Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BI4808

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-03-2009
Datum publicatie
25-05-2009
Zaaknummer
07/00210
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft op 17 november 2003 een verzoek gedaan om toekenning van een energiepremie ter zake van de aanschaf van een aantal voorzieningen in zijn nieuwbouwwoning. De aannemingsovereenkomst is tot stand gekomen in het jaar 2002. De laatste betaling ter zake van de voorzieningen heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2003. Met ingang van 1 januari 2003 is de regeling inzake energiepremies gewijzigd. Voor de nieuwe regeling komt belanghebbende niet in aanmerking omdat de overeenkomsten zijn aangegaan in 2002. De oude regeling is ook niet van toepassing omdat de voorzieningen pas op 1 augustus zijn aangeschaft (betaald). Vaststaat evenwel dat belanghebbende recht zou hebben gehad op energiepremie indien de oude of de nieuwe regeling doorlopend en zonder onderbreking van toepassing zou zijn geweest. Het hof constateert dat de betreffende regimes niet correct op elkaar aansluiten en dat belanghebbende daar de dupe van dreigt te worden. Belanghebbende wordt onevenredig in zijn belangen getroffen. Het hof wijst de zaak dan ook voor een inhoudelijke beoordeling, op basis van de voor het jaar 2002 geldende regeling, terug naar de inspecteur, die overigens weigerde op de zitting te verschijnen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Eerste meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 07/00210

Schriftelijke uitspraak op het hoger beroep van

de heer X, wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 1 maart 2007, nummer AWB 06/464, in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende een voor bezwaar vatbare beschikking inzake energiepremie.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Belanghebbende heeft met dagtekening 17 november 2003 een aanvraag voor toekenning van energiepremie ingediend bij het energiebedrijf waarbij hij was aangesloten. Dit energiebedrijf, dat de aanvraag op 18 november 2003 heeft ontvangen, heeft de premieaanvraag op 30 maart 2004 afgewezen. Daarop heeft belanghebbende met dagtekening 4 mei 2004, respectievelijk 6 mei 2004, een verzoek om een nader oordeel ingediend bij de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke ordening en Milieubeheer (hierna: VROM). Bij besluit van 28 juli 2004 heeft de minister van VROM geoordeeld dat belanghebbende geen recht heeft op energiepremie. Het tegen dit besluit, voor zover betrekking hebbend op na te melden warmtepompsysteem, door belanghebbende ingediende bezwaar is bij besluit van de minister van VROM van 19 januari 2005 ongegrond verklaard. Tegen dit laatste besluit heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Raad van State. Bij uitspraak na vereenvoudigde behandeling van 6 september 2005, nr. 200501886/2, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) het beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de Afdeling onder meer verstaan dat de minister van VROM de aanvraag om energiepremie op grond van de Regeling Energiepremie 2002 en het daarop betrekking hebbende dossier met toepassing van artikel 2:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) zal doorzenden aan het op grond van die regeling bevoegde bestuursorgaan. Belanghebbende heeft tegen deze laatste uitspraak verzet aangetekend. Bij uitspraak van 28 november 2005, nr. 20051886/3, heeft de Afdeling het verzet ongegrond verklaard. In deze uitspraak overwoog de Afdeling onder meer dat zij in haar uitspraak van 6 september 2005 geen oordeel heeft gegeven over de toepassing van de energiepremieregeling zoals die gold voorafgaand aan de Tijdelijke regeling energiepremies 2003, omdat niet zij, maar de belastingrechter, bevoegd is daarover te oordelen.

1.2. Bij brief van 8 november 2005 heeft de Inspecteur aan belanghebbende bericht dat hij de eerdervermelde aanvraag van belanghebbende aanmerkt als een bezwaarschrift en op 15 december 2005 heeft de Inspecteur bij uitspraak besloten om niet aan het bezwaar tegemoet te komen.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 38,=.

1.4. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 106,=. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. De zitting heeft plaatsgehad op 23 april 2008 te

's-Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen en gehoord belanghebbende.

