Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BI4093

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-05-2009
Datum publicatie
15-05-2009
Zaaknummer
HV 200.022.628
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overlijden rechthebbende na uitspraak in eerste aanleg. Belang bij het appel. Beëindiging taken bewindvoerder en mentor van rechtswege. Geen ontslag met terugwerkende kracht mogelijk. Zuiver emotioneel creëert geen voldoende belang bij instellen rechtsmiddel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

DvdH

14 mei 2009

Sector civiel recht

Zaaknummer: HV 200.022.628/01

Zaaknummer eerste aanleg: 507862 OV VERZ 08-4550 en 507863 OV VERZ 08-4551

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[A.],

en

[B.],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. D.M. Terpstra,

t e g e n

[C.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. L.J.E. van Ierssel.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[D.],

wonende te [woonplaats], California (Verenigde Staten).

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Breda (hierna: de kantonrechter) van 16 oktober 2008.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 16 januari 2009, hebben appellanten verzocht de bestreden beschikking te vernietigen.

2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 februari 2009, heeft geïntimeerde verzocht appellanten niet-ontvankelijk te verklaren, althans hun verzoek af te wijzen met bekrachtiging van de bestreden beschikking.

Verder heeft geïntimeerde verzocht om appellanten hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten en hen te veroordelen om aan de griffier te voldoen de ingevolge de artikelen 17 en 18 van de ‘Wet tarieven in Burgerlijke zaken’ in debet gestelde griffierechten, alsmede de onder deze kosten begrepen salarissen van advocaten, procureurs of deurwaarders, en verschotten, althans een zodanige proceskosten¬veroordeling als het hof juist acht.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 maart 2009. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- appellanten, bijgestaan door mr. D.M. Terpstra;

- geïntimeerde, bijgestaan door mr. M. Czarnota.

[D.] is, met bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.

Het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling aan partijen medegedeeld dat de behandeling is toegespitst op de kwestie van de ontvankelijkheid.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van het gesprek van de kantonrechter met mevrouw [E.] d.d. 25 september 2008 naar aanleiding van het bezoek van de kantonrechter aan het zorgcentrum waar mevrouw [E.] op dat moment verbleef;

- het proces-verbaal van verhoor van appellanten, geïntimeerde en de heer [F.] d.d. 25 september 2008;

- het proces-verbaal van het gesprek van de kantonrechter met verpleeghuisarts [G.] en met mevrouw [H.], hoofd van de afdeling van Crocus van het verpleeghuis Aeneas (de eerdere verblijfplaats van mevrouw [E.]) d.d. 14 oktober 2008;

- de brieven met bijlagen van de advocaat van appellanten d.dis 11 maart 2009 en 17 maart 2009;

- het faxbericht van 12 maart 2009 van mr. M. Czarnota;

- het faxbericht van 24 maart 2009 met bijlagen in verband met de volmachtverlening door [D.] van mr. M. Czarnota.

2.5. Het faxbericht van 20 maart 2009 met bijlagen van de advocaat van appellanten is ingekomen buiten de in het procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven gestelde termijn. Gelet op het feit dat deze stukken niet kort en eenvoudig te doorgronden zijn, heeft het hof beslist dat deze stukken niet worden toegelaten.

3. De beoordeling

3.1. Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van appellanten toegewezen en zowel een mentorschap ingesteld over [E.] als een bewind over alle goederen die haar toebehoren of zullen toebehoren. De kantonrechter heeft vervolgens geïntimeerde benoemd tot mentor en bewindvoerder. Daarmee is de kantonrechter voorbij gegaan aan het verzoek van appellanten om beiden gezamenlijk tot mentor en bewindvoerder te worden benoemd.

3.2.1. Ontvankelijkheid

In hun beroepschrift hebben appellanten om volledige vernietiging van de bestreden beschikking verzocht. In voormelde beschikking heeft de kantonrechter echter het verzoek van appellanten strekkende tot het instellen van een bewind over de goederen van mevrouw [E.] en het instellen van een mentorschap over mevrouw [E.] toegewezen.

Aangezien het rechtsmiddel van hoger beroep is in beginsel niet is gegeven aan een partij wier verzoek in eerste aanleg is toegewezen – met het doel die toewijzing ongedaan te maken omdat hij/zij geheel of voor een deel van het verzoek afziet – is het hof van oordeel dat appellanten reeds op deze grond in zoverre niet-ontvankelijkheid dienen te worden verklaard in hun appel.

3.2.2. Uit de stukken is gebleken dat mevrouw [E.] op 2 november 2008 is overleden, waardoor het bewind (artikel 1:449 lid 1 BW) en het mentorschap (1:462 lid 1 BW) van rechtswege zijn geëindigd. Artikel 3:303 BW – die ingevolge de schakel- bepaling van artikel 3:59 BW ook voor het rechtsmiddel van hoger beroep geldt – bepaalt dat zonder voldoende belang niemand een rechtsvordering toe komt. Het belang moet voldoende zijn om de rechtsvordering die wordt ingesteld te rechtvaardigen. Nu het bewind en het mentorschap van rechtswege zijn beëindigd en daarmee ook de taken van de bewindvoerder en de mentor zijn geëindigd (artikel 1:448 lid 1 sub a BW en 1:461 lid 1 sub a BW), hebben appellanten ook in zoverre geen belang meer bij hun beroep. De wet voorziet niet in een ontslag met terugwerkende kracht.

3.2.3. Voorts overweegt het hof het volgende.

In hun beroepschrift hebben appellanten gesteld dat het belang in deze procedure is gelegen in het feit dat geïntimeerde als mentor en bewindvoerder mogelijkerwijs rechtshandelingen heeft verricht die in strijd zijn met het belang van de inmiddels overleden rechthebbende, mevrouw [E.].

De juridische grondslag ter onderbouwing van deze stelling zou dan gelegen moeten zijn in het aansprakelijk stellen van geïntimeerde in de rekening en verantwoording die zij in haar hoedanigheid als gewezen bewindvoerder dient af te leggen (artikelen 1:444 BW jo 1:445 BW jo 1:448 lid 3 BW).

Appellanten hebben hier echter geen beroep op gedaan. Evenmin hebben zij op andere wijze hun stelling juridisch onderbouwd, zodat het hof hieraan voorbij gaat.

3.2.4. Ter verdere onderbouwing van hun stelling dat zij een rechtens te respecteren belang hebben bij deze procedure, hebben appellanten tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep desgevraagd enkele keren verklaard dat zij zich persoonlijk gekrenkt voelen door de overwegingen van de kantonrechter in de bestreden beschikking. Hun voornaamste rechtens te respecteren belang is – zo heeft de advocaat van appellanten ter zitting verklaard – dan ook het niet langer verkeren in het kwade daglicht waarin de rechtbank hen, naar hun mening, heeft gesteld door middel van vernietiging van de bestreden beschikking. Het mogelijke herstel van persoonlijke krenkingen levert naar het oordeel van het hof evenwel geen zelfstandig te respecteren belang op nu een zuiver emotioneel belang, hoe zwaarwegend ook, geen voldoende belang kan creëren (vgl onder meer Hoge Raad 9 oktober 1998, NJ 1998, 853).

3.3. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat appellanten niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden in hun hoger beroep.

3.4. Aangezien partijen in een familierechtelijke verhouding tot elkaar staan, zal het hof de proceskosten compenseren.

4. De beslissing

Het hof:

verklaart appellanten niet-ontvankelijk in hun hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Breda van 16 oktober 2008;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Pellis, Smeenk-van der Weijden en Van der Velden en in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2009.