te bepalen; een vergelijkbare bevoegdheid als het N.F.I. in de daaraan voorafgaande artikelen 3, eerste lid, 4, eerste lid, 5 eerste lid, en 6, tweede lid, is verleend met betrekking tot onderscheidenlijk het type injectiespuit, het type monsterbuisje alsmede de daarin aan te brengen stof met anti-stol- en conserverende werking, het type urineflesje en het identiteitszegel.

Het hof verwerpt daarom het verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien bij artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 en strafbaar gesteld bij artikel 176, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straffen

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Op grond daarvan acht het hof oplegging van geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Gelet op de beperkte draagkracht van de verdachte zal het hof toestaan dat de op te leggen geldboete in termijnen zal worden voldaan.

Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof voor een duur als hieronder vermeld aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen.

De tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingevorderd of ingehouden is geweest, zal bij eventuele tenuitvoerlegging op de duur van deze bijkomende straf in mindering worden gebracht.

In hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, in het bijzonder de omstandigheid dat de verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk, ziet het hof evenwel aanleiding te bepalen dat deze bijkomende straf voorwaardelijk niet ten uitvoer zal worden gelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24a en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 10 (tien) termijnen van 1 maand, elke termijn groot EUR 100,00 (honderd euro).

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 (negen) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd en ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr. A.M.G. Smit, voorzitter,

mr. H.D. Bergkotte en mr. M.A.M. Wagemakers,

in tegenwoordigheid van R.H. Boekelman, griffier,

en op 9 juni 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Wagemakers is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.