Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BI5674

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-05-2009
Datum publicatie
29-05-2009
Zaaknummer
20-004687-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot afpersing in vereniging. Betrouwbaarheid en geloofwaardigheid verklaring van aangever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-004687-08

Uitspraak : 28 mei 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 25 november 2008 in de strafzaak met parketnummer 02-800895-08 tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [1988],

thans verblijvende in PI Tilburg, HvB Koning Willem II te Tilburg.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte voor het hem ten laste gelegde feit zal veroordelen tot een gevangenisstraf van twintig maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Door de verdediging is vrijspraak van de gehele tenlastelegging bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 1 augustus 2008 te Tilburg ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld of bedreiging met geweld [slachtoffer/aangever] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld en/of een hoeveelheid hennep, althans verdovende middelen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer/aangever] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,

en/of

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een hoeveelheid geld en/of een hoeveelheid hennep, althans verdovende middelen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer/aangever], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer/aangever], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

met dat oogmerk tezamen en in vereniging met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen

- de woning van die [slachtoffer/aangever] is binnengegaan en/of

- die [slachtoffer/aangever] (op korte afstand) een pistool, althans een op een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen de hals en/of rug van die [slachtoffer/aangever] heeft gedrukt en/of vervolgens

- meermalen, althans eenmaal, tegen die [slachtoffer/aangever] heeft gezegd: “Mond dicht want we schieten je kapot. Het pistool is geladen. We willen wiet en geld”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,

terwijl de uitvoering van dat/ die voorgenomen misdrijf/misdrijven niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 1 augustus 2008 te Tilburg ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer/aangever] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld en een hoeveelheid hennep, toebehorende aan die [slachtoffer/aangever],

met dat oogmerk tezamen en in vereniging met zijn mededaders

- de woning van die [slachtoffer/aangever] is binnengegaan en

- die [slachtoffer/aangever] op korte afstand een pistool tegen de hals en rug van die [slachtoffer/aangever] heeft gedrukt en

- tegen die [slachtoffer/aangever] heeft gezegd: “Mond dicht want we schieten je kapot. Het pistool is geladen. We willen wiet en geld”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Namens verdachte is ten verweer betoogd dat hij moet worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd is dat de aangifte van [slachtoffer/aangever] - het belangrijkste bewijsmiddel in deze zaak - ongeloofwaardig is, gezien een aantal in de pleitnota nader omschreven feiten en omstandigheden. Met uitsluiting van de verklaring van [slachtoffer/aangever], zou volgens de verdediging onvoldoende bewijs resteren voor verdachtes betrokkenheid bij afpersing dan wel diefstal met geweld, zoals ten laste is gelegd.

Het hof overweegt dienaangaande op grond van de evenbedoelde bewijsmiddelen als volgt.

De verklaring van aangever vindt onder andere steun in de verklaring van [getuige], die inhoudt dat zij in de vroege ochtend van 1 augustus 2008 telefonisch contact had met aangever, dat zij op een gegeven moment hoorde dat bij aangever de deurbel ging en dat zij het idee had dat er iets aan de hand was. [getuige] hoorde dat iemand “Hou je bek!” zei en vervolgens hoorde zij gestommel.

Voorts wordt het standpunt van aangever, voor zover inhoudend dat er in zijn huis iets gaande was waarmee hij niet instemde, ondersteund door hetgeen twee verbalisanten hebben verklaard omtrent hun eigen waarnemingen toen zij bij de woning van aangever aankwamen. Volgens de verbalisanten vertoonde aangever raar gedrag. Hij knipoogde in de richting van de verbalisanten en hij maakte een beweging met zijn hoofd alsof hij de verbalisanten wilde wenken of op iets wilde attenderen. Het hof kan het door de verbalisanten omschreven gedrag van aangever niet rijmen met het door verdachte gesuggereerde vriendschappelijke samenzijn op verzoek van de aangever ten behoeve van het bewerken van een hoeveelheid hennep. In tegendeel leidt het hof uit het door verbalisanten waargenomen gedrag van de aangever af dat deze de komst van de politie en doordien de ontdekking van de in zijn woning aanwezige hennep prefereerde boven het voortduren van de situatie waarin hij zich bevond.

Ten slotte vindt de verklaring van aangever, voor zover inhoudend dat door verdachte en zijn medeverdachten een pistool is gebruikt, bevestiging in de omstandigheid de ouders van aangever daags na het tenlastegelegde feit, bij het opruimen van diens woning, een pistool hebben aangetroffen. [slachtoffer/aangever] heeft verklaard dat dat hem niet toebehoorde.

