Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BI4090

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-05-2009
Datum publicatie
15-05-2009
Zaaknummer
HV 200.025.585
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen belang bij hoger beroep afwijzing verzoek machtiging tot uithuisplaatsing van Bureau Jeugdzorg: niet-ontvankelijkheid.

Vrijwillige uithuisplaatsing door de met het gezag belaste moeder gerealiseerd. Geen rechterlijke machtiging vereist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

JM

13 mei 2009

Sector civiel recht

Zaaknummer: HV 200.025.585/01

Zaaknummer eerste aanleg: 184768/JE RK 08-2281

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

gevestigd te Eindhoven en mede kantoorhoudende te ‘s-Hertogenbosch,

appellante,

hierna te noemen: de stichting,

t e g e n

[X.],

en

[Y.],

beiden wonende te [woonplaats,

geïntimeerden,

hierna te noemen: de ouders.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 15 januari 2009.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 februari 2009, heeft de stichting verzocht voormelde beschikking te vernietigen en alsnog op basis van het verzoekschrift en de bijbehorende bijlagen een machtiging uithuisplaatsing in een andere gespecialiseerde instelling voor zorg en verblijf op basis van de indicatie van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) strekkende tot verblijf op grond van een zorgzwaartepakket af te geven en de te geven machtiging uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 april 2009. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw A. Meijers en de heer J.W. van Iersel;

- de ouders.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 18 december 2008;

- het zorgplan van januari 2009 van de Hondsberg;

- het vervolg plan van aanpak van de stichting van 3 februari 2009;

- de door de stichting toegezonden beschikking van de kinderrechter in de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 2 maart 2009.

3. De beoordeling

3.1. Uit de inmiddels verbroken relatie van de ouders is op [geboortejaar] te ’s-Hertogenbosch geboren [Z.] (hierna: [Z.]). De moeder oefent alleen het ouderlijk gezag over [Z.] uit.

3.2. [Z.] staat sinds 9 maart 2006 onder toezicht van de stichting. De ondertoezichtstelling is bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 2 maart 2009 verlengd tot 9 maart 2010.

3.3. Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter in de rechtbank ’s-Hertogenbosch het verzoek van de stichting tot het verlenen van een machtiging tot plaatsing van [Z.] in een AWBZ instelling afgewezen.

3.4. De stichting kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5. De stichting voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan. De kinderrechter heeft ten onrechte overwogen dat nu moeder heeft ingestemd met de door de Hondsberg gewenste behandeling, er geen gronden zijn om een machtiging tot plaatsing af te geven. De stichting wijst op de samenhang tussen artikel 1:258 en artikel 1:261 BW. In artikel 1:258 lid 3 BW is uitdrukkelijk bepaald dat een uithuisplaatsing alleen op grond van artikel 1:261 BW geschiedt. Slechts in het geval dat een plaatsing door de ouders wordt bewerkstelligd en wordt gedoogd door de stichting, is een machtiging van de kinderrechter niet vereist. De stichting leidt hieruit af dat in alle overige gevallen van uithuisplaatsing, waarbij de uithuisplaatsing plaatsvindt binnen het kader van een ondertoezichtstelling, wel een machtiging noodzakelijk is. De stichting verwijst voorts naar het arrest van de Hoge Raad van 13 november 1998 (NJ 1999, 147).

3.6. Het hof overweegt het volgende.

3.6.1. Het hof constateert dat ten tijde van de procedure in eerste aanleg de plaatsing van [Z.] bij De Hondsberg is gerealiseerd. Uit het zorgplan van De Hondsberg van januari 2009 blijkt dat de intake van [Z.] heeft plaatsgevonden op 1 december 2008 en dat [Z.] vervolgens in De Hondsberg is opgenomen op 5 januari 2009. Tijdens de zitting is gebleken dat [Z.] na zes weken weer is thuisgeplaatst, omdat er geen goede match was met het observatiegezin waar [Z.] ’s nachts verbleef. [Z.] verblijft nu overdag in het behandelcentrum van De Hondsberg en ’s nachts thuis bij de moeder. Voorts heeft de stichting tijdens de zitting meegedeeld dat het toezicht op [Z.] op verzoek van de moeder van [Z.] inmiddels is overgedragen aan de William Schrikker Stichting.

