Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BI5701

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-05-2009
Datum publicatie
29-05-2009
Zaaknummer
20-000572-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Elektronische stalking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-000572-08

Uitspraak : 28 mei 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van

6 februari 2008 in de strafzaak met parketnummer 02-800070-07 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1948],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder feit 1, voor zover betrekking hebbend op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (geboren [1960]), onder feit 2, voor zover betrekking hebbend op de brief gedateerd

29 december 2006 en onder feit 5 is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen, behoudens ten opzichte van de opgelegde straf en te dien aanzien opnieuw rechtdoende de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. De raadsman heeft gepleit dat het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren ter zake van feit 2 en de verdachte zal vrijspreken van de feiten 1 en 5.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal

worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te nemen beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – voor zover thans nog aan de orde – ten laste gelegd dat hij:

1.

in of omstreeks de periode van 11 november 2006 t/m 15 januari 2007 te Roosendaal en/of te St. Willebrord, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (geboren [1960]) in elk geval van (een) ander(en), met het oogmerk die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (geboren [1960]) , in elk geval die ander(en) te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij,verdachte, toen aldaar

- die [slachtoffer 1] een (brief-/condoleance)kaart gestuurd met daarop voor die [slachtoffer 1] kwetsende en/of krenkende bewoordingen en/ofzich opgehouden (na)bij de woning en/of de werkplek van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 1] een aantal(kwetsende en/of krenkende) sms-berichten en/of e-mailberichten gestuurd, en/of

- die [slachtoffer 2] (geboren [1960]) een aantal (kwetsende en/of krenkende) sms-berichten en/of e-mailberichten gestuurd en/of een aantal keren gebeld en/of een aantal brieven gestuurd met daarin een foto van genoemde [slachtoffer 1] en/of haar zoon, op welke brief(ven) voor die [slachtoffer 2] en/of voornoemde [slachtoffer 1] kwetsende en/of krenkende bewoordingen waren gesteld;

2.

in of omstreeks de periode van 11 november 2006 t/m 15 januari 2007 te Roosendaal opzettelijk, door middel van verspreiding van (een) geschrift(en), de eer en/of de goede naam van [slachtoffer 1] heeft aangerand door

telastlegging van een of meer bepaalde feiten, (telkens) met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft verdachte (telkens) met voormeld doel de/het navolgende geschrift(en) verspreid, te weten

- een brief (gedateerd 29 december 2006) gestuurd naar [collega] (zijnde een collega van [slachtoffer 1]) waarin (ondermeer) was vermeld: 'Fijne collega heb jij, een slet, een snol, eigenlijk zijn er geen woorden voor, een smerige bedriegster, dat zeker' en/of 'Ook is ze haar zoon nu pertinent kwijt, zelfs geen omgangsregeling, wil toch wat zeggen of niet soms, als een vrouwelijke rechter het totale ouderschap toewijst aan de vader.' en/of 'Het is dus gewoon een hoer, die van het ene in het andere bed springt: alleen worst en poen zijn voor haar interessant, zoniet, kun je vertrekken’ en/of ‘alleen neuken en profiteren en andermans goedheid en geld, dat is haar motto’ en/of voordat je het weet lig je met haar tussen de lakens en geil dat ze dan is, abnormaal lekker, maar de andere dag krijg je een mail, dat het toch allemaal te snel ging en poeiert ze je af, de slet !!’ en/of Gewoon een geile klimgeit, die telkens ook via dating-sites worst zoekt en nogmaals liefst met zoveel mogelijk poen anders tel je niet’ en/of Gewoon een smerige hoer, die zo stopt met werken als die pooier haar verder “onderhoudt”. Dat is haar doel, neuken, geld en niks ervoor doen !!, althans (telkens) woorden van dergelijke aard en/of strekking en op welke brief als afzender stond vermeld: [slachtoffer 2], [adres], [woonplaats];

5.

in of omstreeks de periode van 18 januari 2007 tot en met 1 mei 2007 te Roosendaal en/of St. Willebrord, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (geboren

7 augustus 1960), in elk geval van (een) ander(en), met het oogmerk die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval die ander(en) te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar:

- op/uit naam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ongewenst een aantal advertenties/aanmeldingen op www.relatieplanet.nl (zijnde een datingsite) gezet/gedaan, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] reacties ontvingen in de vorm van (tientallen) e-mails, en/of

- via het internet (www.kaartenhuis.nl) een aantal kaarten naar voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] gestuurd met daarop kwetsende en/of krenkende teksten/bewoordingen, en/of

- die [slachtoffer 1] (middels de post) een aantal kwetsende en/of krenkende brieven en/of kaarten en/of afbeeldingen gestuurd, en/of