Met betrekking tot de verklaringen van verdachte heeft daarentegen het volgende te gelden. Allereerst heeft hij geen bevredigende verklaring gegeven voor het opmerkelijke tijdstip, volgens eigen zeggen gelegen tussen 05.00 en 05.15 uur, waarop hij aangever heeft bezocht. Zijn stelling, dat hij dat deed ingevolge een enige tijd eerder met aangever gemaakte afspraak, is door deze van de hand gewezen.

Evenmin heeft hij een bevredigende verklaring gegeven voor de omstandigheid dat in de nacht van 31 juli 2008 op 1 augustus 2008 meerdere malen telefonisch contact is gezocht met zijn mobiele telefoon vanaf telefoonnummers die in gebruik waren bij medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2].

In het licht van verdachtes stelling dat hij die medeverdachten vóór hun ontmoeting in de woning van aangever hooguit wel eens had gezien, maar verder niet kende, vroegen die omstandigheid, alsmede het feit dat de telefoonnummers van die medeverdachten ook waren opgeslagen in de mobiele telefoon van verdachte, wel degelijk om uitleg.

Ten slotte heeft verdachte geen bevredigende verklaring kunnen geven voor zijn ter terechtzitting in hoger beroep betrokken stelling dat hij en zijn drie medeverdachten in het huis van aangever aanwezig waren om deze tegen betaling te helpen bij het verpakken van hennep. Uitleg daaromtrent zou wel dienstig zijn geweest, in aanmerking genomen dat dat verpakken niet anders inhield dan het vullen van vier vuilniszakken met hennep, een werkje dat aangever zonder moeite -en zonder betaling aan derden- in korte tijd zelf kon verrichten.

Gelet op het hierboven overwogene acht het hof de verklaringen van aangever -zulks in tegenstelling tot de verklaringen van verdachte - betrouwbaar en geloofwaardig.

De omstandigheid dat de verklaringen van de aangever op detailpunten wellicht onjuistheden bevatten, kan daaraan niet afdoen; de aangever is immers, ook als getuige in hoger beroep, in de kern is gebleven bij zijn tegenover de politie afgelegde verklaringen, te weten: dat verdachte en zijn medeverdachten hem niet op zijn verzoek hebben bezocht om hem te helpen bij het knippen dan wel verpakken van hennep, maar dat zij hem integendeel onder bedreiging van geweld getracht hebben te bewegen tot afgifte van geld en hennep

Het namens verdachte aangevoerde argument, dat niet alleen hij maar ook zijn drie medeverdachten het tenlastegelegde delict ontkennen, kan dat niet anders maken.

Het hof verwerpt het verweer dan ook en bezigt de verklaringen van aangever voor het bewijs.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 317, eerste lid en derde lid, iunctis de artikelen 312, tweede lid, aanhef en onder 2, en 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof heeft voor wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen – grosso modo – vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd. Aan de hand daarvan zou het oplegging van een gevangenisstraf van twee jaren passende reactie achten op een voltooide afpersing waarbij gebruik is gemaakt van een wapen.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft het hof acht geslagen op het door de Stichting “Een nieuw begin” op 10 mei 2009 opgemaakt rapport betreffende verdachte.

De onderhavige strafzaak kenmerkt zich door een aantal strafverzwarende omstandigheden, te weten:

- de omstandigheid dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen de ten laste gelegde handelingen heeft gepleegd;

- de omstandigheid dat verdachte eerder ter zake gewelds- en vermogenscriminaliteit is veroordeeld;

- de omstandigheid dat verdachte, blijkens zijn halsstarrige ontkenning van het ten laste gelegde, ervan blijk heeft gegegeven zich in het geheel niet bewust te zijn van de laakbaarheid van zijn handelen.

Voornoemde omstandigheden zouden het hof, ingeval er sprake zou zijn geweest van een voltooide afpersing, ertoe hebben gebracht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van dertig maanden op te leggen. Nu het in casu bij een poging tot afpersing is gebleven, acht het een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twintig maanden passend en geboden. De door en namens de verdachte aangevoerde persoonlijke omstandigheden geven het hof geen aanleiding om deze straf te matigen.

Met een andere of lichtere sanctie dan voornoemde straf kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 45, 63, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Poging tot afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr. H.D. Bergkotte, voorzitter,

mr. A.M.G. Smit en mr. M.A.M. Wagemakers,

in tegenwoordigheid van mr. R. van den Munckhof, griffier,

en op 28 mei 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.