Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BI6353

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
04-06-2009
Zaaknummer
HV 200.018.789
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De man heeft bij de Nederlandse rechter een verzoek ingediend strekkende tot een bijdrage van de vrouw in de kosten van zijn levensonderhoud.

Krachtens de in artikel 2 Brussel I neergelegde algemene hoofdregel is de rechter van het land waar de verweerder zijn woonplaats heeft, bevoegd. Gebleken is dat de vrouw – verweerster in deze procedure – in Italië haar woonplaats heeft. Dit betekent dat de man op grond van artikel 2 Brussel I zijn alimentatieverzoek bij de rechter in Italië aanhangig dient te maken. Vervolgens dient op grond van het interne procesrecht van Italië bepaald te worden, welke rechter relatief bevoegd is.

De man heeft zich in dezen evenwel beroepen op artikel 5 sub 2 Brussel I en stelt dat de rechtbank Maastricht internationaal en tevens relatief bevoegd is van zijn verzoek kennis te nemen.

Het hof is van oordeel dat het onderhavige verzoek van de man weliswaar formeel is gegoten in de vorm van een verzoek aan de vrouw tot betaling van levensonderhoud aan de man, doch dat dit verzoek er materieel (en dus feitelijk) toe strekt om te komen tot een materiële wijziging van de door de man krachtens een eerdere beschikking van de rechtbank Maastricht verschuldigde onderhoudsbijdrage.

In dit verband wijst het hof er met name op dat het bedrag aan levensonderhoud dat de man thans van de vrouw verlangt nagenoeg correspondeert met het bedrag aan levensonderhoud dat de man op zijn beurt thans rechtens aan de vrouw blijkt te zijn verschuldigd

In het licht van de aan artikel 5 sub 2 Brussel I ten grondslag liggende idee kan, mede nu de vrouw de juistheid van de grondslag van het verzoek van de man nadrukkelijk heeft betwist, naar het oordeel van het hof dan ook niet worden gesproken van een daadwerkelijk alimentatieverzoek, maar gaat het om een verkapt wijzigingsverzoek van de kant van de man. Daarvoor is artikel 5 sub 2 Brussel I echter niet in het leven geroepen.

Naar het oordeel van het hof komt de Nederlandse rechter derhalve geen rechtsmacht toe met betrekking tot het door de man gedane verzoek tot betaling van levensonderhoud.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2009/152 met annotatie van I. Curry-Sumner
JIN 2009/517
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

LvL

20 mei 2009

Sector civiel recht

Zaaknummer: HV 200.018.789/01

Zaaknummer eerste aanleg: 131513 / FA RK 08-1154

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[de man],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. J.J.M. Goltstein,

t e g e n

[de vrouw],

wonende te [woonplaats] (Italië),

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M. Moszkowicz jr.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Maastricht van 16 oktober 2008, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie van het hof op 7 november 2008, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De man heeft verzocht die beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de Nederlandse rechter ten deze bevoegd is en (naar het hof begrijpt:) het inleidend verzoek van de man toe te wijzen, althans een zodanige beslissing te geven dat inhoudelijk op (naar het hof begrijpt:) het inleidend verzoek van de man zal worden beslist.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 9 december 2008, heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep van de man bestreden. De vrouw heeft verzocht het appel te verwerpen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, zo nodig onder aanvulling en/of verbetering van gronden.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 april 2009. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- namens de vrouw is mr. N.V.N.J. de Laurente verschenen.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief van 18 maart 2009 van mr. Goltstein met bijlagen.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn 2 augustus 1964 te Oglianico, Italië, met elkaar gehuwd. De tussen hen door de rechtbank Maastricht gegeven echtscheidingsbeschikking van 11 april 1996 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage op 9 januari 1998.

4.2. Bij beschikking van de rechtbank Maastricht van 1 februari 2001 is, voor zover thans van belang, de man veroordeeld om met ingang van 1 januari 1999 een bedrag van ƒ 2.500,- (€ 1.134,45) per maand aan de vrouw te voldoen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. Deze bijdrage beloopt op dit moment ingevolge de wettelijke indexering € 1.393,52 per maand.

4.3. Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Maastricht op 11 juli 2008, heeft de man, kort gezegd, verzocht de vrouw te veroordelen om aan de man met ingang van 1 juni 2006 € 1.500,- per maand te betalen als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud, althans een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht.

4.4. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het verzoek van de man.

De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de man, naar de rechtbank begrijpt, wederom – de man had op 10 december 2007 eenzelfde verzoek gedaan ten aanzien waarvan de rechtbank zich in haar beschikking van 4 maart 2008 onbevoegd verklaarde – een zodanige situatie beoogt te bewerkstelligen dat de door hem ten behoeve van de in Italië woonachtig zijnde vrouw te betalen onderhoudsbijdrage effectief zal worden tenietgedaan, doordat de vrouw zal worden veroordeeld ten behoeve van de man een onderhoudsbijdrage te voldoen die min of meer gelijk is aan haar aanspraak op partneralimentatie zoals die is vastgesteld bij beschikking van de rechtbank Maastricht van 1 februari 2001.