1.6. De Inspecteur is niet ter zitting verschenen. Bij brief van 14 april 2008 heeft hij, zonder nadere toelichting, medegedeeld dat er in deze zaak namens de Belastingdienst/Z geen vertegenwoordiger zal verschijnen op de zitting. Op 18 april 2008 heeft de griffier de Inspecteur op verzoek van de voorzitter telefonisch in overweging gegeven om ter zitting te verschijnen in verband met het bepaalde in paragraaf 13 van het Besluit beroep belastingzaken 2005, onder meer gepubliceerd in BNB 2006/44, en het antwoord van de staatssecretaris van Financiën op kamervragen weergegeven in diens brief van 13 september 1995, nr. AFZ95/3199U, V-N 1995/3286. Daarop heeft de Inspecteur bij brief van 21 april 2008, bij het Hof binnengekomen op 22 april 2008, het volgende aan de griffier bericht: "Naar aanleiding van ons telefonisch contact van afgelopen vrijdag bevestig ik u bij deze dat er geen vertegenwoordiger van de Belastingdienst aanwezig zal zijn bij de zitting van woensdag 23 april 2008. De reden is dat de Energiepremieregeling reeds per 1 januari 2003 is beëindigd en dat in overleg met de teamleider is besloten geen zittingen meer bij te wonen m.b.t. deze regeling.".

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en de geloofwaardige verklaringen van belanghebbende ter zitting stelt het Hof de volgende feiten vast:

2.1. Bij besluit van 4 juni 2002, verzonden op 6 juni 2002, heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Deurne aan belanghebbende vergunning verleend tot het slopen van het woonhuis gelegen aan de A-straat te Y (sloopvergunning) en tot het aldaar vervolgens oprichten van een nieuw woonhuis met garage (bouwvergunning). De overeenkomst tot aanneming van de bouw van het nieuwe woonhuis is totstandgekomen in het jaar 2002. Op grond van die overeenkomst zijn in dat woonhuis onder meer de volgende voorzieningen (hierna: de voorzieningen) aangebracht:

- 166 m2 vloerisolatie

- 305 m2 spouwmuurisolatie

- 44,4 m2 HR++ glas

- een warmtepompboiler, en

- een individuele warmtepomp.

Het nieuwe woonhuis is tussen 1 augustus 2003 en 18 november 2003 opgeleverd. De laatste betaling(en) ter zake van de voorzieningen heeft (hebben) plaatsgevonden op of na 1 augustus 2003.

2.2. Bij de onder 1.1 bedoelde aanvraag van 17 november 2003 heeft belanghebbende ter zake van de aanschaf van de voorzieningen aanspraak gemaakt op energiepremies tot een bedrag van in totaal € 7.107,=.

2.3. In zijn besluit van 5 december 2002, nr. CPP2002/3625M, (hierna: het Besluit) heeft de staatssecretaris van Financiën onder meer het volgende opgenomen:

"2. Wanneer recht op energiepremie

De energiepremie wordt toegekend voor de aanschaf van energiezuinige apparaten of energiebesparende voorzieningen. Onder aanschaf wordt verstaan het door koop volledig in eigendom krijgen van het apparaat of de voorziening. Dit betekent dat het apparaat of de voorziening ook geleverd moet zijn; op het moment van levering wordt immers pas de volledige eigendom verkregen. Wordt het apparaat of de voorziening dus in 2003 geleverd, dan komt men derhalve niet meer in aanmerking voor de energiepremie op basis van de Epr 2002.

Onverkort vasthouden aan dit standpunt, zou bijvoorbeeld betekenen dat men voor een A-label apparaat dat in de laatste week van december 2002 wordt gekocht en dat door eindejaarsdrukte pas in januari 2003 wordt geleverd, geen aanspraak kan maken op de energiepremie op basis van de Epr 2002.

Ik acht dit ongewenst en mede gezien het feit dat het ook om uitvoeringstechnische redenen doelmatiger is om aan te sluiten bij de koopovereenkomst, heb ik besloten goed te keuren dat als de koopovereenkomst is gesloten in 2002, maar het apparaat of de energiebesparende voorziening in het eerste kwartaal 2003 wordt geleverd, een energiepremie wordt toegekend, mits het verzoek daartoe in het eerste kwartaal van 2003 is ingediend. Uiteraard kan de aanvraag pas worden ingediend indien het apparaat of de voorziening is geleverd en het is aangebracht en in gebruik is genomen.

