Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BI4026

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
15-05-2009
Zaaknummer
20-000429-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt voor het aanwezig hebben van hard en soft drugs en voor het witwassen van voor de fiscus verzwegen inkomsten veroordeeld tot een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en 240 uren werkstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-000429-08

Uitspraak : 29 april 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 januari 2008, parketnummer 01-825433-07 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 01-839001-06, in de strafzaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

wonende te [adres en woonplaats verdachte].

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Van het hoger beroep van de officier van justitie is in een nadere appelakte de vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde uitdrukkelijk uitgezonderd.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de eerste rechter - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - zal vernietigen en, in zoverre opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen aan verdachte onder 2, onder 3 en onder 4 ten laste is gelegd, hem ter zake zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, met verbeurdverklaring van de voorwerpen, genoemd onder de nummers 1 tot en met 4, 17, 30, 31, 48, 49, 52 tot en met 55 en 63 tot en met 66 op de beslaglijst, met onttrekking aan het verkeer van de voorwerpen, genoemd onder de nummers 7, 8, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 18, 20, 21, 24, 26, 27, 29 en 32 tot en met 47 op de beslaglijst, met last tot teruggave aan verdachte van de voorwerpen, genoemd onder de nummers 9, 16, 19, 23, 25 en 28 op de beslaglijst, met last tot tenuitvoerlegging van zes maanden gevangenisstraf, aan de verdachte voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 3 mei 2006, parketnummer 01-839001-06, en de gevangenneming van verdachte zal gelasten.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover thans nog aan de orde - ten laste gelegd dat:

2.

hij op of omstreeks 01 augustus 2007 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 8,9 gram, althans 7,0 gram, in ieder geval een hoeveelheid van een materiaal, bevattende MDMA en/of MDEA en/of MDA, zijnde MDMA en/of MDEA en/of MDA (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op of omstreeks 01 augustus 2007 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad

- een hoeveelheid van een middel bevattende 4-hydroxyboterzuur

(gamma-hydroxy-boterzuur, GHB), en/of

- een hoeveelheid van ongeveer 1.000 gram, in ieder geval een hoeveelheid van

meer dan 30 gram, van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en

plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn

toegevoegd (hasjiesj), en/of

- een hoeveelheid van ongeveer 7.000 gram, in ieder geval een hoeveelheid van

meer dan 30 gram, hennep,

zijnde 4-hydroxyboterzuur (gamma-hydroxy-boterzuur, GHB), hasjiesj en/of hennep (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 1 augustus 2007, te Eindhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van een of meer voorwerpen, te weten een hoeveelheid contant geld en/of bank-/girotegoeden en/of een motorfiets, merk Harley Davidson, en/of een personenauto, merk Mercedes-Benz, en/of een of meer televisies en/of een of meer DVD-spelers en/of een beamer en/of een of

meer speakersets en/of een horloge,

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de

verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of

verhuld wie de rechthebbende op dit/deze voorwerp(en) was of wie dit/deze

voorwerp(en), voorhanden hadden, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en)

dat dat/deze voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit een

misdrijf, en/of

heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) dit/deze voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, of van een of meer van deze voorwerpen gebruik gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dit/deze voorwerp(en) -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, onder 3 en onder 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.

hij op 01 augustus 2007 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad 6,8 gram van een materiaal, bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

hij op 01 augustus 2007 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad

- 111 gram van een middel bevattende 4-hydroxyboterzuur

(gamma-hydroxy-boterzuur, GHB), en

- 573 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en

plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn

toegevoegd (hasjiesj), en

- 6260 gram hennep,

zijnde 4-hydroxyboterzuur (gamma-hydroxy-boterzuur, GHB), hasjiesj en hennep middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

4.

hij in de periode van 1 januari 2004 tot en met 1 augustus 2007, te Eindhoven, althans in Nederland, van voorwerpen, te weten een hoeveelheid contant geld en bank-/girotegoeden, de herkomst heeft verborgen of verhuld, terwijl hij wist dat deze voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit een misdrijf, en voorwerpen, te weten een motorfiets, merk Harley Davidson, en een personenauto, merk Mercedes-Benz, en televisies en DVD-spelers en een beamer en speakersets en een horloge, verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat deze voorwerpen -onmiddellijk of middellijk- afkomstig waren uit enig misdrijf.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 en het onder 3 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het bewijs, het aantreffen van de verdovende middelen, onrechtmatig is verkregen, omdat, kort samengevat:

- geen sprake was van een voldoende redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit;

- verdachte door de politie is “overvallen” met een vooraf geredigeerde “Schriftelijke toestemming voor een doorzoeking van de woning” die hij diende te ondertekenen.