3.6.2. Het hof is van oordeel dat, nu op dit moment een uithuisplaatsing niet aan de orde is, de stichting geen belang meer heeft bij haar hoger beroep. Het hof zal de stichting dan ook niet-ontvankelijk verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep.

3.6.3. Nu de stichting ter zitting heeft aangegeven dat zij vindt dat het voor [Z.] beter zou zijn indien hij dag en nacht bij De Hondsberg verblijft en zowel de stichting als de moeder hebben aangegeven dat [Z.] thuisgeplaatst is in afwachting van een nieuwe observatieplek, overweegt het hof ten overvloede het volgende. De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking overwogen dat nu moeder instemt met de door De Hondsberg gewenste behandeling er geen gronden zijn om een machtiging tot plaatsing af te geven. Het hof is van oordeel dat de kinderrechter niet op de juiste grond het verzoek van de stichting heeft afgewezen. Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 13 november 1998 heeft overwogen, moet uitgangspunt zijn dat ingevolge het bepaalde bij artikel 1:258 lid 3 BW uithuisplaatsing van een minderjarige uitsluitend geschiedt krachtens artikel 1:261 BW, derhalve niet zonder een door de kinderrechter aan de gezinsvoogdij-instelling verleende machtiging als in dat artikel voorgeschreven, behoudens ingeval van vrijwillige uithuisplaatsing door de met het gezag belaste ouder zonder bezwaar van die instelling. Ten aanzien van uithuisplaatsing door de instelling geldt het vereiste van rechterlijke machtiging ook ingeval de met het gezag belaste ouder met deze uithuisplaatsing instemt. Het vorenstaande brengt mee dat in het onderhavige geval het antwoord op de vraag of een rechterlijke machtiging tot uithuisplaatsing vereist zou zijn geweest, daarvan afhangt of het de met het gezag belaste moeder is geweest, die vrijwillig, en met gedogen van de stichting, de minderjarige uit huis heeft geplaatst, dan wel of de uithuisplaatsing, met instemming van de moeder, is geschied door de stichting.

3.6.4. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt het volgende. De indicatiestelling is op 29 oktober 2008 aangevraagd bij het CIZ en het indicatiebesluit is op 11 november 2008 verzonden aan de moeder. Op pagina 13 van het vervolg plan van aanpak staat vermeld dat moeder de indicatie heeft aangevraagd en dat moeder [Z.] zelf heeft aangemeld bij De Hondsberg. Door de stichting wordt hier urgentie bij gevraagd. Op pagina 16 staat voorts vermeld dat moeder achter de plaatsing op de Hondsberg staat en dit ook zelf in gang heeft gezet. Er heeft een intakegesprek bij De Hondsberg plaatsgevonden op 1 december 2008 en op 5 januari 2009 is de plaatsing bij De Hondsberg door de moeder gerealiseerd. Uit deze feiten volgt naar het oordeel van het hof dat de moeder [Z.] uit huis heeft geplaatst en ook de voorbereidende handelingen voor deze uithuisplaatsing heeft verricht. Er zou in het onderhavige geval derhalve geen machtiging tot uithuisplaatsing vereist zijn geweest.

3.6.5. De stichting heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat de instemming van ouders bij een door de ouders zelf gerealiseerde uithuisplaatsing niet altijd bestendig is. Het hof is van oordeel dat het enkele risico dat een ouder in een later stadium aan de door hem of haar bewerkstelligde uithuisplaatsing eigenmachtig een einde zou maken, onvoldoende grond vormt om een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen, met name nu de stichting dit risico op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Indien dit geval zich zou voordoen, kan de stichting alsnog bij de kinderrechter van de rechtbank om een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing verzoeken.

4. De beslissing

Het hof:

verklaart de stichting niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde beroep tegen de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 15 januari 2009.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Teeffelen, Philips en Waaijers en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2009.