3. Goedkeuring

Gelet op het vorenstaande keur ik goed dat de energiebedrijven op de REB die is verschuldigd ter zake van de levering van aardgas en elektriciteit een vermindering mogen toepassen ter zake van de bedragen die zij - met toepassing van de Epr 2002 - hebben uitgekeerd ten behoeve van de aanschaf van niet eerder gebruikte energiezuinige apparaten of energiebesparende voorzieningen waarvoor in 2002 de koopovereenkomst is gesloten, maar in 2003 de levering heeft plaatsgevonden, onder de volgende cumulatieve voorwaarden:

- de energiezuinige apparaten of energiebesparende voorzieningen zijn binnen dertien weken na 31 december (dus vóór 2 april) geleverd en in gebruik genomen resp. aangebracht;

- het verzoek om toekenning van een energiepremie is uiterlijk binnen dertien weken na 31 december (dus vóór 2 april) bij het energiebedrijf ingediend;

- er is of wordt geen verzoek gedaan in het kader van de VROM-regeling die in 2003 van toepassing is.

Volledigheidshalve merk ik nog op dat de onderhavige goedkeuring alleen betrekking heeft op apparaten en energiebesparende voorzieningen die in 2002 zijn gekocht, maar waarvan de levering in het eerste kwartaal van 2003 plaatsvindt. Heeft de levering al in 2002 plaatsgevonden, dan gelden uiteraard de normale regels en begint de termijn van 13 weken waarbinnen het verzoek om premie moet zijn ingediend, vanaf die datum in 2002 te lopen.

Vindt de levering op of na 2 april 2003 plaats of wordt het verzoek op of na deze datum ingediend, dan geldt de VROM-regelgeving en moet worden nagegaan of men op basis daarvan in aanmerking komt voor een energiepremie.".

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende terecht geen energiepremie is toegekend ter zake van de onder 2.1 genoemde warmtepompboiler en individuele warmtepomp.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun evenvermelde standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting heeft belanghebbende hieraan nog het volgende, samengevat weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

Op de fundamenten van de oude woning is de nieuwe woning gebouwd. Het pand is eind 2003 voltooid. Het overgangsrecht houdt in dat belanghebbende voor 1 april 2003 een aanvraag moest indienen. Dat kon niet, omdat de woning toen nog niet gereed was. Het overgangsrecht is onbillijk. Gelet op de omstandigheid dat de bouwvergunning is afgegeven na 31 december 1997 wordt geen aanspraak gemaakt op energiepremies ter zake van de vloerisolatie, de spouwmuurisolatie en het HR++ glas. Het door belanghebbende tegen het onder 1.1 vermelde besluit van de minister van VROM van 28 juli 2004 gemaakte bezwaar heeft ook alleen betrekking op het warmtepompsysteem. Materieel is aan de voorwaarden voldaan. De stukken die dit aantonen zijn er wel, maar deze zijn nooit inhoudelijk beoordeeld. Voor de vergoeding van proceskosten wordt geclaimd € 2.548,98.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de Inspecteur en terugwijzing van de zaak naar de Inspecteur. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

4.1. Met ingang van 1 januari 2003 is de regeling inzake energiepremies gewijzigd. Tot die datum berustte de regeling inzake energiepremies op het bepaalde in afdeling 9 van Hoofdstuk VA van de Wet belastingen op milieugrondslag. Bij artikel XVA, onderdeel C, van de Wet van 12 december 2002, Stb. 615 (Belastingplan 2003, deel 1), is genoemde afdeling 9 komen te vervallen. In het Koninklijk Besluit van 13 december 2002, Stb. 637, is bepaald dat het eerdergenoemde artikel XVA in werking treedt met ingang van 1 januari 2003. Met ingang van 1 januari 2003 worden energiepremies toegekend door de minister van VROM op basis van artikel 15.13, eerste lid, van de Wet milieubeheer en de Tijdelijke regeling energiepremies 2003, Stcrt. 2002, 248.

4.2. Volgens de tot 1 januari 2003 geldende regeling kon een verzoek om toekenning van energiepremie worden ingediend ter zake van de aanschaf van een apparaat of voorziening. Zoals de Rechtbank terecht heeft overwogen, volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 16 september 2005, nr. 40 516, onder meer gepubliceerd in BNB 2005/357, dat een voorziening is aangeschaft op het tijdstip waarop deze is aangebracht en volledig is betaald. Belanghebbende heeft de voorzieningen, waaronder de warmtepompboiler en de individuele warmtepomp, pas op of na 1 augustus 2003 volledig betaald.

