Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BI4811

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-03-2009
Datum publicatie
25-05-2009
Zaaknummer
07/00438
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BL4329, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BL4329
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft een rekening-courantvordering op haar dga renteloos gemaakt in het kader van het vaststellen van diens beloningspakket als directeur. De dga, die de verstrekte gelden voor privé-doeleinden heeft aangewend, heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting een rentevoordeel als inkomen uit werk en woning aangegeven ter grootte van 5,25% over het uitstaande saldo van de vordering. In geschil is of belanghebbende het rentebedrag als loonkosten ten laste van haar fiscale winst mag brengen. Het hof overweegt dat het afzien van rente op een vordering in het kader van de arbeidsbeloning van de dga tot gevolg heeft dat deze rente niet tot de winst van belanghebbende kan worden gerekend. Daarnaast is volgens het hof ter zake geen ruimte voor een aftrekpost. Ook is geen sprake van een informele kapitaalstorting door de dga. Daarvoor is immers vereist dat de vennootschap waarin het kapitaal wordt gestort, wordt verrijkt. Daarvan is hier geen sprake: het is niet de dga die belanghebbende een voordeel doet toekomen, maar het is belanghebbende die haar dga bevoordeelt door van rentebetaling op haar vordering af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/36.1.3
FutD 2009-1154
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

derde meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 07/00438

Uitspraak op het hoger beroep van

X B.V.

te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 26 juli 2007, nummer AWB 06/3876 in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 3.126.994, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een naar een belastbaar bedrag van € 3.116.620.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 281.

Bij uitspraak van 26 juli 2007, nr. AWB 06/3876, heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 428.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 28 november 2008 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.6. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2. Feiten

De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

2.1. Belanghebbende heeft per 1 januari 2001 een op dat moment bestaande rekenening-courantvordering op haar directeur/grootaandeelhouder in het kader van het vaststellen van diens beloningspakket als directeur renteloos gemaakt. De in rekening-courant verstrekte gelden zijn door de directeur/grootaandeelhouder aangewend voor consumptieve bestedingen, dan wel voor privé-beleggingen.

2.2. Ter zake van deze renteloze lening is door de directeur/grootaandeelhouder in zijn aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2001 een rentevoordeel als inkomen uit werk en woning aangegeven ter grootte van 5,25% over het uitstaande saldo van de vordering, hetgeen uitkwam op € 16.945.

2.3. Belanghebbende heeft het rentebedrag ad € 16.945 in haar aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2001 als loonkosten ten laste van haar fiscale winst gebracht.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of het bij de directeur/grootaandeelhouder van belanghebbende in aanmerking genomen voordeel ter grootte van de over haar vordering op haar directeur/grootaandeelhouder niet bedongen rente bij belanghebbende als arbeidsbeloning van haar directeur ten laste komt van haar fiscale winst.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondheid van het beroep, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur en tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van € 3.099.675.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Het afzien van rente op een vordering van belanghebbende op haar directeur/grootaandeelhouder in het kader van diens arbeidsbeloning heeft tot gevolg dat deze rente niet tot de winst van belanghebbende kan worden gerekend. Daarnaast is, anders dan belanghebbende stelt, ter zake hiervan geen ruimte voor een aftrekpost.

4.2. De stelling dat als gevolg van het renteloos maken van de vordering sprake is van een informele kapitaalstorting door de directeur/grootaandeelhouder is onjuist. Voor een informele kapitaalstorting is vereist dat de vennootschap waarin het kapitaal wordt gestort, daardoor wordt verrijkt. Dat doet zich hier niet voor. In deze situatie is het niet de directeur/grootaandeelhouder die belanghebbende een voordeel doet toekomen, doch is het belanghebbende die haar directeur/grootaandeelhouder bevoordeelt door van rentebetaling op haar vordering op hem af te zien.

4.3. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep ongegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.4. Het Hof is van oordeel, dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten, dat de Staat aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.5. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep ongegrond en

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 27 maart 2009 door R.J. Koopman, voorzitter, N. van Beelen en J.W. Zwemmer, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.