Onder die omstandigheden dient het verzoek van de man naar het oordeel van de rechtbank ook thans te worden aangemerkt als strekkende tot een materiële wijziging van de door de man ten behoeve van de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage, zoals de rechtbank al in haar beslissing van 4 maart 2008 heeft overwogen.

4.5. De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

4.6. De man voert daartoe – kort samengevat – aan dat de rechtbank ingevolge de Verordening (EG) nr 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel I) internationaal bevoegd is kennis te nemen van de verzoeken ter verkrijging van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud indien de verzoeker/alimentatiegerechtigde in Nederland woont, hetgeen in casu het geval is. Meer specifiek heeft de man zich op artikel 5 sub 2 Brussel I beroepen. Ter zitting van het hof heeft de man zich ook beroepen op artikel 22 sub 5 Brussel I. Desgevraagd heeft de man verklaard dat hij niet in Italië wenst te procederen, omdat hij zich benadeeld voelt door zowel de advocatuur als justitie in dat land. Ook heeft de man, daarnaar door het hof gevraagd, verklaard niet te weten of de destijds door de Nederlandse rechter uitgesproken echtscheiding in Italië, alwaar de vrouw woonachtig was en nog steeds is, is erkend en dienaangaande niet over een papier te beschikken waaruit zou blijken dat de echtscheidingsbeschikking in Italië is erkend (met als gevolg dat ook daar het op 2 augustus 1964 in Italië gesloten huwelijk tussen de man en de vrouw zou zijn ontbonden).

4.7. De vrouw is – verkort weergegeven – van mening dat de rechtbank zich terecht en op juiste gronden onbevoegd heeft verklaard. Zij heeft zich, mede gelet op het bepaalde in artikel 24 Brussel I, tijdig op de onbevoegdheid van de Nederlandse rechter ten aanzien van het door de man gedane verzoek beroepen.

4.8. Het hof overweegt als volgt.

4.8.1. In dezen is van toepassing Brussel I. Het betreft een burgerlijke en handelszaak in de zin van artikel 1 Brussel I. In artikel 5 sub 2 wordt voor zover nodig bevestigd dat onderhoudsverplichtingen binnen het materiële toepassingsgebied van Brussel I vallen. Ook temporeel is Brussel I van toepassing. Het verzoek van de man dateert immers van 11 juli 2008, terwijl Brussel I van kracht is sinds 1 maart 2002. Daarmee valt het verzoek van de man binnen het toepassingsbereik van Brussel I (vgl. artikel 66 lid 1). Bovendien betreft het een internationaal geval nu de man in Nederland en de vrouw in Italië woonplaats heeft.

4.8.2. Krachtens de in artikel 2 Brussel I neergelegde algemene hoofdregel is de rechter van het land waar de verweerder zijn woonplaats heeft, bevoegd. Gebleken is dat de vrouw in deze procedure de verweerster is en in Italië haar woonplaats heeft. Dit betekent dat de man op grond van artikel 2 Brussel I zijn alimentatieverzoek bij de rechter in Italië aanhangig dient te maken. Vervolgens dient op grond van het interne procesrecht van Italië bepaald te worden, welke rechter relatief bevoegd is.

4.8.3. De man heeft zich in dezen evenwel beroepen op artikel 5 sub 2 Brussel I. Ingevolge deze bepaling kan een verweerder die zijn woonplaats op het grondgebied van een bij Brussel I aangesloten lidstaat heeft, ter zake van onderhoudsverplichtingen in een andere bij Brussel I aangesloten lidstaat worden opgeroepen. In deze zaak gaat het dan meer in het bijzonder om de bevoegdheid van het gerecht van de plaats waar de tot onderhoud gerechtigde woonplaats heeft. Nu de man levensonderhoud van de vrouw verzoekt en gebleken is dat hij in [woonplaats] woonachtig is, zou dit, de stellingen van de man volgende, betekenen dat in eerste aanleg de rechtbank Maastricht internationaal en tevens relatief bevoegd zou zijn van het verzoek van de man kennis te nemen.

Met de rechtbank Maastricht is het hof evenwel van oordeel dat artikel 5 sub 2 Brussel I in dezen toepassing mist (en er voor het hof dus, uiteindelijk, geen grond bestaat om aan het bepaalde in artikel 76 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gevolg te geven). Daartoe neemt, mede gelet op zowel de inhoud van de in het geding gebrachte stukken als hetgeen tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep naar voren is gekomen, het hof in het bijzonder de hiernavolgende omstandigheden in aanmerking.

4.8.4. De aan artikel 5 sub 2 Brussel I ten grondslag liggende idee is - daargelaten de meer door proceseconomische motieven ingegeven accessoire bevoegdheid van de echtscheidingsrechter - om degene die onderhoud behoeft als de in sociaal en economisch zwakker geachte partij desgewenst in staat te stellen om, in afwijking van de algemene hoofdregel van artikel 2 Brussel I, voor het gerecht van de eigen woonplaats (en daarmee diens leefmilieu) te kunnen procederen (met als gevolg dat er een bijzonder nauw verband bestaat tussen het verzoek van de alimentatiegerechtigde en de rechter die op basis van artikel 5 sub 2 Brussel I wordt geroepen daarvan kennis te nemen). Mede daardoor bespaart degene die behoefte aan betaling van levensonderhoud heeft, de kosten van een – in de regel moeizamere en reeds daardoor in beginsel duurdere – buitenlandse procedure.