Deze verzuimen zouden volgens de raadsman moeten leiden tot bewijsuitsluiting. Hij beroept zich op artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Overig bewijs ontbreekt.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken blijkt het volgende:

a. In de maanden maart, april en mei 2007 kwam bij de CIE de volgende informatie binnen: [medeverdachte], wonende [adres], dealt nog steeds op grote schaal in verdovende middelen, waaronder cocaïne, GHB en ketamine. Hij maakt bij het dealen gebruik van een zwarte Ford Ka.

De plaatsvervangend CIE-chef heeft deze informatie, gelet op de hem bekende achtergrond van de bron in samenhang met de door die bron aangedragen gegevens, aangemerkt als betrouwbaar (proces-verbaal van de plaatsvervangend CIE-chef d.d. 30 mei 2007, proces-verbaal van de regiopolitie Brabant Zuid Oost nr. PL2233/07-007656 d.d. 22 augustus 2007,

p. 58).

b. Uit een onderzoek in het bedrijfsprocessensysteem van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost bleek dat op 31 mei 2007 door de politie was waargenomen dat voornoemde [medeverdachte] op de Lievendaalseweg in Eindhoven een ontmoeting had met de bij de politie ambtshalve bekende harddrugdealer [verdachte]. [medeverdachte] maakte hierbij gebruik van zijn Ford Ka (ambtelijk verslag nr. 07-007656 p. 13).

c. In week 29 van 2007 kwam bij de CIE de volgende informatie binnen: [medeverdachte], wonende [adres], verkoopt voor [verdachte] allerlei soorten hard drugs, zoals cocaïne, GHB en XTC-pillen. [verdachte] heeft zo’n vier à vijf mensen die voor hem grotere partijen harddrugs verkopen.

De plaatsvervangend CIE-chef heeft deze informatie, gelet op de hem bekende achtergrond van de bron in samenhang met de door die bron aangedragen gegevens, aangemerkt als betrouwbaar (proces-verbaal van de plaatsvervangend CIE-chef d.d. 27 juli 2007, proces-verbaal van de regiopolitie Brabant Zuid Oost nr. PL2233/07-007656 d.d. 22 augustus 2007,

p. 59).

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat kon worden gesproken van een redelijk vermoeden dat verdachte zich schuldig maakte aan overtreding van de Opiumwet. Tot de daaropvolgende doorzoeking van zijn woning heeft verdachte schriftelijk toestemming gegeven, zodat reeds op die grond de bij de doorzoeking aangetroffen verdovende middelen niet aan te merken zijn als onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal. Dat er bij de verkrijging van die schriftelijke toestemming onregelmatigheden van de kant van de politie zouden hebben plaatsgevonden die het karakter van vrijwilligheid daaraan hebben doen ontvallen, acht het hof niet aannemelijk geworden.

Nu derhalve feitelijk van de door de raadsman gestelde verzuimen in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering geen sprake is, verwerpt het hof het beroep op bewijsuitsluiting.

Voorts heeft de raadsman vrijspraak van het onder 4 ten laste gelegde bepleit. Hij heeft daartoe, kort samengevat, aangevoerd primair dat aannemelijk is dat verdachte de tenlastegelegde voorwerpen op legale wijze heeft verkregen, subsidiair dat, veronderstellend dat verdachte zwart heeft gewerkt, niet kan worden bewezen dat verdachte met het zwarte deel van zijn inkomsten en dus met crimineel geld die voorwerpen heeft verworven.

Het hof overweegt het volgende.