4.3. Volgens de vanaf 1 januari 2003 geldende regeling, geldt deze regeling in beginsel voor eigendomsverkrijgingen door levering krachtens in het kalenderjaar 2003 met een leverancier gesloten koopovereenkomsten. Daarnaast is in de met ingang van 16 oktober 2003 van kracht geworden Regeling intrekking en overgangsbepalingen Tijdelijke regeling energiepremies 2003 (hierna: de Intrekkingsregeling) bepaald dat de minister van VROM een aanvraag kan toewijzen als de overeenkomst is gesloten in 2002 en het indienen van de aanvraag als gevolg van omstandigheden die in redelijkheid niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen niet heeft plaatsgehad vóór 2 april 2003, voor zover het niet toewijzen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Bij de beoordeling van de vraag of de aanvraag eerst na 1 april 2003 kon worden ingediend als gevolg van in redelijkheid niet aan de aanvrager toe te rekenen omstandigheden, is blijkens de toelichting op de Intrekkingsregeling onder meer van belang of de aanvrager heeft of had kunnen voorzien dat een in 2002 gesloten koopovereenkomst niet vóór 2 april 2003 zou worden gevolgd door een levering. De Afdeling heeft in haar onder 1.1 vermelde uitspraak van 6 september 2005 geoordeeld dat nu de trage afhandeling van het verzoek om een bouwvergunning voor belanghebbendes rekening dient te komen, omdat belanghebbende er niet zonder meer vanuit mocht gaan dat de bouwvergunning zonder vertraging zou worden verleend, er geen grond bestaat voor het oordeel dat de niet tijdige indiening van de aanvraag niet aan belanghebbende kan worden toegerekend.

4.4. Bij de beoordeling van het geschil stelt het Hof voorop dat belanghebbende recht zou hebben gehad op energiepremie ter zake van ten minste een deel van de voorzieningen, indien ofwel de oude, tot 1 januari 2003 geldende, regeling, ofwel de nieuwe, met ingang van die datum geldende, regeling doorlopend en zonder onderbreking van toepassing zou zijn geweest. De lange tijdspanne tussen het sluiten van de koop/aanneemovereenkomst(en) en de feitelijke oplevering en betaling zou hem in dat geval niet zijn tegengeworpen. Voorts is van belang dat de parlementaire geschiedenis ter zake van de intrekking van de oude en de invoering van de nieuwe regeling geen aanwijzing bevat dat de wetgever voor ogen stond dat personen die in 2002 voorzieningen kopen die in 2003 geleverd of betaald worden, moeten worden behandeld als bijzondere groep aan wie geen energiepremie behoort te worden toegekend.

4.5. Gelet op hetgeen hiervoor in 4.4 is overwogen gaat het Hof ervan uit dat bij de invoering van de wijziging van de regeling van energiepremies in 2003 onbedoeld geen aansluiting is gevonden tussen de opeenvolgende regelingen. Dit gemis aan aansluiting is ten dele ondervangen door de in 4.3 genoemde Intrekkingsregeling en het onder 2.3 ten dele weergegeven Besluit van de staatssecretaris van Financiën. Ten aanzien van belanghebbende is deze aansluiting echter niet bereikt. De Afdeling heeft geoordeeld dat de Intrekkingsregeling niet van toepassing is en het evenbedoelde Besluit eist dat de aanvraag vóór 2 april 2003 is ingediend, aan welke eis belanghebbende niet heeft voldaan.

4.6. Aldus dreigt voor belanghebbende het gemis van energiepremie door een onbedoeld effect van de wetswijziging welke geen volmaakte aansluiting tot stand heeft gebracht. Daarbij komt dat belanghebbende zijn gedrag niet op de wijziging in de regelgeving heeft kunnen aanpassen. Gelet op de in juni 2002 verleende bouwvergunning acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende de overeenkomst tot aanneming van de bouw van het nieuwe woonhuis al had gesloten toen het voorstel dat heeft geleid tot de Wet van 12 december 2002, Stb. 615 (Belastingplan 2003, deel 1), op 17 september 2002 bij de Tweede Kamer werd ingediend. De Intrekkingsregeling dateert van 30 september 2003 en is gepubliceerd in de Staatscourant van 7 oktober 2003, derhalve nadat de voorzieningen (nagenoeg) gereed waren. Voorts is gesteld noch gebleken dat belanghebbende enige invloed heeft kunnen uitoefenen op het moment van oplevering van het werk.