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] een groot aantal e-mails gestuurd met daarin kwetsende en/of krenkende bewoordingen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Ter terechtzitting in hoger beroep is namens de verdachte, op gronden zoals verwoord in de overgelegde pleitnotities, bepleit dat ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard zal worden, nu - kort gezegd - door de klachtgerechtigde [slachtoffer 1] ten aanzien van dit feit geen klacht is gedaan en ook overigens niet is gebleken dat [slachtoffer 1] ter zake van dit feit de vervolging van verdachte wenste.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Overeenkomstig hetgeen daaromtrent als evenweergegeven namens de verdachte is bepleit, zal het hof het openbaar ministerie in de strafvervolging met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde niet-ontvankelijk verklaren.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

1.

in de periode van 11 november 2006 t/m 15 januari 2007 te Roosendaal en te St. Willebrord, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (geboren [1960]), met het oogmerk die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (geboren [1960]) te dwingen iets te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar

- die [slachtoffer 1] een condoleancekaart gestuurd met daarop voor die [slachtoffer 1] kwetsende en krenkende bewoordingen en zich opgehouden nabij de woning en de werkplek van die [slachtoffer 1] en

- die [slachtoffer 2](geboren [1960]) een aantal kwetsende en krenkende

e-mailberichten gestuurd en een aantal brieven gestuurd met daarin een foto van genoemde [slachtoffer 1] en/of haar zoon, op welke brieven voor die [slachtoffer 2] en/of voornoemde [slachtoffer 1] kwetsende en krenkende bewoordingen waren gesteld;

5.

in de periode van 18 januari 2007 tot en met 1 mei 2007 te Roosendaal en St. Willebrord, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (geboren [1960]), met het oogmerk die

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te dwingen iets te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar:

- op naam van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ongewenst een aantal advertenties/aanmeldingen op www.relatieplanet.nl (zijnde een datingsite) gezet, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] reacties ontvingen in de vorm van

e-mails, en

- via het internet (www.kaartenhuis.nl) een aantal kaarten naar voornoemde [slachtoffer 1] gestuurd met daarop kwetsende en krenkende teksten en

- die [slachtoffer 2] een groot aantal e-mails gestuurd met daarin kwetsende en krenkende bewoordingen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Ter terechtzitting in hoger beroep is namens de verdachte - op gronden zoals verwoord in de overgelegde pleitnotities - bepleit dat deze van het onder 1 en 5 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken, nu er ten aanzien van beide feiten sprake is geweest van onrechtmatig binnentreden waardoor de daaropvolgende aanhoudingen en inbeslagnames ex artikel 359a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet mogen bijdragen aan het bewijs.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 januari 2007 komt het volgende naar voren. Op 15 januari 2007 zijn de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] in de vroege ochtend aanwezig geweest bij het pand aan de [adres] maar zijn onverrichterzake weggegaan. Enige tijd later werden zij gebeld door de meldkamer dat verdachte [verdachte] telefonisch contact had opgenomen met de meldkamer en dat zij door [verdachte] werden verwacht op het adres [adres]. Hierop zijn de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], gekleed in uniform en in het bezit van een machtiging tot binnentreden en ter inbeslagname, terug gegaan naar de woning van verdachte aan de [adres] te [woonplaats]. De voordeur werd geopend door een manspersoon die bij navraag de verdachte bleek te zijn. Hierop werd verdachte aangehouden op verdenking van stalking. Nadat verdachte was aangehouden, werd hem door de verbalisanten medegedeeld dat zij in opdracht van de officier van justitie de in zijn bezit zijnde computers en mobiele telefoons in beslag dienden te nemen. Hierop hebben de verbalisanten met toestemming van verdachte de woning betreden.

Het hof leidt uit het vorenstaande -nu de verbalisanten dienaangaande niets hebben gerelateerd- af, dat zij zich voorafgaand aan het betreden van de woning niet hebben gelegitimeerd, terwijl artikel 1, eerste lid, van de Algemene wet op het binnentreden dit wel eiste.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat dit verzuim niet dient te leiden tot bewijsuitsluiting. Naar zijn oordeel is dit namelijk – mede gelet op het feit dat verdachte de verbalisanten kon verwachten nadat hij zelf contact had opgenomen met de meldkamer, dezen in uniform gekleed waren, en verdachte ook nog voorafgaand aan het binnentreden is aangehouden en het voor verdachte derhalve duidelijk was dat hij met politie-ambtenaren van doen had – van zodanig geringe aard dat daardoor geen nadeel is veroorzaakt. Om die reden kan worden volstaan met de enkele constatering daarvan.