Op basis van het proces-verbaal van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost nr. 07-012059

d.d. 3 januari 2008 alsmede op basis van door de raadsman overgelegde stukken kan het volgende overzicht worden samengesteld van verdachtes legale inkomsten in de tenlastegelegde periode enerzijds en zijn in die periode verkregen vermogensbestanddelen en/of gedane uitgaven anderzijds:

Inkomsten

- teruggave inbeslaggenomen geld EUR 41.983,62

op 22 februari 2005

- inkomen partner over 2004, 2005 en 2006 EUR 39.212,00

- huur- en zorgtoeslag van 1 januari 2006 EUR 4.142,00

tot 1 augustus 2007

- lening van [getuige1] EUR 20.000,00

- uitgekeerde autoschades EUR 15.422,96

Totaal aan inkomsten EUR 120.760,58

Bij de inkomsten laat het hof de teruggave op 19 juli 2006 aan verdachte van inbeslaggenomen geld (EUR 37.440,-) buiten beschouwing om dubbeltelling met het op 22 februari 2005 door verdachte terugontvangen bedrag (EUR 41.983,62) te voorkomen.

Uitgaven / vermogensbestanddelen

- verbouwing EUR 28.000,00

- Harley Davidson EUR 17.500,00

- Mercedes-Benz EUR 45.000,00

- contante stortingen op Fortis rekening EUR 7.500,00

- betalingen aan [medeverdachte] EUR 2.500,00

- horloge Breitling EUR 1.200,00

- jacuzzi EUR 3.500,00

- saldo bankrekeningen 2006 EUR 7.937,00

- inbeslaggenomen geld EUR 22.295,00

- lening aan [getuige2] EUR 20.000,00

- huur woning: 42 maanden maal EUR 407,93 EUR 17.133,06

Totaal aan uitgaven EUR 172.565,06

Aldus resteert een bedrag van EUR 51.804,48 waarvoor geen legale dekking te vinden is. Dit is een minimaal bedrag, omdat de kosten van levensonderhoud voor een gezin met één kind daarin niet betrokken zijn.

Verdachte heeft verklaard voornoemd bedrag deels te hebben verworven uit door hem verrichte werkzaamheden in de beveiliging. Naar eigen zeggen heeft verdachte deze inkomsten niet opgegeven aan de fiscus, omdat hij er niet van op de hoogte was dat hij ze op moest geven.

Vermogensbestanddelen waarover men de beschikking heeft doordat belasting is ontdoken worden door het hof overeenkomstig HR 7 oktober 2008, LJN BD2774 aangemerkt als “afkomstig van enig misdrijf” in de zin van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht. Aan verdachtes verklaring dat hij niet wist dat hij zijn inkomsten uit de beveiliging aan de belasting moest opgeven, hecht het hof geen geloof.

Naar het oordeel van het hof staat daarom vast dat de in de bewezenverklaring genoemde voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig zijn geweest uit enig misdrijf.

Het in het verweer van de raadsman besloten liggende vereiste dat bewezen moet worden dat het voorwerp dat wordt witgewassen geheel uit misdrijf afkomstig is, vindt geen steun in het recht. Indien, zoals in casu, kan worden vastgesteld dat in de ten laste gelegde periode traceerbare uitgaven en vermogensbestanddelen niet kunnen worden verklaard uit legale inkomsten en tevens kan worden vastgesteld dat er in die periode inkomsten uit misdrijf zijn verkregen, behoeft niet vast komen te staan welke van de uitgaven en vermogensbestanddelen voor welk deel kunnen worden verklaard uit de legale inkomsten en welk deel uit de van misdrijf afkomstige inkomsten, nu kan worden vastgesteld dat de in de tenlastelegging genoemde gelden en goederen mede door de belastingontduiking konden worden verworven.

Op grond van het vorenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de in de bewezenverklaring genoemde voorwerpen heeft witgewassen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder 2 is voorzien bij artikel 2, onder C, van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 10, derde lid, van die wet juncto artikel 47, eerste lid, aanhef en onder 1e , van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 3 is voorzien bij artikel 3, onder C, van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 11, tweede lid, van die wet junctis artikel 47, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 57 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 4 is voorzien bij artikel 420bis, eerste lid, aanhef en onder a en b, van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten bezware van verdachte heeft het hof rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat aan het voorhanden hebben van hard en soft drugs vele maatschappelijke problemen kleven, zoals ernstige gezondheidsschade, maatschappelijke verloedering, diverse vormen van criminaliteit en/of andersoortige overlast voor derden;

- het gegeven dat verdachte ter zake van opiumwetdelicten reeds eerder veroordeeld werd en hij nog in een proeftijd liep toen hij de onderhavige feiten beging;

- het feit dat verdachte een bedrag dat wordt geschat op enige tientallen duizenden euro’s heeft witgewassen, waardoor inbreuk is gemaakt op de integriteit van het financiële en economische verkeer.

Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Het hof zal een gevangenisstraf opleggen waarvan de duur gelijk is aan de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Voorts ziet het hof in het vorenstaande redenen om aan de verdachte een taakstraf, bestaande uit het verrichten van een werkstraf, voor het hieronder te vermelden aantal uren op te leggen.

Het hof zal een lichtere straf opleggen dan gevorderd is door de advocaat-generaal. De op te leggen straf brengt naar het oordeel van het hof de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking.

Beslag

De na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen (nummers 1 tot en met 4 op de beslaglijst), volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, zullen worden verbeurdverklaard, nu die voorwerpen geheel of grotendeels door middel van het ten laste gelegde en bewezen verklaarde onder 4 zijn verkregen. Op diezelfde grond zijn ook de voorwerpen, genoemd onder de nummers 17, 30, 31, 48 tot en met 51, 53, 54, 56, 61, 62, 64 en 66 op de beslaglijst, vatbaar voor verbeurdverklaring, maar het hof zal hiertoe niet overgaan, omdat verdachte, mede gelet op zijn draagkracht, reeds voldoende in zijn vermogen getroffen wordt door verbeurdverklaring van de voorwerpen met de nummers 1 tot en met 4.

De na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen worden door het hof beschouwd als een gezamenlijkheid van voorwerpen, met betrekking waartoe of met behulp waarvan het bewezen verklaarde is begaan cq. die bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane misdrijven zijn aangetroffen, aan verdachte toebehoren en kunnen dienen tot het begaan of voorbereiden van soortgelijke misdrijven, terwijl het ongecontroleerde bezit van een en ander in strijd is met de wet.

Het hof zal daarom deze voorwerpen aan het verkeer onttrokken verklaren.

Van hetgeen verder in beslag genomen en nog niet teruggegeven is, zal de teruggave aan de verdachte worden gelast.

Voorlopige hechtenis

Gelet op de duur van de op te leggen gevangenisstraf en de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal het hof de vordering van de advocaat-generaal tot gevangenneming afwijzen.

Vordering tot tenuitvoerlegging

Het hof is ten aanzien van de vordering van de officier van justitie te 's-Hertogenbosch van

28 november 2007 tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch d.d. 3 mei 2006 onder parketnummer 01-839001-06 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, van oordeel, dat - nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt waaronder soortgelijke feiten als waarvoor de voorwaardelijke straf was opgelegd - de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis, dient te worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 14g, 22c, 22d, 24, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 47, 57, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 2, onder 3 en onder 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

2.

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

3.

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

4.

Witwassen.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 161 (honderdeenenzestig) dagen.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten de voorwerpen, genoemd onder de nummers 1, 2, 3 en 4 op de aan dit arrest gehechte beslaglijst.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten de voorwerpen, genoemd onder de nummers 7, 8, 10, 11, 12, 13, 18, 20, 21, 24, 26, 27, 29 en 43 op de aan dit arrest gehechte beslaglijst.

Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten de voorwerpen, genoemd onder de nummers 5, 6, 9, 14, 15, 16, 17, 19, 22, 23, 25, 28, 30, 31, 32, 33, 34, 35, 36, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 44, 45, 46, 47, 48, 49, 50, 51, 52, 53, 54, 55, 56, 57, 58, 59, 60, 61, 62, 63, 64, 65 en 66 op de aan dit arrest gehechte beslaglijst.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 3 mei 2006, onder parketnummer 01-839001-06, te weten van een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Wijst af de vordering van de advocaat-generaal tot gevangenneming.

Aldus gewezen door

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. J.A. van Zon en mr. J.H. Janssen,

in tegenwoordigheid van mr. A.T.W. Looijmans, griffier,

en op 29 april 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J.H. Janssen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.