4.7. Het Besluit is een beleidsregel. Op grond van het bepaalde in artikel 4:84 van de Awb handelt een bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

4.8. De doelstelling van het Besluit kan worden ontleend aan hetgeen is neergelegd in onderdeel 2 van dat besluit. Daarin komt tot uitdrukking dat de Staatssecretaris het ongewenst vindt dat op basis van de energiepremieregeling 2002 geen energiepremie wordt toegekend voor een voorziening die in 2002 wordt gekocht, maar pas in 2003 wordt geleverd, bijvoorbeeld de eindejaarsdrukte in de winkels.

4.9. Uit de tekst van het Besluit begrijpt het Hof dat de Staatssecretaris bij de totstandkoming ervan voor ogen heeft gehad dat de energiepremie wordt toegekend ter zake van de aanschaf van apparaten en voorzieningen die men in een winkel pleegt te kopen. Niet blijkt dat de Staatssecretaris oog heeft gehad voor een situatie als de onderhavige, waarin de voorzieningen worden aangebracht in het kader van (een) overeenkomst(en) tot aanneming van werk, waarbij er in de regel vele maanden liggen tussen de totstandkoming van de overeenkomst enerzijds en de oplevering van het werk en de betaling van de laatste termijn van de aanneemsom(men) anderzijds.

4.10. Tegen de achtergrond van de met het Besluit te dienen doelen, bestaat er geen goede grond om het geval waarin een apparaat dat in een winkel wordt gekocht, maar in januari 2003 wordt geleverd, anders te behandelen dan het geval van belanghebbende. Voorts wordt belanghebbende door strikte toepassing van het Besluit onevenredig in zijn belangen getroffen. Hij heeft zijn beslissing om de voorzieningen aan te brengen immers mede gebaseerd op de ter zake van de aanschaf te ontvangen energiepremie.

4.11. Een goede grond voor het in 4.10 bedoelde verschil in behandeling kan ook niet worden gevonden in de samenhang met de Intrekkingsregeling. In de eerste plaats was de Intrekkingsregeling nog niet getroffen toen het Besluit tot stand kwam en moet het ervoor worden gehouden dat de Intrekkingsregeling op 5 december 2002 ook nog niet in voorbereiding was. Verder is van belang dat de Intrekkingsregeling, naar de Afdeling heeft beslist, in het geval van belanghebbende niet tot toekenning van energiepremie op grond van de voor 2003 geldende voorschriften kan leiden.

4.12. Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt het Hof tot de gevolgtrekking dat toepassing van het Besluit in dit geval voor belanghebbende gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met het Besluit te dienen doelen. Op grond van het bepaalde in artikel 4:84 van de Awb had de Inspecteur daarom niet in overeenstemming met de in het Besluit neergelegde beleidsregel moeten handelen. Hij had de aanvraag inhoudelijk moeten beoordelen, op basis van de voor het jaar 2002 geldende regeling.

4.13. Nu de aanvraag niet inhoudelijk is beoordeeld, die beoordeling een nader onderzoek vergt, belanghebbende in zijn beroepschrift voor de Rechtbank heeft opgemerkt dat niet diepgaand op de bewijsstukken is ingegaan, belanghebbende dit tijdens het onderzoek ter zitting heeft herhaald en partijen niet hebben aangedrongen op een inhoudelijke behandeling van de aanvraag door het Hof, zal het Hof de zaak terugwijzen naar de Inspecteur.

Met betrekking tot het griffierecht

4.14. Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Staat aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 38 respectievelijk € 106 te vergoeden.

Met betrekking tot de proceskosten

4.15. Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.16. Het Hof stelt de tegemoetkoming in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten wegens proceshandelingen) x € 322 (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) is € 966. De tegemoetkoming in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof stelt het Hof, eveneens mede gelet op het bepaalde in evenvermeld besluit, op 2 (punten wegens proceshandelingen) x € 322 (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) is ook € 966.

Voor een hogere vergoeding, zoals belanghebbende heeft verzocht, acht het Hof geen plaats, nu bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het vorenvermelde besluit, zijn gesteld noch gebleken.

5. Beslissing

Het Hof

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,

- wijst het geding terug naar de Inspecteur ter verdere behandeling en beslissing met inachtneming van deze uitspraak,

- gelast dat de Staat aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 144 vergoedt,

- veroordeelt de Inspecteur tot een tegemoetkoming in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 1.932, en

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op: 6 maart 2009 door P. Fortuin, voorzitter, J.W.J. Huige en J.A. Meijer, in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.