4.8.5. Het hof is van oordeel dat het onderhavige verzoek van de man weliswaar formeel is gegoten in de vorm van een verzoek aan de vrouw tot betaling van levensonderhoud aan de man, doch dat dit verzoek, zoals ook de rechtbank Maastricht op goede gronden heeft overwogen welke gronden het hof tot het zijne maakt, er materieel (en dus feitelijk) toe strekt om te komen tot een materiële wijziging van de door de man krachtens de beschikking van de rechtbank Maastricht van 1 februari 2001 verschuldigde onderhoudsbijdrage. In dit verband wijst het hof er met name op dat het bedrag aan levensonderhoud dat de man thans van de vrouw verlangt, te weten € 1500,-, nagenoeg correspondeert met het bedrag aan levensonderhoud dat de man op zijn beurt thans rechtens aan de vrouw blijkt te zijn verschuldigd, te weten € 1488,-. Het gaat dan enerzijds om een bedrag van (in 2008) € 1194,- dat de man krachtens een beslissing van de rechtbank te Turijn van 13 oktober 1994 is verschuldigd en met welke beslissing de rechtbank Maastricht op 1 februari 2001 in haar beschikking rekening heeft gehouden door het op grond van de Italiaanse beslissing uit 1994 aan de vrouw verschuldigde in mindering te laten strekken op, dan wel te laten verrekenen met het bedrag dat de man krachtens de Nederlandse beschikking uit 2001 aan de vrouw als bijdrage in haar levensonderhoud was verschuldigd, en anderzijds om een bedrag van (in 2008) € 294,- dat de man krachtens diezelfde Nederlandse beschikking uit 2001 aan de vrouw vervolgens nog moest bijbetalen ten titel van levensonderhoud, hetgeen opgeteld (in 2008) € 1488,- oplevert, € 2,- minder dus dan het bedrag dat de man thans van de vrouw als bijdrage in zijn levensonderhoud verlangt. In het licht van de aan artikel 5 sub 2 Brussel I ten grondslag liggende idee kan, mede nu de vrouw de juistheid van de grondslag van het verzoek van de man nadrukkelijk heeft betwist, naar het oordeel van het hof dan ook niet worden gesproken van een daadwerkelijk alimentatieverzoek, maar gaat het om een verkapt wijzigingsverzoek van de kant van de man. Daarvoor is artikel 5 sub 2 Brussel I echter niet in het leven geroepen. Daarbij tekent het hof nog aan dat ingevolge de krachtens het Hof van Justitie van de E.G. gevestigde rechtspraak (ook) alternatieve bevoegdheidsbepalingen restrictief moeten worden uitgelegd mede om te voorkomen dat, als gevolg van de opwaartse druk van dergelijke bepalingen, artikel 2 als algemene hoofdregel aan praktische betekenis gaat inboeten. De man zal, nu de bevoegdheid van de Nederlandse rechter dienaangaande niet uit andere bepalingen van Brussel I voortvloeit en de vrouw zich tijdig en uitdrukkelijk op de onbevoegdheid van de Nederlandse rechter heeft beroepen zodat er van een stilzwijgende forumkeuze in de zin van artikel 24 Brussel I evenmin kan worden gesproken, zich ingevolge artikel 2 Brussel I met zijn verzoek tot de rechter in Italië moeten wenden. Dat de man naar eigen zeggen niet in Italië wenst te procederen vanwege, zakelijk geformuleerd, minder goede ervaringen met de advocatuur en magistratuur aldaar, kan aan de weloverwogen structuur en doelstellingen van de bevoegdheidsregeling van Brussel I niet afdoen.

4.8.6. De man heeft zich ter zitting in hoger beroep ook nog op artikel 22 sub 5 Brussel I beroepen. Deze bepaling verleent voor de tenuitvoerlegging van beslissingen de gerechten van de plaats van tenuitvoerlegging exclusieve bevoegdheid. Daargelaten nog dat het ook in het geval van een bepaling als artikel 22 sub 5 om een internationaal geval moet gaan, blijkt uit zowel de in het geding gebrachte stukken als hetgeen ter zitting van het hof naar voren is gekomen geenszins dat hier sprake zou van een executiegeschil zoals bedoeld in artikel 22 sub 5 Brussel I. De man heeft met het oog op de ambtshalve toepassing van deze bepaling dan ook niets rechtens relevants naar voren gebracht.

4.8.7. Naar het oordeel van het hof komt de Nederlandse rechter derhalve geen rechtsmacht toe met betrekking tot het door de man gedane verzoek tot betaling van levensonderhoud.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Maastricht van 16 oktober 2008;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Pellis, Smeenk-van der Weijden en Waaijers, en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2009.