Uit het verslag van binnentreden d.d. 1 mei 2007 komt het volgende naar voren. Op 1 mei 2007 is verbalisant [verbalisant 3] vergezeld van andere opsporingsambtenaren met een machtiging tot binnentreden, gegaan naar de woning van verdachte aan de [adres] te [woonplaats]. Op aanbellen werd de voordeur geopend door verdachte. Nadat [verbalisant 3] aan verdachte het doel van het binnentreden had medegedeeld en hem vertelde dat hij zou worden aangehouden, reageerde verdachte hierop door te zeggen dat dit hem niet ging gebeuren. Direct hierop wilde verdachte de voordeur dicht gooien. [verbalisant 3] kon dit slechts voorkomen door zijn schouder tegen de voordeur te plaatsen, zodat collega’s verdachte in zijn woning konden aanhouden. Daarna zijn in de woning een personal computer en een laptop in beslag genomen. Voorafgaande aan het binnentreden van de woning heeft [verbalisant 3] zich niet gelegitimeerd en is de machtiging tot binnentreden niet getoond.

Het hof is van oordeel dat het, gelet op de evenweergegeven gang van zaken, voor de verbalisant [verbalisant 3] feitelijk onmogelijk was zich te legitimeren zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Algemene wet op het binnentreden. Derhalve was er geen sprake van een vormverzuim als door de raadsman gesteld.

Het hof verwerpt het verweer.

Ter terechtzitting in hoger beroep is namens de verdachte voorts - op gronden zoals verwoord in de overgelegde pleitnotities - bepleit dat deze van het onder 1 en 5 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Er zou sprake zijn van een complot jegens verdachte. In dat kader is zich ter terechtzitting in hoger beroep standpunt betrokken dat iemand anders met behulp van zijn computer c.q. internet de e-mails heeft verstuurd. Voorts is gesteld dat verdachte gedurende twee weken in de periode dat zijn goederen in beslag waren genomen, te weten van 2 tot en met 16 maart 2007, in het ziekenhuis heeft gelegen, waar hij geen gebruik kon maken van het internet. Ten slotte is er door de verdediging op gewezen dat de kaarten die door [slachtoffer 1] zijn ontvangen op dactysporen zijn onderzocht. Op pagina 80 van het dossier staat vermeld dat op verschillende kaarten kleine fragmenten van dactyloscopische sporen zijn aangetroffen en voor zover dit kon worden bepaald is een aantal van deze fragmenten niet afkomstig van verdachte. Gelet op vorenstaande moet het dus voor mogelijk worden gehouden dat een onbekende derde berichten heeft gestuurd, waarvan het openbaar ministerie denkt dat die afkomstig zijn van verdachte.

Het hof verwerpt ook dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Door het Bureau Digitale Expertise is een aantal afbeeldingen aangetroffen op de computer van verdachte met een aantal regels tekst van zeer kwetsende en beledigende aard, die zijn opgenomen in de hiervoor weergegeven bewezenverklaring. Deze bestanden werden volgens de fysieke inhoud gescand met een HP2400 Serie printer/fax/scanner. Een dergelijk apparaat stond geïnstalleerd op de computer van verdachte. Op de computer van verdachte is voorts een foto aangetroffen die werd gebruikt in eerder genoemde afbeeldingen. Er werden geen sporen aangetroffen waaruit blijkt dat van afstand toegang is verschaft tot de computer van verdachte. Wel was te zien dat vanaf de computer van verdachte werd ingelogd op diverse email adressen die de naam hadden van verdachte. Het wordt door het Bureau Digitale Expertise vrijwel onmogelijk geacht dat zaken zoals voornoemd op afstand op de computer/laptops van verdachte zijn gekomen. Verdachte had namelijk een actuele virusscanner en de nodige bescherming tegen hackers van buitenaf. Na het bouwen van een simulatie bleek dat verdachte veel foto bewerkingssoftware op de computer geïnstalleerd had. Het starten van deze software gaf, zonder ingrijpen van de gebruiker, meteen een aantal genoemde afbeeldingen weer.

Gelet op vorenstaande acht het hof de stelling dat een derde de betreffende handelingen heeft gepleegd onaannemelijk.

De stelling ten slotte dat verdachte van 2 tot en met 16 maart 2007 in het ziekenhuis heeft gelegen, waar hij geen gebruik kon maken van het internet, is niet met onderliggende stukken gestaafd. Daarbij komt dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte vanuit een ziekenhuis, al dan niet met een laptop, in het geheel niet in de gelegenheid zou zijn geweest om via het internet berichten te verzenden.

Het gedeelte van het verweer nopens op kaarten aangetroffen dactysporen behoeft geen bespreking nu de verdachte van het betreffende onderdeel der tenlastelegging is vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder 1 en 5 is telkens voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof heeft voor wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen – grosso modo – vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- het uitzonderlijk vileine karakter van de bewezen verklaarde feiten;

- de mate waarin het bewezen verklaarde bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] persoonlijk leed teweeg heeft gebracht, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken;

- de omstandigheid dat verdachte het kind van [slachtoffer 1] in zijn uitingen heeft betrokken en de lichamelijk gebreken van die [slachtoffer 1] breed heeft uitgemeten;

- de omstandigheid dat verdachte nadat hij van 15 januari 2007 tot en met 18 januari 2007 in verzekering had doorgebracht het plegen van de hiervoor bewezen verklaarde feiten heeft voortgezet, kennelijk met geen andere bedoeling dan het kwetsen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft het hof acht geslagen op de door Dr. A.J.W.M. Trompenaars, psychiater d.d. 4 februari 2009 en Drs. J.F.L.M. van Kemenade, gezondheidspsycholoog, d.d. 5 februari opgemaakte rapporten.

Op grond van het vorenstaande acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden in beginsel een passende straf.

In de omstandigheid dat verdachte, blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 24 maart 2009 niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld, ziet het hof aanleiding om van voornoemde straf een deel voorwaardelijk op te leggen. Hierdoor wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Alles overziende acht het hof, in afwijking van hetgeen door de advocaat-generaal is gevorderd en van hetgeen door de raadsman is bepleit, een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, passend en geboden.

Schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van 4.769,- euro. De vordering van de benadeelde partij bestaat uit een post immateriële schade ad 2.150,- euro en een post materiële schade ad 1.429,- euro. De benadeelde partij heeft voorts kosten van rechtsbijstand tot een bedrag van 1.190,- euro gevorderd.

De vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van 2.150,- euro (de immateriële schade). De post materiële schade heeft betrekking op de bij de inleidende dagvaarding ten laste gelegde feiten 3 en 4. Van deze feiten is verdachte in eerste aanleg vrijgesproken. Reden waarom de rechtbank de benadeelde partij met betrekking tot deze post niet-ontvankelijk heeft verklaard in de vordering. De door de benadeelde partij gevorderde kosten van rechtsbijstand ad 1.190,- euro zijn door de rechtbank aan de hand van het puntensysteem geliquideerde proceskosten bij de kantongerechten tot een bedrag van 135,- euro toegewezen.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering en de niet toegewezen proceskosten.

De benadeelde partij [slachtoffer 1] kan niet in haar vordering worden ontvangen voor zover deze betrekking heeft op de post materiële schade, nu de feiten waarop deze schade zou zijn veroorzaakt niet meer aan het oordeel van het hof zijn onderworpen en de daarop betrekking hebbende schade derhalve ook niet. Het hof zal de benadeelde partij [slachtoffer 1] daarom ten aanzien van de post materiële schade niet-ontvankelijk verklaren.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij

[slachtoffer 1] als gevolg van verdachtes onder 1 en 5 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet ook aanleiding om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te wijzen op grond van het bepaalde in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering. Voor de vaststelling van die vergoeding hanteert het hof, evenals de rechtbank, het ‘liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven’ als uitgangspunt.

Het hof ziet tevens aanleiding ter zake de maatregel van artikel 36f van Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van 2.150,- euro. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van 1.000,- euro.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij

[slachtoffer 2] als gevolg van verdachtes onder 1 en 5 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Voor het overige is de vordering naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. In zoverre kan de benadeelde partij daarom in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet tevens aanleiding ter zake de maatregel van artikel 36f van Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

En ten aanzien van elk van de civiele vorderingen en schadevergoedingsmaatregelen

Het hof zal bepalen dat indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 57 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1 en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1 en 5 bewezen verklaarde telkens oplevert:

Belaging, meermalen gepleegd.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) maanden, niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [slachtoffer 1], wonende te [adres], [woonplaats], aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 2.150,- (tweeduizend honderd vijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 31 (eenendertig) dagen hechtenis.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor een bedrag van EUR 2.150,- (tweeduizend honderdvijftig euro) toe en verklaart die voor het overige niet-ontvankelijk.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd te betalen een bedrag van EUR 2.150,- (tweeduizend honderdvijftig euro).

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [slachtoffer 1] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op

EUR 135,-.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [slachtoffer 2], wonende te [adres], [woonplaats], aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 1.000,- (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor een bedrag van EUR 1.000,- (duizend euro) toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd te betalen een bedrag van EUR 1.000,- (duizend euro).

Verklaart de benadeelde partij, [slachtoffer 2], in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [slachtoffer 2] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

En ten aanzien van elk van de beslissingen op de civiele vorderingen en de schadevergoedingsmaatregelen

Het hof bepaalt dat indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. H.D. Bergkotte, voorzitter,

mr. K.J. van Dijk en mr. A.M.G. Smit,

in tegenwoordigheid van mr. C.C. Lemmers, griffier,

en op 28 mei 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.